Archief van
Categorie: Beleving

Een beleving weergeven in de vorm van een kort verhaal met meestal een impliciete boodschap.

Kutgedicht

Kutgedicht

je kent haar wel, Catharina,                         


ooit een bekende tsarina,
                          


maar onbegrepen door de tsaar,                          


die riep dagelijks tegen haar:                        


‘waarom doe je zo vaag, Ina?’                      

 

Meander

 

Waarom Cathar(Ina) zo vaag deed? Klik HIER om daar meer over te lezen.


Meer gedichten met als thema Hart & Ziel van Meander lezen? Klik dan HIER.

Leven Dromen

Leven Dromen

elke nacht omhelst intiem haar dromen                     

verloren dwalend in ‘t onverwerkte                         

doorloopt verwonderend gevlogen dag                        


laat tal van percepties samenkomen                         

overdonderend is ‘t onbemerkte                          

dat onveranderlijk voor voeten lag


helle vegen tekenen helder licht

waarin het falen feilloos wordt getoond

doch zonder menige betekenis


heldendaden verbeelden ander zicht

doorwrochte slaap ogenschijnlijk beloont

wanneer de nacht bijna verkeken is


vermoeid omarmt dromen ‘t heilzaam slapen

overmand door haar eindeloze taak

om te verbinden en te verwerken


levenservaring te mogen rapen

in herinneringen vermengd lukraak

om al dromende leven te sterken

 

 

Meander

“Leven Dromen”: © Meander; Almere; 21 januari 2019.  


Meer gedichten van Meander over dit onderwerp lezen? Klik dan HIER.

Schrijf je eigen droom of beschrijf een droom die je herinnert en stuur die naar voor@meanderblog.nl.

Kostbaar Onbedoeld

Kostbaar Onbedoeld

over leven                       

over waarom                    

over doel                   

over moeten               

over reden                 

over zin                        


het leven

zonder waarom

als doel

zonder moeten

zonder reden

als zin           


leven

jouw entiteit

jouw zijn

kostbaar

onbedoeld

toeval

 

 

Meander

 

“Kostbaar onbedoeld”: © Meander; Almere; 12 januari 2019.  


Meer gedichten over hart & ziel van Meander lezen? Klik dan HIER.


Inzichten over het waarom van het leven? Klik dan HIER.

 

Fundamentalist

Fundamentalist

de puur telepathische                                


vastgoedmakelaar is,                                 


funda mentalist

 

 

Meander

 

 

“Fundamentalist”: © Meander; Almere; 7 januari 2019.                            


Een absurdijn van Meander.                            


Meer absurdijnen lezen? Klik dan HIER.

De Kraai

De Kraai

Nerveus en schichtig waren de bewegingen van de in het zwart gehulde straatvogel. Zijn toekomst lag in het verleden en overleven was zijn dagelijkse niet aflatende bezigheid. Op zoek naar eten, en passant speurend naar glimmende muntjes die hij dacht te kunnen gebruiken.

Al speurend dook hij van het perron op het spoor, maar niet na goed te hebben gekeken of er een trein aankwam. Hij pakte de tien eurocent en dacht: beter dan niets. Hij had al drie muntjes weggepakt van het spoor. Muntjes die slordige passagiers van het perron hadden laten vallen. Nog drie perrons, dacht de magere, zwarte, voorovergebogen, straatervaren, donkere gedaante.
Zijn scherpe blik gleed langs de rails. Hij geloofde zijn ogen niet, lag het daar echt? Wat een buitenkans. Scherp om zich heen kijkend of niemand anders het had gezien en er geen bemoeizuchtigen op de kust waren, dook hij nogmaals op het perron. Hij had het goed gezien, een twee-euromunt. De trein had hij niet gezien.

Ternauwernood ontsnapte hij aan de vermorzelende wielen van de intercity die net op gang was gekomen. Hij draaide zich om en zag twee hem zeer bekende mannen van de spoorwegpolitie staan. Hij deed een vergeefse poging om weg te rennen, maar ze hielden hem vast en namen hem mee. Eenmaal in het kantoortje van de spoorwegpolitie doorzochten ze zijn zakken, pakten hem alles af en deden het in een plastic zak waar ze een sticker op plakten met een nummer en een naam. Een van de twee schreef een zinloze bekeuring uit aan een adres van het Leger des Heils, waar de Kraai zelden kwam. Een bekeuring op naam van een vriend die jaren geleden was overleden. Een identiteitsbewijs had hij niet en de spoorwegpolitie dacht inmiddels te weten wie hij was. Dat ze de bekeuring nooit verzonden, omdat het zinloos was, wist de Kraai niet.

Hij was niet ontevreden over de aanhouding, want ze gaven hem een kop koffie en hij kreeg twee oliebollen die over waren van oudjaar. De twee agenten praatten nog even met elkaar en stonden na vijf minuten op. Ze brachten hem naar het plein voor het station en gaven hem het zakje waar zijn spullen in zaten. Beiden glimlachten en de grootste van de twee zei: “Gelukkig nieuwjaar en tot de volgende keer, Kraai.”

De Kraai wiens leven al jaren voorbij leek te zijn, opende het zakje en wilde de spullen in zijn zakken stoppen. Verbijsterd keek hij naar de twee briefjes van tien euro die hem liggend op zijn schamele bezittingen aanstaarden.

 

Meander

 

“De Kraai”: © Meander; Almere; 2 januari 2019.

Foto Kraai op Rails: © Meander; Almere; 5 januari 2019.


“De kraai” is het verhaal van een overlever die zijn toekomst in het verleden heeft achtergelaten. Een kort verhaal, geschreven naar aanleiding van het zien van een man die op zoek was naar geld op de rails.

 

Orgastisch Vuurwerk

Orgastisch Vuurwerk

eindelijk perfect voor elkaar                          


op het moment suprême dit jaar
                           


rollebollend met zijn tweeën
                        


zich helemaal suf gevreeën
                             


kwamen ze klokslag twaalf uur klaar  
     

 

 

Meander

“Orgastisch Vuurwerk”: © Meander; Almere; 1 januari 2019.


“Vuurwerk” het jaarlijkse orgastisch hoogtepunt van testosteron- en adrenalinerijk Nederland voor, tijdens en na de jaarwisseling, terwijl het toch zoveel liefdevoller kan, zoals blijkt in dit korte gedicht.


Meer heftige gedichten/verhalen van Meander? Klik dan op “Betere seks met Frambozen”, of klik op “Vrij(en) in een tent.”

Nieuwjaar?

Nieuwjaar?

boze geesten worden verdreven                         

vanaf klokslag twaalf, middernacht                      

het nieuwe jaar gaan we beleven                      

met veel meer dan ‘t vorige bracht                       


natuurlijk moeten we feesten en dansen                   

omdat leven die adem nodig heeft                       

samen vieren we alle nieuwe kansen                    

die het nieuwe jaar ons hopelijk geeft                  


keihard knalt het vuurwerk al jaren

vele kinderen die dagelijks sterven                 

nieuwjaar brengt voor hen geen bedaren

dichter wil uw feest van hoop niet bederven


maar sta soms stil bij een harde knal                  

voor hen gaat het om dood of leven

vier het feest en dans en leef vooral                     

zullen zij nieuwjaar nog beleven?


de vluchtelingen in Nederland

hoe ervaren zij deze traditie?

ontvluchtten de oorlog in hun land

horen het ontploffen van munitie                  


dichter wenst u een bijzonder jaar

als het lukt, graag iets meer met elkaar                           

 

Meander

“Nieuwjaar”: © Meander; Almere; 31 december 2018.


“Nieuwjaar”, een gedicht over viering van jaarwisseling en verwelkoming van het nieuwe jaar, maar niet zonder het besef dat in Jemen in 3 jaar bijna 100.000 kinderen stierven, omdat we niet willen ingrijpen. Niet ingrijpen om onze belangrijke, economische en terroristische ‘vriend’ Saoedie-Arabië niet te schofferen.
Geschreven mede naar aanleiding van de toename van het gebruik van zwaar, illegaal, gevaarlijk vuurwerk door mensen die geen idee hebben van wat het doet met vluchtelingen die een oorlog zijn ontvlucht.

Onverleden vrede

Onverleden vrede

jij, bijna geboren

naar leven gestreden

strijd verloren

mooi wonderkind

voor jou geen heden


kind van geen nacht

‘t lijkt zo lang geleden

liefde die je bracht

maar jij, ongebleven

zomaar weggegleden


mijn hart zegt, ik ken je

 jij tedere vrede

in onze harten ben je

genesteld als

eeuwig onverleden

 

  

Meander

“Onverleden Vrede”: © Meander; Almere; 21 december 2018.


Luierpark Almere
, een gedenkplek voor (on)geboren en overleden kinderen. 

Bedreigde kalkoen

Bedreigde kalkoen

een dikke kalkoen uit Boerakker                   


besefte het is kerst, de stakker                 


hij brak uit zijn hok                       


en riep naar de kok                       


word jij maar vegetariër makker

 

 

 

Meander

 

“Bedreigde Kalkoen”: © Meander; Almere; 25 december 2018.


Meer gedichten van Meander? Klik dan HIER.


Meer Limericks of bijna limericks? Klik dan op “Patser, of op “Dichterlijk Chaoot”, of op “Verwarde Meeuw.”

Het Kerstpakket

Het Kerstpakket

In Amersfoort woonde een meisje van 13 jaar. In de Amersfoortse courant las ze het volgende bericht: ‘Kent u iemand die  een kerstpakket goed kan gebruiken, geef dan de naam door aan de Amersfoortse courant.’
Het meisje wist dat er in haar buurt een weduwe met jonge kinderen woonde die het niet breed had. In de winter liepen de kinderen in zomerkleren en in plaats van met maillots, liepen de meisjes met blote benen en hadden ze kniekousen aan.
Het meisje gaf de naam van dat gezin door aan de krant. Niet lang nadat de kerstpakketten bezorgd waren, werd er aangebeld bij het huis van het meisje. Een medewerker van de krant gaf haar een cadeautje en bedankte haar voor de tip. De jongeman zei dat het kerstpakket goed terecht was gekomen.

Vele vele jaren later klonk op een woensdagavond tegen zes uur de deurbel. Het meisje was inmiddels drieënzestig jaar en oma van drie kleinkinderen. Ze leefde van een uitkering en spaarde met veel moeite om haar kleinkinderen een cadeautje te kunnen geven. Toen ze open deed stond een bezorger van de post op haar stoep met in zijn handen een kerstpakket. De vrouw dacht dat het voor een van haar buren was die niet thuis waren. Ze vroeg voor wie het pakket bestemd was.
“Voor u”, zei de bezorger.
“Nee hoor”, zei de vrouw, “ik verwacht niets.” Een werkgever die haar een kerstpakket gaf, was verleden tijd.
De postbezorger noemde haar naam en vroeg of het klopte.
“Dat ben ik”, zei de vrouw.
“Dan is dit toch echt voor u”, zei de bezorger. Ze nam het pak aan en ging naar binnen.

Nog steeds verbaasd over het onverwachte geschenk, opende de vrouw het pakket in de hoop een aanwijzing te vinden over degene die haar dit gestuurd had. In het pakket vond ze een kerstgroet en een briefje waar op stond dat de gever anoniem wenste te blijven, maar dat ze blij was dat ze na vijftig jaar iets terug mocht doen. De ogen van de vrouw werden vochtig en het meisje van dertien in haar keerde in gedachten terug naar toen.


Ik wens iedereen een liefdevolle kerst samen met familie en vrienden. Vergeet niet te denken aan en te doen voor hen die alleen zijn, of die het niet zo breed hebben.

Ellen Eilbracht

 

 

Donzen deken

Donzen deken

donzen deken dekt            

              

langzaam ontwakend landschap                       

 

zon aarzelt nog wat             

 

 

 

Meander

“Donzen deken”: © Meander; Almere; 13 oktober 2018.


Meer gedichten van Meander? Klik dan
HIER.

Was het maar geen kerst?

Was het maar geen kerst?

Doelloos liep Lenie door de volle winkelstraten van het stadscentrum. Het zou haar vijfde kerst zonder Tom worden. In het begin had ze, zei het moeizaam, kerst gevierd met vroegere buren, met vrienden en zelfs een keer in Enschede bij een tante, haar enige overgebleven familielid. Iedere keer als ze thuis was gekomen van die drukke dagen, voelde ze zich meer alleen dan ooit. Het was gezellig geweest, maar ze beleefde het niet echt. Ze was gegaan, omdat ze was uitgenodigd. Vorig jaar had ze alle uitnodigingen afgeslagen, zo ook dit jaar.
Lenie was een rijzige vrouw met donker haar en donkerbruine ogen. Haar oma was een Indonesische die met haar opa was getrouwd toen deze vanaf 1936 als majoor van het Nederlandse leger diende op Java. Ze zag er veel jonger uit dan je zou verwachten.

De muziekkapel van het Leger de Heils stond voor de Hema en speelde er lustig op los. Het ene kerstlied na het andere schalde door de straten van het centrum over de hoofden van de schuifelende, koopgrage massa. Voor de muzikanten stond de bekende driepoot met de ketel waar men een donatie in kon doen voor het kerstfeest van anderen. Lenie aarzelde, maar bleef even staan. Ze luisterde naar ‘Stille nacht’ en ongewild liep er een traan over haar rechterwang. Ze veegde het weg, pakte vijf euro en stopte het biljet in de ketel. Voor ze haar weg vervolgde, bleef ze nog een tijdje staan om te luisteren naar ‘White Christmas’ en naar ‘Jingle Bells’, het favoriete nummer van Tom.

Wat kom ik hier eigenlijk doen, dacht Lenie toen ze weer door de winkelstraten slenterde. Was het maar geen kerst. Ik hoef niets te kopen, ik heb geen afspraken tot begin januari, niemand krijgt van mij een cadeautje en niemand geeft mij een cadeautje. Ze liep terug via een andere straat en kwam langs boekhandel Stumpel. Lenie liep de boekhandel binnen en keek op verschillende tafels. Ze las graag en overwoog zichzelf een boek cadeau te doen. Ze zag een trilogie van een haar onbekende schrijver liggen. ‘Een psychologische thriller over vijf vrouwen’ stond op een bord achter drie stapels boeken. De omslagen van de boeken waren op de kleur na gelijk. In oplopende intensiteit waren de letters en silhouetten op de omslagen lichtrood tot dieprood gekleurd. Het complete setje koste bijna veertig euro. Dat vond Lenie erg duur, maar om een of andere reden stapte ze over dat bezwaar heen en pakte ze een complete trilogie.

Voor de kassa stond een lange rij. Na tien minuten wachten stond ze nog steeds op dezelfde plek. De andere rijen gingen veel sneller, omdat de man die vooraan hun rij stond een gesprek was begonnen met de jongedame achter de balie. Het jonge, nerveuze meisje wist niet hoe ze de man duidelijk moest maken dat er mensen stonden te wachten en keek wanhopig naar haar collega’s, maar die hadden het te druk met hun eigen werkzaamheden.
Lenie zag het, liep naar voren, tikte de man op de schouder en zei toen deze zich omdraaide: “Excuus, meneer, er staat een lange rij achter u. Wilt u alstublieft afrekenen?”
De man keek haar verbaasd aan, aarzelde even en vroeg haar toen: “Lenie? Lenie Schouwaert?”
Om te voorkomen dat het gesprek van de man met de jongedame zich naar haar verplaatste en de rij nog langer zou worden opgehouden, zei Lenie: “Ja. Wilt u afrekenen, dan spreek ik u straks.” Wie is die man?, dacht ze terwijl ze terugliep naar haar plek in de rij.

Lenie kreeg bedankjes van enkele mensen voor haar kordate optreden. Ze zocht na haar trilogie te hebben aangeschaft naar de voor haar onbekende man, die haar blijkbaar kende. De man zat met een vrouw in het koffiebarretje van de boekhandel. Hij stond op toen ze dichterbij kwam. “Lenie Schouwaert”, zei hij. “Ongelofelijk na al die jaren.” Hij omhelsde haar ongevraagd en zoende haar op beide wangen. Met een ruim handgebaar wees hij naar de vrouw. “Ken je Malou nog?”
Lenie keek beduusd van de een naar de ander. “Dag, Malou”, zei ze voorzichtig. “Jou herken ik nog”, zei ze, “maar wie ben jij dan?”, vroeg ze aan de man.
“Thomas Boersma. Herken je mij niet meer?”
Het was alsof Lenie een klap in haar gezicht kreeg. Thom en Tom, het populaire duo op de middelbare school dat van alles uitvrat en zonder enige zichtbare inspanning geslaagd was voor het vwo. Haar eerste liefde was deze Thomas geweest, maar na een paar maanden had Thomas het uitgemaakt en was Tom als vanzelfsprekend op haar pad gekomen. Ze liet zich op de dichtstbijzijnde stoel zakken. Tranen biggelden over haar wangen, omdat haar Tom op slag indringend aanwezig was.
Thomas wist even niet wat hij zeggen moest, maar Malou stond op, ging naast Lenie zitten, deed haar arm om diens schouder en vroeg: “Wat is er, Lenie. Waarom huil je?”
“Ik weet het niet”, snikte Lenie, die een zakdoek pakte, haar tranen droogde en langzaam weer rustig werd. Ze keek naar Thomas en zei: “Je ziet er zo anders uit, maar nu ik het weet herken ik je weer. Thomas wees op zijn verweerde gezicht, wees op zijn baard en zei: “Grijs, oud en een baard, dus zo eenvoudig is het niet om mij te herkennen.” Malou en Lenie lachten.
Malou zei: “Ik herkende hem eerst ook niet hoor.” Malou was klein, leek fragiel, maar was dat geenszins. Ze liep ieder jaar een aantal halve marathons en was trainer bij de plaatselijke atletiekvereniging.

Daar zaten ze, drie klasgenoten van de middelbare school die samen de laatste jaren van het vwo hadden doorlopen.
“Zijn jullie met elkaar getrouwd?”, vroeg Lenie onzeker.
Thomas lachte en zei: “Nee hoor. Malou en ik zijn elkaar tien minuten geleden tegengekomen en vlak daarna zag ik jou. Wat een merkwaardig toeval.”
“Woon je hier?”, vroeg Malou?
Lenie zei: “Al dertig jaar.”
“Dat kan niet”, zei Malou. “Ik woon hier eenentwintig jaar en heb je nog nooit gezien.”
“En ik woon hier drieëndertig jaar”, zei Thomas.
“Er wonen veel mensen en het hangt er maar vanaf waar je woont”, zei Malou. Ze bleken elk in een ander deel van de stad te wonen. De verwondering over het toeval maakte plaats voor hetgeen ze samen deelden.

Herinneringen die werden opgehaald, buitelden over elkaar heen. Ze bestelden een tweede en een derde koffie. Om deze kleine reünie te vieren, namen ze boterkoek bij de derde koffie. Thomas vroeg naar Tom en was ontdaan toen hij hoorde dat die meer dan vier jaar geleden was overleden. Hij vertelde dat zijn man vorig jaar was overleden.
“We zitten alle drie bijna in hetzelfde schuitje”, zei Malou. “Ik ben zeven jaar geleden gescheiden en sindsdien alleen.”
Lenie vroeg wat ze met kerst deden. Ze schrok van haar vraag, maar Thomas en Malou keken er niet van op. Thomas ging de eerste kerstdag naar zijn broer en had de tweede kerstdag geen afspraken. Malou had beide dagen al afgesproken. De eerste kerstdag met haar gezin. Ze had drie kinderen en vijf kleinkinderen. Tweede kerstdag zou ze met haar buren vieren.
“En jij?”, vroeg Malou aan Lenie.
Lenie zei: “Ik ga nergens naar toe. Het lukt me niet zonder Tom. De eerste drie jaar ging ik op alle uitnodigingen in om  maar niet alleen te zijn, maar dat voelde niet goed.”
“Ik heb een idee”, zei Malou, die net als vroeger overal oplossingen voor had en steevast de leiding nam.

Tweede kerstdag werd een geweldige dag. Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat waren ze bij Malou. Ze gingen samen naar de winkel, deden inkopen, deelden de kosten, liepen elkaar te verdringen in de keuken en hadden veel plezier. Het was net alsof ze weer op school zaten.
Malou had haar buren niet afgezegd, maar ze uitgenodigd om er bij te zijn. Ze waren veel jonger dan de drie klasgenoten, maar daar merkte je niets van. Antoinette die links van haar woonde en Geert die aan de andere kant woonde, kenden elkaar van het conservatorium. Geert speelde piano en vroeg of hij op Malou’s piano mocht spelen. Antoinette zong en speelde viool. De prachtige muziek die ze ten gehore brachten, werkte aanstekelijk. Halverwege de avond zongen ze met zijn vijven het ene na het andere kerstlied en genoten allen van een onverwachte en bijzondere tweede kerstdag.
Het drietal sprak af de jaarwisseling bij Thomas te vieren en ze spraken af elkaar wekelijks op woensdag- morgen te ontmoeten in Book & Boon, de koffiebar in de boekhandel waar ze elkaar teruggevonden hadden.

 

Meander

“Was het maar geen kerst?”: © Meander; Almere; 15 december 2018.

“Foto Stumpel”: © Meander; Almere; 15 december 2018.


“The best Christmas (we’ve ever had)”


Andere kerstverhalen van Meander? Klik dan HIER voor “Altijd Kerst” of klik op “Chadi en de Kerstman.”

 

Voor je ‘t weet, heb je een hele hete date

Voor je ‘t weet, heb je een hele hete date

Bernadette had voor het eerst een date met een Chinees. De afgelopen jaren had ze met mannen uit zoveel mogelijk verschillende landen afgesproken. Ze hield haar ervaringen met de mannen bij in een datingdagboek. Sinds ze was gescheiden had ze haar vrijheid ten volle benut. De afgelopen weken waren drie afspraakjes op niets uitgelopen, hopelijk was deze man toeschietelijker. Drie weken geen kerel, het moest niet gekker worden, dacht ze.

Bernadette was met de trein gekomen. Ze had zich uitermate stijlvol gekleed, omdat ze ergens had gelezen dat Chinezen daar van hielden. Ze trippelde op haar hoge hakken door het centrum. Na enkele minuten liep ze de Brasserie in en zag Shao opstaan. Hij maakte een lichte buiging met zijn hoofd, alsof hij een Japanner was en gaf haar een hand. Ze deed haar gezicht naar voren, maar hij zoende haar niet. Ze vond dat hij er heel anders uit zag dan op de datingsite. Sterker, lang, mannelijker en vriendelijk.
Shao zei: “Fijn om elkaar eerst hier te ontmoeten en te lunchen. Wil je iets drinken, Bernadette?”
“Een Rivella graag. Je ziet er goed uit, Shao.”
“En jij bent een erg mooie vrouw, Bernadette.”
Bernadette was geen lange, slanke, Chinese schoonheid, maar een stevige, sportieve, mooie vrouw. Ze was zwemster geweest en had de Olympische Spelen drie keer op een haar na gemist, tenminste dat vond zij.

Het gesprek verliep gemoedelijk. Shao was erg voorkomend en aardig. Hij vroeg haar over haar werk, haar hobby’s, haar lievelingseten en Bernadette vertelde en vertelde. Ze vertelde veel, maar vroeg zelf bijna niets. Ze dacht: Wat een aardige vent en hij ziet er zo goed uit. Na nog een drankje en een kop thee voor Shao zei ze: “Laten we de lunch overslaan. Gaan we naar mijn huis, of nemen we hier ergens een hotel?”
“Ik heb een beter idee”, zei Shao. “We gaan naar mijn huis. Het is groot, van alle gemakken voorzien en ik heb een geweldige Jacuzzi.”
“Dat klinkt veelbelovend”, zei Bernadette.
Shao zei: “Het is wel even rijden. Ik hoop niet dat je dat erg vindt.”
“Welnee, gezellig”, zei Bernadette.

Ruim een uur later reed Shao zijn oprit op. “Wat een toeval dat je naast het grootste en beste Chinese restaurant woont”, zei Bernadette.
Shao glimlachte en zei: “Het is van mij. Ik heb negentien Aziatische restaurants in Vlaanderen en Nederland. Vanavond moet ik er zijn, ga je mee?”
“O, ja. Heel graag”, zei Bernadette, terwijl ze dacht: Dat is niet mis. Misschien interessant voor meer dan een paar nachten.

“Kom”, zei Shao uitnodigend toen ze binnen waren, we gaan naar boven. Ze kwamen op de eerste verdieping en liepen de slaapkamer in die groter was dan Bernadette ‘s huis.
“Wauw”, zei ze. “Wat een grote ramen.” Shao nam haar aan de hand, deed zijn colbert uit en maakte alvast twee knoopjes los. De badkamer was van boven tot onder volledig betegeld met blinkend wit, gepolijst marmer. Het bad was zo groot als haar eigen slaapkamer. Ze verbaasde zich over het feit dat de badkamer twee ramen had van de vloer tot het plafond. Shao zag het en zei dat je door alle ramen van het huis wel naar buiten, maar niet naar binnen kon kijken.
“Grappig”, zei Bernadette ondeugend, dus wat je ook doet, niemand ziet je.
Shao glimlachte en hief zijn handen op terwijl hij ondeugend keek.

Shao hielp haar ongemerkt uit haar kleren, maar trok zelf nog niets uit. Met de afstandsbediening zette hij de kranen van het bad aan, dat in luttele minuten gevuld was.
“Welke olie wil je in het bad?”, vroeg hij.
“Doe maar wat jij lekker vindt”, zei ze.
Hij hielp haar in het bad en legde haar uit hoe de afstandsbediening werkte. Shao vroeg haar of ze een cocktail wilde en zo ja welke.
Bernadette antwoorde” “Een pittige, maar ik laat het aan jou over.”
Terwijl Shao de drankjes ging maken, speelde Bernadette met alle knopjes van de afstandsbediening van de Jacuzzi en wekte zo allerlei bewegingen van het water op. De lavendelolie vermengd met rozemarijn rook sterk. Ze wist niet dat Shao dit deed, omdat Chinezen over het algemeen vinden dat westerlingen stinken.

Shao had zich op een lendendoek na uitgekleed en kwam met een dienblad en twee cocktails binnen lopen. Hij zette het blad op een daarvoor bedoelde uitsparing bij het hoofdeinde aan de rand van de Jacuzzi. Het lendendoekje viel op de grond en Bernadette keek naar de goed geschapen Shao. “Dat ziet er lekker uit”, zei ze.
Shao glimlachte en dankte haar voor het compliment. “Als ik jou zie, mag ik niet klagen”, zei hij. De vaagheid van die uitspraak kwam niet binnen bij Bernadette. Ze giechelde om zijn compliment.
Ze zaten naast elkaar en dronken hun cocktail met kleine slokjes. Tussendoor probeerde ze hem te zoenen, maar verder dan zijn wang kwam ze niet. Ze bracht haar handen in het water doelgericht tussen zijn benen. “Zo, jij hebt er zin in”, zei ze.
“Ja”, zei Shao. “Ik haal een eerst nog nieuwe cocktail voor ons.”

Nadat hij was teruggekomen en hij haar ogenschijnlijk plichtmatig wat had opgewonden en de tweede cocktail door Bernadette was opgedronken, pakte hij haar beet, draaide haar om en nam haar van achteren in een razend tempo. Ze veranderende enkele malen van positie en Shao ging maar door.
Bernadette riep, “Jezus, Shao, dat ging bijna mis. Pas op, straks krijg ik nog een kind.”
Shao haalde zijn schouders op, stopte, pakte de douche en spoelde zichzelf grondig schoon. Hij zei: “Kom we gaan verder in bed.” Bernadette wilde uit bad stappen, maar Shao spoelde haar eerst helemaal schoon. Ze liepen naar de slaapkamer.

Een half uur later lag Bernadette onder de lakens en was soezerig van de inspanningen en het bad. Shao was naar de badkamer gelopen om het bad schoon te maken en alles op te ruimen. Bernadette hoorde hem wel, wilde eigenlijk niet slapen, maar langzaam verdwenen de geluiden naar de achtergrond. Toen Shao binnenkwam sliep ze. Hij glimlachte, streek met zijn hand door haar blonde haren en liep naar de keuken om de glazen om te spoelen en een espresso klaar te maken.

Om zeven uur die avond liep Shao door de keuken van het restaurant. Het was er heet. Shao liep langs alle koks en hulpkoks, foeterde wat en keek in een twee bijzonder grote wokarangs, waarin diverse groenten en een overdaad aan vlees lagen te spetteren in een geurend mengsel van specerijen en hete pepers. Hij was tevreden en liep naar het restaurant dat al bijna vol zat. Een bijna ingehouden glimlach verscheen op zijn gezicht. Hij had een tafel gereserveerd speciaal voor hemzelf en voor zijn gaste. Hij zou haar verrassen met specialiteiten van het huis.

Shao’s zag zijn gaste aan komen lopen en opende de deur voor haar. Hij nam haar mee naar de speciale tafel in de vorm van een driehoek. Hij boog een klein beetje en vroeg haar om te gaan zitten. Het was een vast ritueel op vrijdagavond. Hij keek naar haar en zei: “Ik ben blij dat je er bent, mama.”
Buiten verlichtte het informatiescherm de entree. De tekst op het scherm onder de livestream van een van de twee wokarangs luidde: “Iedere vrijdagavond Wok-specialiteit van het huis met verse groenten en vers vlees.

 

 

Meander

“Voor je ‘t weet, heb je een hele hete date”: © Meander; Almere; 3 december 2018.


Voor meer hete verhalen van Meander, klik op “Vrij(en) in een tent”, of klik op “Dating via Facebook, en dan?” 

 

 

Ongedwongen

Ongedwongen

vrijheden worden geëist                          

vrijheden zijn geborgd                         

vrijheden om te geloven                         

te beleven tijdens leven                            

vrijheden om te hopen                          

te geloven in iets                        

nu en na het leven                             


rechten worden geclaimd

op grond van vrijheden

vrijheden worden ontnomen

op grond van vrijheden

misbruik wordt gepleegd

misbruik van macht                       

misbruik van mensen

op grond van vrijheden

misbruik van vrijheden


wat is godsdienstvrijheid

als wie vrijheid heeft

het een ander niet geeft

wat is vrijheid

als ze waanzin wordt

uit angst voor het niets

na het leven


behoud met vrijheid

de waanzin van geloof

voor uzelf

laat anderen hun vrijheid

zonder geloof

ongedwongen

 

Meander

 

“Ontketend”: © Meander; Almere; 2 december 2018.


Gelijke behandeling en discriminatieverbod in Grondwet. Klik dan HIER.


Vrijheid van meningsuiting in de Grondwet? Klik dan HIER.


Vrijheid van godsdienst in de Grondwet? Klik dan HIER.

Vrijheid of Waanzin

Vrijheid of Waanzin

vrijheden worden geëist                          

vrijheden zijn geborgd                         

vrijheden om te geloven                         

te beleven tijdens leven                            

vrijheden om te hopen                          

te geloven in iets                        

nu en na het leven                             


rechten worden geclaimd

op grond van vrijheden

vrijheden worden ontnomen

op grond van vrijheden

misbruik wordt gepleegd

misbruik van macht                       

misbruik van mensen

op grond van vrijheden

misbruik van vrijheden


wat is godsdienstvrijheid

als wie vrijheid heeft

het een ander niet geeft

wat is vrijheid

als ze waanzin wordt

uit angst voor het niets

na het leven


behoud uw vrijheid

zonder waanzin

laat anderen hun vrijheid

hun eigen zin

 

Meander

“Vrijheid of Waanzin”: © Meander; Almere; 27 november 2018.


Godsdienstvrijheid, of godsdienstwaanzin. Als waanzin de vrijheid claimt en uw vrijheid wordt beknot, omdat u tolerant moet zijn voor de intoleranten. Of… wordt de vrijheid gebruikt om waanzin te voorkomen en vrijheid te verspreiden?
Laat iedereen de vrijheid om te denken, te geloven en te voelen wat hij of zij wil, zonder dat hij of zij verwacht, eist, bevecht en afdwingt dat een ander dat ook doet en zonder dat wie dan ook moet leven volgens door een geloof bedachte regels. Niemand hoeft te geloven, maar dat schijnt bij fundamentalisten en intoleranten geen grond te hebben. Vrijheid is er nimmer om die van een ander te beknotten.


Gelijke behandeling en discriminatieverbod in Grondwet. Klik dan HIER.


Vrijheid van meningsuiting in de Grondwet? Klik dan HIER.


Vrijheid van godsdienst in de Grondwet? Klik dan HIER.

Stormvloed

Stormvloed

schelle, oranjerode luchten                      

voor een andere dag                   

resisteren, doch vervagen                           

grauwe verdonkering                                    

annonceert violente ongenade                         

van buitensporige neerslag                  

uit verduisterende stapelingen             

van dreigende watervormen            

tussen hemel en aarde                  


drammende wind

vlagerig wassend 

in kracht en gramschap

stuwt strandlopers

naar beschutting

eleveert het zilte, 

verwarde water

uit verdoolde oceanen

naar gezochte hoogten


zeewering vergeefs strijdend

tegen aanzwellende stormvloed,

gretig vretend aan duinen               

soevereine natuur              

oppermachtige kracht

teistert, kwelt, striemt, 

geselt en kastijdt de kust

herschept onafgebroken

haar grillige tableau                     


dromend één voelen

met temperamentvolle,

tomeloze ongeremdheid

vol ontzag en behagen

genieten van ongekend

dynamisch, onstuimig,         

meedogenloos schouwspel

miraculeus contrast

met ‘s anderendaags

 

Meander

 


“Stormvloed”: © Meander; Almere; 24 oktober 2018.


Lees ook: “Onweer aan Zee”, of “Verlaten.” 


Meer over stormvloed? Klik Hier. 


Meer over Storm en Noordwesterstorm? Klik Hier.

De pornokijker

De pornokijker

Bert lag achterover op zijn bed, reikte naar de afstandsbediening, vloekte toen hij er niet bij kon, kwam overeind, pakte de afstandsbediening, ging weer liggen en bewoog zijn vingers over de toetsen om naar een andere film te zappen. Met zijn andere hand voelde hij even naast zich. Lotte zuchtte en zei: “Schiet op, ik heb geen zin om te wachten.” Ze pakte hem gevoelig beet en kneep even.
“Au, kreng”, riep Bert, waarna hij hard lachte. Hij zocht even in de lijst en koos een van de nieuwste films. De titel van de film was “Grijp je kans.” Hij klikte op OK en zonder een aanloop begon de film direct met een heftige vrijpartij. Ze zagen de rug van een flinke vrouw met lang, roestbruin haar die heftig op en neer bewoog, gezeten op een grote, gezette man. De man en vrouw leken intens met elkaar verbonden. Beeld en geluid ondersteunden die veronderstelling.

Bert was zo verslaafd aan pornofilms dat hij nagenoeg altijd dergelijke films aan had staan, of hij nu aan het klussen of schoonmaken was, koffie zat te drinken of aan het eten was. De geluiden van zijn verslaving vulden de woning, vooral als zijn vrouw niet thuis was.

Al kijkend bewoog Bert zijn vingers over het lichaam van Lotte. “Kun jij dat ook?”, vroeg hij, terwijl hij haar langzaam en zacht opwond.
“Kom maar op”, zei ze. “Maar wel een kwartslag draaien, anders zie ik de film niet.” En zo geschiedde.
De vrouw in de film was achterover gaan liggen. Het enige wat je van haar zag, is niet geschikt om hier te beschrijven. De ene na de andere man dook op haar. Ondertussen deden Lotte en Bert verwoede pogingen om hetgeen zich op het scherm afspeelde, na te bootsen. “Wat een gave film”, brulde Bert. Hij draaide Lotte om en dook bovenop haar.

Na enige tijd zat de dame in de film op haar knieën en begon de zoveelste man aan zijn kans. Ze kreunde amechtig, zuchtte overdreven en leek er maar niet genoeg van te krijgen. Bert en Lotte hadden het moeilijk om de acties in de film te volgen en te imiteren, omdat er vaak en snel werd geschakeld. Toen ze bekaf waren, namen Lotte en Bert een pauze. Ze legden alle kussens achter zich. Bert liep even naar de keuken. Even later keken ze verder naar de fysieke verwikkelingen op het scherm, terwijl ze een biertje dronken en chips aten.

De vrouw in de film klom weer op een man en ging tekeer als een dolle. Plotseling draaide ze zich om en keek recht in de camera. Bert verslikte zich in zijn chips, hoestte, schreeuwde en keek verbijsterd naar het scherm. Lotte keek hem aan, klopte hem op zijn rug en vroeg: “Wat is er?”
“Dat is verdomme Ans, mijn vrouw. Ik dacht dat ze naar de plattelandsvrouwen was. Dit pik ik niet.”

 

Meander

 

Meer verhalen om in de war van te raken? Klik dan op Dating via Facebook en dan?” of klik anders op “Vrijen in een tent.”

herfstzondagmiddag

herfstzondagmiddag

herfstzondagmiddag toont
een welhaast gesloten mars
van noord naar zuid
van zuid naar noord
zich moeizaam voortploegend
door het natte zand
van schamele reep strand
aarzelend overgelaten door
onzekere, opkomende zee                              

twee flanerende linten
vermengen zich
zonder elkaar te raken
als ware het een lange
onbedoelde maar onvermijdelijke
schijnbaar vervlochten
weinig kleurrijke streng

voor het laatst dit jaar
de zomer voelen
onderwijl verwachtend
de herfst toelaten
gemengde gevoelens
individueel ervaren
in schijnbare eenheid

verruimende lucht
van kalme, zilte zee
blaast ons tegemoet
gezeten op een bankje
aan de rand van een terras
nauwlettend observerend
de slenterende processie
waaraan we deelnamen
doch nu pas begrijpen

 

Herfstzondagmiddag

Meander

“Herfstzondagmiddag”: © Meander; Almere; 17 oktober 2018.


Foto: © Meander; Noordzeekust; 11 november 2018.


Meer gedichten van Meander over Zee, Kust en Strand lezen? Klik dan HIER.



Ontdode dichter

Ontdode dichter


geen gedicht meer geschreven                          


voor onvoltooid sterven


dus voor resterend leven                         


weinig tekst te erven                              


dan moet de dood maar even voorbij                              


en dichter weer aan de schrijverij                    

 

 

 

Meander

“Ontdode Dichter”: © Meander; Almere; 31 oktober 2018.      

Meer gedichten van Meander? Klik dan HIER.                 

Gedichten van bekende dichters? Klik dan HIER.

 

Ultieme Liefde

Ultieme Liefde

Ze keek naar buiten vanuit haar riante appartement op de begane grond van de voorste van een drietal flats aan het water, wachtend op het vervolg van het gesprek met de schrijver over “Almere Mijn Thuis” voor Suburbia.
Louise Gregoire was gelukkig in en met haar woning. Uitzicht over het IJmeer, een strandje aan de achterkant, talloze konijntjes in het gras en stilte. Een rustplek in haar huidige bestaan al hield ze er niet van om langer dan een dag alleen te zijn.
Ze was een uur geleden thuis gekomen van de golfbaan, waar ze haar mannetje stond, of… moet je tegenwoordig vrouwtje of mensje zeggen? Omdat het haar te lang duurde tot de schrijver arriveerde, liep ze naar buiten om te kijken waar hij bleef.

De schrijver kwam en keek naar Louise die hem stond op te wachten. Hij had haar een week eerder al gesproken.
Fragiel en sterk, kwetsbaar, maar hard voor zichzelf. Verdriet en blijdschap ineen. Een mooie vrouw met een impressief, getekend gelaat. Tekening, niet van ouderdom, maar door levenservaring en een voortdurend actief leven. De witte, af en toe zacht dansende haren, bekroonden haar karaktervolle gezicht. Louise’s blik zei genoeg. Ze wilde praten, vertellen, delen en meedoen.
De charmante tongval van de tachtigjarige Zuid-Limburgse en haar zorgzame gedrag droegen er toe bij dat de verteller niet anders kon dan vanaf het eerste moment van haar houden. Wat een mooi, lief en bijzonder mens.

Ultieme
Dans

Ze liepen naar binnen.
“Wil je koffie, thee of iets anders?” vroeg Louise.
“Thee, alsjeblieft”, was zijn antwoord.
Louise liep naar de keuken.
De schrijver keek om zich heen. Hij zag stilistische, abstracte beelden en enkele schilderijen die Louise had gemaakt. Geduld en intensiteit spraken uit de verschillende werken.

Louise kwam met twee bekers naar de keukentafel. De bekers waren gevuld met heet water en een theezakje. Toen ze vond dat de thee sterk genoeg was, probeerde ze met haar zogenaamde vuurvaste vingers de theezakjes er uit te wippen. Eentje stribbelde meermaals tegen, dus daar kwam na een aantal vergeefse pogingen een lepeltje aan te pas.

Het gesprek dat ze voerden was niet alleen in tekst, maar ook in vorm en interactie een vervolg op het eerste gesprek. Ze hadden elkaar zoveel te vertellen en de ontmoeting bleek veel meer te zijn dan een interview voor een goed verhaal. Het gesprek golfde op en neer en ze sprongen van de hak op de tak, maar een verhaal was het en een verhaal werd het.

Louise is een meisje uit Geleen, geboren in 1938, vlak voor de oorlog. Via vele omzwervingen kwam ze met haar man in Almere terecht. Omzwervingen die vanaf 1977 te typeren zijn met de quote “Het bier achterna”, maar dan anders dan de lezer wellicht in eerste instantie zou denken.
Louise vertelde dat ze sinds 2001 in dit appartement woonde. In 1994 was ze met Peter, haar man, naar Almere verhuisd, omdat hij een internationale functie kreeg bij Heineken en derhalve vaak vanaf Schiphol naar ergens in Europa moest vliegen om brouwerijen te bezoeken.
Ze gingen in de Stedenwijk van Almere wonen. Helaas overleed Peter op jonge leeftijd in 1998. Ze woonden toen drie-en-een-half jaar in Almere. Na nog eens drie-en-een-half jaar verkocht Louise het huis in de Stedenwijk en verhuisde naar het comfortabele appartement vlakbij jachthaven Marina Muiderzand.

Ultieme
Staatsmijn Maurits

Peter werkte vanaf zijn vijftiende ondergronds in Staatsmijn Mauritste Lutterade. Van meet af aan doorliep hij cursussen om hogerop te komen. Hij voldeed zijn dienstplicht als marinier en keerde daarna terug naar Staatsmijn Maurits
In 1964 leerden Louise en Peter elkaar kennen tijdens een autorally. Exact een jaar later werd er getrouwd. Louise werkte toen in een boekhandel in Geleen. Omdat ze in haar ogen niet snel genoeg zwanger werd, begon ze aan een opleiding voor schoonheidsspecialiste.

In 1967 werd Peter opzichter in de Staatsmijn, maar in dat zelfde jaar werd Staatsmijn Maurits als eerste mijn gesloten, tot grote opluchting van Louise.
Na de sluiting van de mijn kreeg Peter het aanbod van Staatsmijnen om werktuigbouwkunde te gaan studeren aan de HTS. Een kans die hij met beide handen aangreep. In die tijd woonden ze in Geleen. De omscholing duurde twee jaar. Het beviel Peter zo goed dat hij naar de TH in Eindhoven ging om verder te studeren. Louise opende in die tijd haar schoonheidssalon in Geleen. De opleiding tot schoonheidsspecialiste was zo effectief dat ze zwanger werd. In 1970 werd hun zoon geboren.

Het stel verhuisde in 1973 naar Brummen. Toen Peter anderhalf jaar later een baan kreeg in Emmen, verhuisden ze naar het Drentse Borger. De schoonheidssalon werd eerst voortgezet in Brummen en daarna in Borger. In Geleen liep de salon als een tierelier, maar in Brummen en Borger kwam die niet echt van de grond. Toen Louise veel later in Nigeria de enorme verschillen zag tussen de weelde van de salon en de armoede daar, besloot ze definitief te stoppen met haar werk als schoonheidsspecialiste. Niet dat daardoor iets veranderde, maar voor haar gevoel vond ze dat het niet klopte.

In 1977 kreeg Peter een betrekking bij Heineken. Zo begon een tijd waarin het stel dan weer hier en dan weer daar woonde. Na Borger woonden ze eerst in Lagos de hoofdstad van Nigeria en vervolgens in Odoorn, Helvoirt, Burlington (Canada), Singapore en Noordwijk. Zeventien jaar later, vanaf september 1994 woonden ze in Almere.
Hun reislust werd door al deze avonturen gestimuleerd en ze bezochten in hun vakanties zo’n veertig landen over de gehele wereld. Louise is ook na 1998 nog vaak op reis gegaan, zoals naar Antarctica, wat een heilzame vakantie was voor geest en lichaam.

“Peter is veel te vroeg overleden”, zei Louise tegen de schrijver. Het verdriet en het gemis sloegen diepe wonden en lieten voelbare littekens na. Nog steeds, zoals meermaals blijkt uit haar woorden.
Louise zei: “Hij was de perfecte man voor mij.” In die ene zin en in de manier waarop ze het vertelde, proefde je het gemis, maar ook onnodige bescheidenheid, alsof zij minder perfect was geweest voor hem, maar dat kon geenszins het geval zijn geweest als je de foto’s zag in het boek dat ze speciaal voor hun enige zoon over haar man heeft geschreven.
Louise’s zoon woont met zijn vrouw en met Louise’s kleinzoon in New York. Ze ziet hen niet vaak, vindt dat een groot gemis, maar gunt hen hun bijzondere leven van harte.

Vanaf 1998, het jaar waarin Peter overleed, was Louise zeer uithuizig. Ze kon haar draai in haar eentje niet vinden. Toen ze in 2000 in Antarctica was, kwamen de emoties terug die ze tijdens Peters laatste jaar in een denkbeeldige kast had gestopt. Vanaf dat moment begon ze meer en meer haar weg te vinden in Almere. Dankzij nieuwe vrienden in Almere ontdekte ze Eindig Laagland, Aldichter en het vrijwilligerswerk in Almere. Deze activiteiten en de aanloop naar het nog te bouwen appartement hielpen haar om haar leven opnieuw in te richten.

Louise werd steeds actiever in Almere, vooral nadat ze in 2003 in contact was gekomen met woonzorgcentrum Archipelin de Literatuurwijk. Men had haar gevraagd om eens per week de krant voor te lezen, maar na de eerste keer had ze de “luisteraars” gevraagd of ze het wel zinvol vonden, omdat al dat nieuws al op televisie was geweest. Ze stelde voor om samen te zingen en zo ontstond een koor van ouderen die in de Archipel woonden. Na acht jaar wilde ze wat anders en anderen zetten het koor voort. In de Archipel zingen ze nog steeds, bijna iedere vrijdag.

Ultieme
 Strijder (Louise Gregoire)

In  2000 vroeg iemand van Waterlandse tuinen of enkele van haar beelden geëxposeerd mochten worden. Ze had geen idee hoe ze bij haar terecht waren gekomen en dat weet ze nog steeds niet. Toen de expositie werd geopend bleken tot haar verrassing gedichten van de Almeerse kunstenaar Hein Walterbij haar beelden te staan. Zo ontstond een vriendschap voor het leven tussen deze twee, cultuurlievende Almeerders.

Hein Walter vroeg haar voor verschillende projecten als vrijwilliger, zowel in Almere als in andere steden. Het paste Louise uitstekend, omdat ze al vanaf haar vijfendertigste vrijwilligerswerk deed.
In 2009 werd ze op verzoek van Hein Walter secretaris van de stichting Zijderups3, omdat er een stichting met een bestuur nodig was om subsidie en andere middelen te verkrijgen. Middelen, die in combinatie met vele uren vrijwilligerswerk, werden besteed om talloze ouderen te activeren creatief bezig te zijn en kunst te maken. Het accent lag daarbij op het begeleiden en activeren van dementerende ouderen. De functie van secretaris was voor Louise niet genoeg, daarom is ze ook als vrijwilliger actief voor projecten van Zijderups.

Naast haar culturele vrijwilligerswerk vult deze Duracell-grootmoeder en bevlogen kunstenares haar dagen met fietsen, golf, piano spelen, bridge, zwemmen, Tai Chi, lezen en vrijwilligerswerk voor onder andere Vis à Vis. Louise is lid van het Grootkoor Amsterdam dat optreedt in het Concertgebouw te Amsterdam. Vervelen doet ze zich zeker niet.
Vanaf 2000 heeft Louise gaandeweg van Almere haar thuis gemaakt en is ze een echte Almeerse geworden.

Ultieme
Louise Gregoire

De klaterende waterval aan liefde die ze betoont aan haar man Peter tijdens het gesprek, maakten het de schrijver af en toe knap moeilijk. Hij las een tweetal stukken uit het boek over Peter. Het boek dat Louise schreef voor haar zoon. In het laatste hoofdstuk vertelde ze haar zoon waarom ze het voor hem geschreven had.
De schrijver moest meer dan eens slikken en voelde de eerlijke emotie aan de andere kant van de tafel.

                                                                      Louise Gregoire, een Almeerse met een mengeling van uitersten, die het ene moment samen-smelten om vervolgens afzonderlijk en expressief naar voren te komen. Ze is vrolijk, actief en positief, maar heeft soms oprecht intens verdriet. Verdriet dat er mag zijn, want ze mist Peter. De manier waarop Louise dat doet en beleeft, is een onvoorwaardelijke en hartstochtelijke uiting van ultieme liefde.

 

Meander

“Ultieme Liefde”: © Meander; Almere; 13 mei 2018.

Voetnoten:

1  Staatsmijn Maurits: https://nl.wikipedia.org/wiki/Staatsmijn_Maurits 
2  Hein Walter: https://www.facebook.com/hein.walter
3  Stichting Zijderups: http://www.dezijderups.nl
4  Woonzorgcentrum Archipel: https://www.zorggroep-almere.nl/woonzorgcentrum/archipel/

Foto’s:
Fragment Dans; schilderij van Louise Gregoire: foto Meander
Dans; schilderij van Louise Gregoire: foto Meander
Staatsmijn Maurits: Internet; Wikipedia
Strijder; beeld van Louise Gregoire: foto Meander
Louise Gregoire: foto Meander.

“Ultieme Liefde” is het verhaal van Louise en Peter, verteld door Louise Gregoire.

Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Voor Altijd Thuis

Voor Altijd Thuis

Gearmd schuifelden ze, als in slow motion, naar de ronde tafel bij de grote, glazen pui. Hij ondersteunde haar, terwijl zij aan haar linkerzijde steun vond op een fraai gesneden, zwarte wandelstok. Aangekomen bij de tafel liet hij haar voorzichtig los. Ze leunde nog iets steviger op haar wandelstok, terwijl hij een stoel naar achteren trok. Hij hielp haar om te gaan zitten. Toen ze zat, schoof hij de stoel aan, zodat ze dicht bij de tafel zat, maar hij was niet tevreden.
De man liep langs verschillende tafels en keek op alle stoelen. Hij zocht iets. Een behulpzame gast vroeg hem twee keer wat hij zocht, maar de afstand was te groot om zijn kennelijke doofheid te overbruggen. Zijn vrouw hoorde het wel en zei vrij luid: “Die meneer vroeg wat je zocht.”
De man die wilde helpen, liep naar de zoekende man en vroeg nogmaals wat hij zocht.
“Een kussen voor mijn vrouw, want die stoel is te hard”, zei de oude, nurks kijkende man met een knorrige ondertoon.

De gast die wilde helpen, ging op zoek naar een kussen. Toen hij die niet kon vinden, vroeg hij een van de medewerkers van het restaurant of zij een kussen hadden voor op een stoel. Even later bracht een jonge bediende een bruin kussen dat qua kleur bij de stoelen en wonderwel precies bij de kleding van de oude man paste. De oude vrouw was het meisje dankbaar voor het kussen. Van onder haar dunne, sluike, grijze haar straalden een paar stille, starende ogen, gelaten tevredenheid uit. Ze legde haar hand even op de hand van het meisje. De kennelijk onervaren jongedame liep zonder verder iets te vragen weg. De oude man wilde haar terugroepen, maar bedacht zich.

De man was vermoedelijk ver in de tachtig. Hij had wit, doorschijnend haar en een ernstig en doorleefd gezicht. Onrustig en schijnbaar misnoegd keek hij door zijn goudkleurige, grootglazige bril. Hij droeg een donkerbeige broek met daarop een bruinzwart gestreepte trui. Brede en dunne strepen op de trui wisselden elkaar af. De linkerkraag van een lichtbruin overhemd kwam onder zijn trui uit. Hij stond moeizaam op om te kijken waar de bediening bleef, struikelde bijna over een stoel, maar vond net op tijd steun. Hij verbeet de pijn en zei niets, in de valse hoop dat zijn vrouw het niet had gemerkt. Zijn bril is misschien niet zo goed meer als zou moeten, dacht zijn vrouw. Af en toe spraken de man en de vrouw met elkaar, maar het merendeel van de tijd was het stil.

Een andere bediende dan die het kussen had gehaald, kwam naar hun tafel en vroeg of ze iets wilden drinken. De oude man zei bits: “We willen iets eten. Kunt u de kaart brengen?”
Ze antwoordde: “Natuurlijk meneer, die zal ik zo brengen. Wilt u alvast iets drinken?”
“Nee”, zei de man, zonder zijn vrouw iets te vragen. “Ik wil eerst de kaart.”
De verbouwereerde, bediende liep weg om menukaarten te halen.

De vrouw begon over het ziekbed van haar schoonzus. Die had MS en was zienderogen achteruit gegaan. “Ik denk niet dat ze nog lang heeft”, zei de vrouw. Haar man dacht er anders over en probeerde over iets anders te praten, maar zij hield vol en was van mening dat het beter was voor haar schoonzus als het was afgelopen. Haar man zweeg, omdat het de beste manier was om haar te weerhouden er over door te gaan, maar het liep anders dan hij had gehoopt.
“Heb je ons graf al geregeld?”, vroeg ze ineens.
Hij draaide zich van haar af, keek naar buiten en zei: “Al meer dan tien jaar geleden.” Hij zuchtte en zei er zacht achteraan: “Je hebt het al honderd keer gevraagd.”
“Fijn”, zei ze, zonder op zijn zacht uitgesproken verwijt in te gaan.
Hij had dat laatste beter niet kunnen zeggen, dacht hij, want hij kon het haar niet kwalijk nemen. Almere zou voor altijd hun thuis zijn, ook als ze er niet meer waren.

De vrouwelijke bediende bracht de menukaarten en vroeg of ze nu wel iets wilden drinken.
De man zei nogmaals: “Nee, ik wil eerst de kaart bekijken.”
Zijn vrouw zei dat ze wel een kopje thee wilde. “Verse muntthee”, zei ze. “Dat drink ik altijd met mijn kleinzoon.”
De man zuchtte weer, nu opzichtig en keek zonder nog iets te zeggen op de menukaart. De groeven boven zijn wenkbrauwen leken iets dieper te worden.

Toen de bediende was vertrokken, vervolgde de vrouw het gesprek over het ziekbed van haar schoonzus. Even later vroeg ze haar man of hij vond dat je beter plotseling kon overlijden, of dat het beter was om zo lang mogelijk te blijven leven, ook als je veel pijn had. De man zei dat hij nu niet over euthanasie wilde praten, al had ze dat helemaal niet genoemd.
De vrouw had zo nu en dan moeite met spreken. De woorden kwamen er dan hortend en stotend uit, terwijl je op andere momenten niets merkte van de sluipende en slopende ziekte waar ze aan leed. Ze zei: “Ik hoef geen euthanasie. Ik wacht wel tot het zover is.” De man knikte, deed nogmaals zijn best om van onderwerp te veranderen en begon daarom over de kleinkinderen.

De bediende kwam de thee brengen en een mandje met breekbrood, aioli, kruidenboter en tapenade. Ze legde voor beiden een hoesje neer met bestek en een papieren servetje en ze vroeg of ze al iets hadden gevonden.
“Gevonden?”, vroeg de man. “Ik ben niets kwijt.”
“Weet u al wat u wilt eten, bedoel ik”, vroeg de bediende.
“Wat heb je buiten de kaart?”, vroeg de man.
“Sliptong, met garnalen”, zei ze.
De man zei: “Doe ons die tong met garnalen maar en maak er wat moois van met lekkere sausjes.”
“Ik niet hoor”, zei de vrouw. “Ik wil gebakken zalm met asperges.”
“O. Nou, prima”, zei de man, die altijd gewend was geweest leiding te geven, behalve aan zijn vrouw. “Ik wil graag een mooie witte wijn er bij. Wat heb je.”
“Een Riesling, meneer?”, vroeg de jonge vrouw onzeker.
“Heb je niets anders? Een Chardonnay?”
“Die hebben we. Wilt u een glas, of een fles?”
“Voor mij en voor mijn vrouw een glas Chardonnay. Toch?” Hij keek zijn vrouw aan, maar die reageerde niet. De bediende vertrok en het was weer een tijdje stil.

De man pakte het brood, scheurde er hoofdschuddend een stuk af en probeerde het open te snijden met het botermesje dat er bij lag. “Wat een stom brood en dat mesje is ook niks”, zei hij. “Een echt mes is beter.” Hij voegde de daad bij het woord en pakte het mes uit het hoesje. Hij vroeg zijn vrouw wat ze op haar broodje wilde. Ze wilde wel een broodje met tapenade. Hij smeerde tapenade op een bruin stukje breekbrood en gaf het haar, waarna hij voor zichzelf een broodje met kruidenboter maakte.

Ze waren al lang, heel lang bij elkaar. Meer dan zestig jaar. Ze kenden elkaar van de lagere school met de Bijbel. Later hadden ze verkering gehad met verschillende partners en twee keer met elkaar. Toen zij die tweede keer onbedoeld van hem in verwachting raakte, waren ze getrouwd en ontstond in de loop der jaren hun liefde voor elkaar.
Hij had bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders gewerkt als ingenieur voor de ontwikkeling van Almere en voelde zich een echte Almeremaker. Iemand die decennialang verantwoordelijk was geweest voor de ontwikkeling van de stad waar ze woonden. Zij was verpleegster geweest en had in verschillende ziekenhuizen gewerkt.

De man sprak vooral over dingen waaraan hij zich ergerde. Zij luisterde, maar of ze begreep of wilde begrijpen wat hij zei, was maar al te zeer de vraag.
Hij klaagde over hun te grote huis. Zij zei iets over een schilderij dat hij eens van zolder had gehaald. Hij begreep haar niet en praatte verder over de te grote zolder met al die spullen die ze niet meer nodig hadden. Over de kamers in het huis die niet meer werden gebruikt, want kinderen en kleinkinderen kwamen wel langs, maar bleven niet meer overnachten.
“Wat een mooi mes”, zei de vrouw opeens. Er volgde een minuten durend gesprek over het mes en over goede en slechte messen. Een gesprek dat verzandde in een lange stilte. De stiltes die regelmatig vielen waren adembenemend. Soms keek hij langdurig naar buiten en keek zij voor zich uit in een niet te bevatten verte. Hij probeerde op zijn manier te doen alsof alles met haar nog zo was als vroeger, omdat hij dat graag wilde.

De ergernis van de man nam toe. Hij vond dat het te lang duurde voor het eten kwam en zei dat tegen zijn vrouw. Zijn vrouw zei: “Het zijn hoofdgerechten. Dat duurt langer.” Hij ging er niet op in, stond twijfelend op en ging even later weer zitten.
Zijn vrouw begon nogmaals over het mes en over de kleur van het bord. Een wit bord. Vervolgens zei ze: “Je hoort niets van die mensen.”
“Altijd hetzelfde”, zei hij. Het was niet duidelijk wie die mensen waren. Zijn irritatie nam zichtbaar toe. Zijn gezicht werd steeds roder. “Niemand komt zijn afspraken nog na en de bediening hier is trouwens ook waardeloos.”
“Ik vind het raar dat we niet teruggebeld zijn door de oogkliniek”, zei ze.
Hij snoof en het was weer even stil, maar niet voor lang.
“Ze zullen het wel vergeten zijn”, zei hij mompelend.
“Wat zeg je?”, vroeg ze. “Is de oogkliniek het vergeten?”
Hij antwoordde niet, maar stond op en liep vol ongeduld weg om te gaan vragen waar het eten bleef.
De vrouw keek om haar heen, haar handen over elkaar gelegd op de tafel. Er kwam een schip de haven ingevaren. Ze zwaaide naar de opvarenden, maar die zagen haar niet, omdat het getinte glas naar binnen kijken voorkwam.

Na enkele minuten kwam de man terug. Omdat hij niet direct geholpen werd, was hij naar het toilet gegaan.
“Nu ga ik er voor zitten”, zei hij stug en verbolgen.
“De bomen zijn nog kaal”, zei zijn vrouw.
De man zei: “Als het nog lang duurt, gaan we weg.”
“Vind jij die bomen niet kaal?”, vroeg ze. “Het is al mei.”
“Het is februari”, zei hij. “Ik ben dit niet gewend, moet ik zeggen. Drie kwartier wachten voordat ik iets te eten krijg, dat vind ik te lang.”
Ze zei niets terug. Drie kwartier dacht ze. Zijn we hier al zo lang?

Een bediende kwam het eten brengen. Hij zette de borden op tafel en vertelde in een rap en onnavolgbaar tempo wat er op de borden lag. De oude man stak zijn hand op en somde traag en belerend op wat ze besteld hadden. Hij vroeg de jongeman of het klopte. Die bevestigde de opsomming van de man, draaide zich om en liep glimlachend weg. Even later bracht hij de wijn.

Ze begonnen aan hun lunch. Het geluid van bestek dat op borden tikte, verdrong het gesprek van het echtpaar niet.
“Ik zie geen garnalen”, zei de man. “Wat een hoop groen zeg. Dat heb ik toch niet besteld. Ik vind het helemaal niks.”
Zij vond het lekker. “Heerlijk die zalm”, zei ze.
De man keek stuurs om zich heen. Met lichte agressie sneed hij het groen op zijn bord, opdat hij het met zijn kunstgebit kon verwerken. Meer dan de helft van de door rucola overheerste salade en groente schoof hij opzij. Hij at, maar genoot er niet van en liet dat blijken. Hij zei met volle mond: “Die vis is hartstikke koud.”
“Wat zeg je?”, vroeg zijn vrouw.
“Dat die vis steenkoud is”, was zijn wrevelige antwoord, waarvan hij onmiddellijk spijt had, want wat kon zij er aan doen?
Ze vroeg: “Wil je een stuk van mij? De zalm is warm.”
Hij schudde zijn hoofd en mopperde verder. “Wat zijn die kleine stukkies toch? Tomaat? Zo doe je dat toch niet?” Daarna was het een tijdje stil en aten ze in schijnbare rust. Zij genoot en hij? Hij at met lange tanden, of deed voorkomen alsof dat zo was. Het was soms net een bewegend stilleven met scherpe, bij elkaar passende contrasten.

De man dacht aan de keren de afgelopen maanden dat hij druk op zijn borst en pijn in zijn linkerarm had gevoeld, maar zoals altijd zweeg hij er over. Hij at gehaast tot alles op was, behalve meer dan de helft van de groente en de sla, want die wilde hij niet. Zij was nog niet uitgegeten en gelet op het tempo waarmee ze at, zou het nog wel even duren voor het zover was. Zijn misnoegen nam derhalve de ruimte die zo ontstond en hij vatte dat ongenoegen op streng oordelende toon samen: “De vis was veel te koud en ik had teveel groen. Twee zielige garnaaltjes heb ik kunnen vinden, meer niet. Echt, het is beneden alle peil. Waar-de-loos.”
Zijn repetitieve gejeremieer leek zijn vrouw niet meer te bereiken. Ze at haar bord leeg, zat enige tijd met gesloten ogen na te genieten en was helemaal in haar eigen hier en nu.

“Wil jij nog wat hebben?”, vroeg ze haar echtgenoot vijf minuten later.
“Neuh.”
“Ik wil die coquilles nog wel”, zei ze.
“Veel te duur”, bromde hij, ondanks het feit dat ze niet op een dubbeltje hoefden te kijken.
“Doe dan mee”, zei ze.
“Nee die coquilles kosten zeventien euro. Zonde van het geld voor zo’n klein beetje eten.”
Als ze de coquilles echt wilde, kreeg ze die wel, maar ze hield er over op, pakte haar glas en nam langzaam twee slokjes van de wijn.

De vrouw die hen de menukaart had gebracht, kwam kijken en zag dat ze klaar waren met eten.
“Heeft het gesmaakt?”, vroeg ze.
“Nee!”, zei de man.
“Ik vond het heel lekker”, zei zijn vrouw.
De man zei: “Dat veel te kleine stukje vis was koud. Dat kwam natuurlijk, omdat het veel te lang duurde voor het eten werd gebracht.” De twee zielige garnaaltjes en het overdadige groen passeerden wederom de revue.
“Vervelend”, zei de bediende. “Ik zal de chef even roepen.” Ze pakte de borden met het bestek en het broodmandje. Terwijl ze wegliep zei ze iets te luid: “Elke zondag wat. Al dat gezeur.” Het was een onprofessionele reactie en het was maar goed dat de oude man het niet hoorde.

De vrouw veegde de tafel met haar hand schoon. Ze keek naar haar man, maar nam ogenschijnlijk niet waar wat onmiskenbaar zichtbaar was. Hij was woedend, maar waarop en waarom? Kon hij zijn echte boosheid niet kwijt en was de onmacht hem de baas geworden? Het restaurant leek daarvan het slachtoffer te worden.
“Lekkere wijn, hè”, zei zijn vrouw.
“Mag ook wel voor zes euro”, zei hij.

De eigenaar kwam naar hun tafel en bood zijn excuses aan. “Ze hadden de sliptong later moeten klaarmaken, of warm moeten houden”, zei hij. De oude man draaide het refrein van de koude vis, de twee zielige garnaaltjes en de berg groen weer af. Hij voegde de in zijn ogen keiharde boter er aan toe en het feit dat ze in een bijna leeg restaurant drie kwartier hadden moeten wachten op hun eten. De eigenaar probeerde het nog een keer uit te leggen, maar kreeg weinig kans, want de oude man legde hem uit hoe ze hun werk zouden moeten doen.
Om er vanaf te zijn en omdat de oude man niet geheel ongelijk had, stelde de eigenaar voor om het eten van de man van de rekening te halen en hen een kopje koffie van de zaak aan te bieden.
“Niks er van. We betalen gewoon. Ik heb het immers opgegeten”, zei de man opeens vriendelijk. Hij stond op en gaf de eigenaar een hand. Blijkbaar was het de moeite waard om te betalen nu hij zijn gram had gehaald. De oude man zei tot verbazing van de eigenaar: “Rond de rekening maar af op vijfenzestig euro. De wijn was uitstekend.”
De eigenaar liep beduusd weg om de rekening te halen.

De man keek naar zijn vrouw vroeg: “Waarom kijk je zo naar me?”
Ze glimlachte, maar zei niets.
Hij vroeg: “Ben je boos op me?”
“Nee hoor”, zei ze.

De eigenaar kwam terug met de rekening en een pinapparaat, maar de oude man pakte zijn portefeuille. Hij betaalde contant en gepast de toegezegde vijfenzestig euro. Daarna stond hij op, hielp zijn vrouw om op te staan en pakte haar jas. Hij wilde haar in haar jas helpen, maar dat lukte niet. Ze zei een paar keer: “Nee, mijn arm zit er niet in.” De eigenaar van het restaurant schoot te hulp en even later had ze haar jas aan. Ze deden hun jas dicht. Hij met zijn shawl om zijn nek, gekruist over zijn borst onder de jas, zoals hem dat geleerd was. Zij draaide haar shawl drie keer nonchalant om haar nek over haar jas en pakte haar stok. Er verscheen zowaar een soort van glimlach op het gezicht van de man, toen hij naar zijn vrouw keek.

Het verdriet over het groeiende verlies van het contact met zijn vrouw, uitte zich op vele manieren deze middag. Hij wist dat het tij niet te keren was. Zij berustte in haar lot en leefde het leven zoals het kwam. Op heldere momenten was haar enige zorg dat hij straks achterbleef zonder haar. Hoe moest hij dan verder? Zijn angst was wellicht groter dan die van haar, want hij was er zich voortdurend ten volle bewust van. Als hij zou overlijden, hoe moest het dan met haar?

Hij ondersteunde haar toen ze naar buiten liepen, precies zoals ze gekomen waren.

 

Meander

“Voor altijd thuis”: © Meander; Almere; 25 februari 2018.

Foto’s / tekeningen:
Silhouet ouder echtpaar op bankje: Internet.

“Voor altijd thuis” is het verhaal over een ouder echtpaar, waargenomen en vastgelegd door Meander in een restaurant in Almere Haven. Ingekleurd met inschattingen van de observator. Auteur kent het echtpaar van begintijd Almere, maar in het verhaal blijven ze anoniem (privacy).
Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.

 

Ik ben en blijf een Sardijn

Ik ben en blijf een Sardijn

Tijdens mijn wandeling door het centrum van Almere Stad deze dinsdagmiddag, schijnt de zon met volle kracht. Ze heeft wat in te halen na ruim twee dagen overvloedige regenval. Twijfelend of ik ergens zal gaan zitten, kijk ik al slenterend om mij heen. Als ik langs de boekhandel loop, zie ik dat het gezellig druk is in Boek & Boon, het barista-achtige cafeetje dat sinds een jaar in de boekhandel gevestigd is. De zon schijnt uitbundig naar binnen, maar er zijn enkele plekken aan de grote tafel waar ik in de schaduw kan gaan zitten, hetgeen mijn voorkeur heeft. Ik loop naar binnen, wil plaats nemen, maar zie een oude bekende aan de andere kant van de tafel. Hij leest een populair Nederlands krantje. Ik geef hem een hand en schiet bijna automatisch in de Suburbiaverhalenmodus. Tijdens het handen schudden worden door ons geen namen genoemd. Hoe hij heet, weet ik niet meer, maar daar kom ik wel achter. Eerst maar eens vragen of hij mij wil vertellen over zijn geschiedenis met Almere en eens aan hem vragen of Almere zijn thuis is. We gaan tegenover elkaar zitten.

GavinoIk ken hem van de ijskar, de kiosk en het paviljoen Di Lago aan het strand van Almere Haven. Het is een aimabele, niet zo grote man, met keurig gekamd, witgrijs haar, een gemêleerd licht- en donkergrijze snor en donkergrijze, borstelige wenkbrauwen. Hij kijkt je bedaard aan, door of over zijn bril. Gavino Seddaiu heeft een lichte, Mediterrane teint, hetgeen vanzelfsprekend is voor iemand die op Sardinië is geboren.

Ondanks de warmte door de zon, die volop door de grote ramen op Gavino schijnt, is zijn blauwe blouse volledig dichtgeknoopt en draagt hij een warm grijs vest. Hij spreekt uitermate charmant Nederlands, vooral dankzij het fraaie accent dat hem verbindt met zijn roots.

Op zijn negentiende is Gavino vertrokken uit Alà dei Sardi1, een dorpje met bijna tweeduizend inwoners op zevenhonderd meter hoogte in het Noorden van Sardinië. Hij vertrok omdat hij werk zocht. Er was op Sardinië in die tijd weinig werk.
In die tijd had je, als minderjarige, nog een handtekening van je vader nodig om te mogen vertrekken naar het buitenland. Zijn vader had aarzelingen, maar werkte mee. Tot zijn eenentwintigste is hij ieder kwartaal naar de vreemdelingendienst gegaan om aan te tonen dat hij in Nederland was. Toen hij eenentwintig jaar was kreeg Gavino een onbeperkte verblijfsvergunning. Hij is nog altijd Italiaan en is nooit genaturaliseerd. Door de open grenzen binnen de Europese Unie is het nu niet meer nodig om van nationaliteit te veranderen.

Gavino
Alà dei Sardi (N 40.39.05 E 09.19.41)

In 1964 is hij met drie vrienden van Alà dei Sardi per schip en per trein naar Milaan vertrokken, omdat het werk in het buitenland vanuit Milaan geregeld werd. Hij vertelt dat ze in Milaan twee dagen moesten wachten, maar er werd onderdak voor hen geregeld en ze kregen zakgeld. Ze werden in Milaan gekeurd om in aanmerking te kunnen komen voor een contract in Nederland. Je moest jong zijn, ongetrouwd en gezond.
Vanuit Milaan reisden ze naar Nederland, omdat in Nederland een tekort aan arbeidskrachten bestond in die jaren. In Utrecht hoorden ze waar ze konden gaan werken. Gavino en zijn vrienden kwamen terecht in Enschede. Hij werkte een jaar in de textiel.
Gavino: “Na een jaar wilde ik wat anders, maar ik wist niet precies wat en teruggaan kon niet. Ik kon met vakantie naar huis, maar dan had ik iedere keer een speciaal stempel nodig als vakantieganger. Als ik dat stempel niet had, zou ik bij terugkomst op Sardinië worden opgepakt, om na enkele weken in de gevangenis te worden doorgestuurd voor de militaire dienstplicht. Vrienden van mij is dat overkomen, omdat ze dachten dat ze er mee weg konden komen.” We bestellen een cappuccino en een thee en wachten even tot het gebracht is.

“Na Enschede ben ik gaan varen”, zegt Gavino, “maar drie maanden later was ik nog steeds zeeziek en ben ik weer aan wal gestapt. Ik kwam in Amsterdam terecht en ging op straat op zoek naar werk. Af en toe had ik een baantje, maar steeds voor korte tijd. Eind 1966 had ik een gesprek voor een baan in het Amstel Hotel en tot mijn grote verbazing werd ik aangenomen. Ik moest onderaan beginnen, al had ik enige ervaring in de keuken, maar ik wist toen ik begon in het Amstel Hotel niet eens wat sperzieboontjes waren”, zegt Gavino lachend.
“Na zestien maanden was het weer tijd voor iets anders. Dankzij een prachtig getuigschrift met als titel Demi-Chef, kon ik daarna overal aan de slag.”

In 1968 kwam Gavino in dancing Femina op het Rembrandtplein zijn vrouw tegen. Ze was er met twee vriendinnen. De dames hadden een briefje van vijfentwintig gulden, maar dat was te groot om te kunnen betalen. De barman nam het niet aan. Gavino stelde voor dat hij het voor ze zou gaan wisselen. De dames vertrouwden Gavino, die ze nog nooit eerder hadden ontmoet, blindelings. Toen hij zich even later meldde met het gewisselde geld, was hij in hun ogen een betrouwbare gentleman. En met Hellij, een van de drie, is hij later getrouwd.

“Ik ging bij het Esso Motor hotel werken”, vertelt Gavino. “Tegenwoordig is dat het Holiday Inn vlakbij de Rai. Daar heb ik twee jaar gewerkt om vervolgens over te stappen naar het Okura hotel. De onderdirecteur van het Amstel Hotel was directeur van Okura geworden. Hij zei dat hij mij in de bediening wilde hebben. Na een jaartje Okura wilde ik toch iets anders en heb ik tien jaar in de bar gestaan van Arti et Amicitiea3. Dat was een bijzondere en boeiende tijd. Er kwamen veel bekende Nederlanders. Vooral schrijvers, zoals Harry Mulisch met zijn stinkpijp, maar ook journalisten, belangrijke zakenmensen en politici. Een bekend televisieprogramma uit die tijd, “Welingelichte Kringen”, werd er wekelijks opgenomen.”
Gavino lacht even en zegt: “Iedereen had een eigen rekening op zijn achternaam, maar ik kon die namen niet zo goed onthouden en moest steeds weer vragen hoe ze heetten. Sommigen vonden dat vervelend, maar de meeste mensen lachten er om en gaven hun naam nog eens op. Ze begrepen dat de namen voor mij niet altijd duidelijk waren.”

Ik vraag Gavino om te vertellen over de verhuizing in 1982 naar Almere.
Gavino zegt: “We woonden in Amsterdam Noord en mijn vrouw wilde graag naar Almere. We hadden een bescheiden portiekwoninkje aan de Wieringerwaardstraat in Amsterdam. In Almere was ruimte en waren er huizen met tuinen. De woningen waren er groter en goedkoper dan in Amsterdam. We wilden al veel eerder naar Almere, maar onze zoon zat nog op de basisschool.” Er wordt gevraagd of we nog iets willen drinken, maar we willen beiden even niets. omdat we te diep in het verhaal zitten.

“Toen we op zoek gingen naar een huis in Almere”, vervolgt Gavino, “bleek dat de wachtlijst erg lang was en het kon wel drie jaar duren voor we een woning kregen. In die tijd was Han Lammers landdrost van de Zuidelijke IJsselmeerpolders en daarmee min of meer de baas van Almere. Lammers was een regelmatige bezoeker van Arti et Amicitiea. Ik sprak Lammers aan bij de bar en vroeg hem waarom ik zolang op een woning moest wachten. Hij erkende het probleem, maar zei dat hij er niets aan kon doen. Een half uur later tikte hij op mijn schouder en vroeg mij een velletje papier en een pen. Hij schreef iets op en vouwde het briefje dicht. Daarna deed hij het in een enveloppe die hij dichtplakte. Ik mocht het niet lezen. Lammers zei dat ik met die brief naar gebouw Meeresteinmoest gaan in Almere Stad. De volgende dag gingen mijn vrouw en ik naar Meerestein en een week later hadden we een huis in de Bosgouw in Almere Haven.”

Gavino
Meerestein in Almere Stad. Het gebouw uit 1977 is al in 1998 gesloopt om plaats te maken voor het nieuwe winkelcentrum van Almere Stad.

Ik loop naar het barretje van Boek & Boon en bestel twee thee, want nu zijn we er wel aan toe. Als ik weer zit, gaat Gavino verder: “Eind 1982 nam ik ontslag bij Arti et Amicitiea. Na het overlijden van de voorzitter werd het bestuurlijk chaotisch en er was veel onduidelijkheid. Daar kon ik niet tegen. Ik besloot als zelfstandig ondernemer verder te gaan. Een beetje ondernemer was ik al, want ik had sinds eind jaren zestig een vergunning om ijs te verkopen op vaste standplaatsen in het centrum van Amsterdam. Ik stond in het Vondelpark, op het Leidseplein en andere drukke stekkies in de stad. Meer dan vijf weken per jaar ijs verkopen zat er niet in, maar je kon er in korte tijd goed mee verdienen. Ik heb het negentien jaar gedaan. Pas toen het werk in Almere uitbreidde ben ik met het ijsverkopen in Amsterdam gestopt.”

“Wanneer ben je begonnen bij het strand van Almere Haven?”, vraag ik Gavino.
Gavino: “In 1983 kreeg ik voor de zomermaanden een vergunning voor een ijskarretje bij het strand van Almere Haven. Niet veel later werd ik gebeld door een ambtenaar van de Rijksdienst voor de Zuidelijke IJsselmeerpolders (ZIJP). Ze zochten een ondernemer om een kiosk uit te baten aan het strand van Almere Haven. We hadden een paar gesprekken in een groot wit gebouw in Lelystad. Er waren wel dertig gegadigden, maar ze wilden mij hebben.

Gavino
Kiosk Di Lago met Gavino Seddaiu (rechts)

“In 1984 begon ik met de kiosk aan het strandje net buiten de dijk van Almere Haven. Ik verkocht frites, broodjes, drankjes zonder alcohol, koffie, thee en ijs. Het was nog geen vetpot, want in de koude maanden had ik geen werk. Gelukkig had mijn vrouw een baan.”
We worden afgeleid door de manager van de baristabar die geïnteresseerd meeluistert. We raken in gesprek over het schrijven van verhalen en boeken. Ik ga na enkele minuten snel verder met Gavino, want de boekhandel gaat bijna dicht.

“Soms leek er niets te kunnen, vanwege de regeltjes”, zegt Gavino, “maar als het er op aan kwam, kon er vrij veel. Tijdens de strenge winter van 1985 en 1986 kon er twee weken worden geschaatst op het water aan het strand van Almere Haven. Almere wilde zichzelf promoten en er werd veel aandacht aan besteed, maar ik moest de vele bezoekers die dat trok vaak teleurstellen, omdat ik geen alcohol mocht verkopen. De mensen wilden een drankje dat paste bij het schaatsen en hen de snijdende kou deed vergeten. Natuurlijk was er erwtensoep en warme chocomel, maar geen Berenburg, glühwein of Jägermeister. De gemeente Almere (sinds 1986 gemeente) wilde de vergunning niet aanpassen, ook niet voor een paar weken.”

Gavino drinkt zijn kopje leeg en zegt: “Er was al twee dagen geschaatst toen er een agent langs kwam. Hij vroeg hoe het ging. Ik zei dat het prima ging , maar dat veel mensen om Berenburg en Jägermeister vroegen en dat ik nee moest verkopen. De agent deed zijn hand voor zijn ogen met de vingers wijd open en zei: ‘Ach, gewoon doen. Het wordt toch niet gehandhaafd, in ieder geval niet door mij, want zeg nou zelf wat is een koek en zopie zonder Berenburg?’
Het is grappig om te horen dat nu, 33 jaar later, Gavino nog steeds met zijn Sardijnse-Italiaanse tongval “Koekje en Zoopie” zegt. Hij heeft het nog even kort over de Friese schaatscultuur, waarop ik hem een boek beloof over acht eeuwen schaatsen in en rond Amsterdam. Ik heb er nog een paar liggen.
“Wat de gemeente wel goed deed”, zegt Gavino, “is het aanleggen van verlichting voor de ijsbaan. Dat werd snel geregeld.”

We praten over de kiosk met het kleine overdekt terras, waar een walmende en stinkende petroleumkachel het vaste publiek van ongeveer vijftien mannen en vrouwen een achttal jaren verwarmde. Er werd in die tijd nogal gezond en stevig gedronken, volgens Gavino.
In 1992 kwam er grond bij in erfpacht en mocht de kiosk worden uitgebreid naar het huidige paviljoen. Het paviljoen kreeg de naam Di Lago, wat ongeveer ‘van het meer’ betekent, omdat Gavino het woord “Di” beter vond klinken.
Gavino heeft spijt dat hij niet direct een groter paviljoen heeft gerealiseerd, want dat mocht. Hij had toen onvoldoende geld en leningen waren duur. Later had het ook nog gekund, maar het is er nooit van gekomen.

Di Lago bood Gavino de gelegenheid om langer open te zijn en met een volledige vergunning nam de omzet flink toe. Het draaide vanaf het begin goed. Door evenementen van de gemeente, het stoomfestival en de triatlon waren er dagen bij dat een halve maandomzet werd gedraaid. Het paviljoen werd steeds vaker gebruikt voor feesten en partijen, met de gemeente Almere en Almeerse bedrijven als belangrijke klanten.

Soms ging het mis, zoals in die ene zomer, toen op een dag niet ver van Di Lago een grote zeecontainer werd geplaatst. Bij navraag bleek dat de container bedoeld was voor de berging en verhuur van kano’s. Daar hadden ze een vergunning voor. Ze verkochten in strijd met de vergunning eten en drinken en daar had Di Lago last van. Gavino heeft een advocaat moeten inschakelen om zijn gelijk te halen. Niet lang na de rechtszaak was de container weer net zo plotseling verdwenen als ze gekomen was.

In april 2013 heeft Gavino Di Lago verkocht en is hij eindelijk met pensioen gegaan na bijna vijftig jaar hard werken. Een maand later is zijn vrouw helaas overleden.

“Ben je thuis in Almere, of wil je terug naar Sardinië”, vraag ik Gavino.
Hij denkt even na en zegt dan: “Ik woon al bijna vierenvijftig jaar in Nederland, waarvan zestien jaar in Amsterdam en zesendertig jaar in Almere. Als je meer dan vijftig jaar in een ander land woont, wordt je deel van dat land. Mijn zoon woont hier, ik heb hier mijn vrienden en de mensen kennen mij. Helaas zijn veel vrienden en bekenden de afgelopen jaren overleden, maar er zijn er nog genoeg over. In Alà dei Sardi ken ik alleen mijn broer. De andere familieleden zijn er niet meer. Ik ben al zo lang weg van Sardinië, dat bijna niemand mij daar nog kent, ook al ga ik er nog steeds ieder jaar naar toe.”

“Waar is je thuis?”, vraag ik hem nog eens.
Gavino’s antwoord is toch tweeledig: “Mijn thuis is Almere, maar…, ik ben en blijf een Sardijn.”

 

Meander

“Ik ben en blijf een Sardijn”: © Meander; Almere; 1 mei 2018.
Voetnoten:
1               Alà dei Sardi:  https://nl.wikipedia.org/wiki/Alà_dei_Sardi
2              Meerestein Almere:http://canonvanalmere.nl/meerestein
3              Arti et Amicitiae: http://www.arti.nl
4              Boek & Boon: Boek & Boon 

Foto’s
Di Lago: © Gavino Seddaiu
Gavino Seddaiu: © Meander; Almere; 1 mei 2018
Alà dei Sardi: Internet
Meerestein: Internet
Kiosk Di Lago met Gavino Seddaiu: © Gavino Seddaiu
“Ik ben en blijf een Sardijn” is het verhaal van Gavino Seddaiu over zijn Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
 
Ik wil hier weg!

Ik wil hier weg!

Addie woonde met haar ouders in Almere Hout1, dat wil zeggen in het begin, zoals nog zal blijken. Na de verhuizing van Mechelen naar Almere was ze maar twee keer terug geweest naar het dorp in het Zuid-Limburgse heuvelland waar ze was opgegroeid. Het contact met haar vriendinnen was verwaterd. Appen en snapchatten, maar dat begon na een tijdje te vervelen en zo raakte ook daar de klad in. Ik wil hier weg en ik ga hier weg, had ze dagelijks gedacht.

weg
Mechelen, Zuid-Limburg

Haar vader had promotie gekregen en ging werken op het hoofdkantoor van een grote bank in Amsterdam. ‘Het verdient bijzonder goed’, had ze haar vader tegen haar moeder horen zeggen. Die was in de zevende hemel, niet vanwege het geld, maar omdat ze uit Amstelveen kwam en weer in de buurt van haar vriendinnen ging wonen. Wat hun dochter er van vond? Ach, die was nog jong en zou binnen de kortste keren nieuwe vrienden en vriendinnen hebben, was hun gedachtegang.

Na de basisschool was Addie naar een middelbare school in Maastricht gegaan waar ze veel vrienden had. Ze haalde hoge cijfers en was leergierig. Twee keer per week had ze na school een uur pianoles in Maastricht. In het weekend ging ze uit in Mechelen of in Maastricht, meestal met haar vriendje Sjeng, waar ze het stiekem al een paar keer mee had gedaan. Sjeng zat in een parallelklas en was in haar ogen een lieverd. Haar ouders dachten daar heel anders over.

Addie had een paar keer geprotesteerd tegen de verhuizing. Ze had voorgesteld dat ze bij haar oom en tante in Margraten kon gaan wonen, of op kamers bij een vriendin uit haar klas, want die woonden in een gigantisch huis op vier kilometer van de school en dichtbij het centrum. Wat ze ook probeerde, haar ouders gingen er niet op in.
Ze was vijftien toen ze in maart verhuisden naar Almere Hout, ver van de andere stadsdelen en van het centrum. Uitgaan was bijna onmogelijk, vooral omdat haar ouders van mening waren dat het in deze omgeving veel onveiliger was dan in Zuid-Limburg.

Tegen haar zin belandde Addie op een middelbare school in Almere Stad waar ze zich niet thuis voelde. De goede resultaten die ze in Maastricht haalde, verdwenen als sneeuw voor de zon en ze bleef zitten in vier vwo. De schoolleiding raadde haar ouders aan om haar verder te laten gaan in vier havo. Haar ouders beenden, na een gesprek van amper een kwartier, boos de kamer van de directeur uit. Het gevolg was dat de ellende voor Addie nog groter werd. Haar ouders kozen zonder overleg een school in het Gooi. Addie was woedend, maar halverwege de vakantie besloot ze keihard te gaan studeren om zo snel mogelijk haar diploma te halen. Daarna wilde ze in Maastricht gaan studeren. Het maakte haar niet uit welke studie. Ze moest en zou terug naar Zuid-Limburg. Weg uit Almere.

Addie vond het een rare school. De docenten praatten bekakt en de meeste leerlingen deden niet voor hen onder. Het ergste van alles was, dat de docenten haar consequent bij haar officiële voornaam aanspraken, Adeline. Behalve haar ouders, noemde iedereen die haar kende haar Addie. Gelukkig deden haar klasgenoten dat ook. Ze vonden haar Limburgse accent grappig. Haar prachtige roodoranje haar en groene ogen maakten haar al snel populair bij de jongens. Die kregen echter geen kans. Addie had nog steeds contact met Sjeng. Ze hadden afgesproken om elkaar in de herfstvakantie te ontmoeten. Addie’s ouders hadden er mee ingestemd dat ze een week bij haar familie in Margraten mocht logeren, tenminste, dat dacht Addie.

Het enige, echte plezier dat overbleef, waren de pianolessen en danslessen. Twee tot drie keer per week deed ze ballet, spitzen en moderne dans. Thuis oefende ze voor de spiegels die haar vader in een lege kamer had laten aanbrengen en in een serre stond een kostbare vleugel waar ze graag op speelde.
De meiden en de twee jongens van haar groep op de dansschool waren aardig en ze vormden een hechte groep, maar alleen tijdens en rond het dansen. Op die momenten vergat Addie dat ze in Almere woonde.

Een week voor de herfstvakantie werd ze zeventien. Tot haar afgrijzen kreeg ze een in haar ogen desastreus cadeau.
“We gaan in de herfstvakantie een weekje naar Zuid-Afrika”, had haar vader gezegd.. “Speciaal voor jouw zeventiende verjaardag.”
“Ik ga naar Margraten”, was Addie’s stellige reactie. “Dat was de afspraak.”
“Doe niet zo ondankbaar”, reageerde haar moeder. “We hebben Margraten afgezegd, maar dat mocht jij niet weten. Dit is toch een geweldige verrassing.”
“Nee’, zei Addie. “Het is geen geweldige verrassing. Het is een tyfus teleurstelling. Kutouders. Wanneer luisteren jullie eens naar mij. Ik wil naar Limburg. Daar kom ik vandaan en daar wil ik zijn. Daar zijn mijn vrienden. Ik wil hier weg.” De laatste vier woorden had ze met stemverheffing en staccato uitgesproken.
“Op deze manier praten wij niet met elkaar”, zei haar vader. “Ga maar huiswerk maken op je kamer en als je er aan toe bent, kom je terug om je excuses te maken.”
Addie rende woedend weg, draaide zich bij de deur om, stak haar middelvinger op, liep door en trok de deur met zo’n harde klap achter haar dicht, dat de schilderijen die er naast hingen heen en weer schommelden.
Addie’s moeder zakte in een stoel en begon te huilen. “We willen en we doen het beste voor haar”, snikte ze. “Waarom begrijpt ze dat niet?”
Haar man zei: “Pubergedrag. Gaat wel weer over.”

Een uur later was het etenstijd, maar Addie kwam niet.
“Waar blijft Adeline?”, vroeg haar vader aan haar moeder.
Die zei: “Ik ga haar wel halen.” Ze liep naar de kamer van haar dochter en opende de deur. Geen Adeline. Douche, toilet, andere kamers, maar waar ze ook keek, haar dochter was nergens te bekennen. In paniek rende ze naar haar man. “Ze is weggelopen”, riep ze.
Haar echtgenoot zuchtte eens diep en liep naar zijn vrouw. “Geen paniek. Ze is ergens buiten. Ik vind haar wel.” Hij liep naar buiten, keek in de garage en zag dat Adeline’s fiets weg was. Na nog een diepe zucht wilde hij zijn fiets pakken, zag dat de voorband leeg was en greep met toenemende irritatie de fiets van zijn vrouw.

Addie’s vader fietste meer dan een uur door de omgeving. Hij reed langs de Hoge Vaart, de golfbaan, de Kemphaan en de Stadsboerderij. Hij zocht overal, maar nergens was zijn dochter te bekennen. Ondertussen kreeg hij zere benen, omdat het zadel te laag stond. Hij was zijn telefoon vergeten en het begon te schemeren, daarom besloot hij huiswaarts te keren. Toen hij de oprit opreed, kwam zijn vrouw hem al tegemoet. Ze zei: “Adeline heeft gebeld. Ze zegt dat ze alleen terugkomt, als ze naar Margraten mag en niet naar Zuid-Afrika hoeft. Het zal wel om die jongen gaan. Die zoon van Smeets. Je weet wel die jongen die in dat bandje speelt en al twee keer is blijven zitten.”
“Waar is ze?”, vroeg haar echtgenoot, zonder te reageren op wat ze had gezegd.
“Dat wil ze niet zeggen.”

weg
De Groene Kathedraal

Ze zat op de grond tussen de bomen van de Groene Kathedraal3, een kunstwerk van populieren vlakbij de Hoge Vaart. Met de populieren was de vorm van de kathedraal van Reims nagebootst. Addie had haar vader aan zien komen rijden, maar hij had haar niet gezien, omdat ze plat op de grond was gaan liggen. Mooi niet, had ze gedacht. Nadat hij voorbij was gereden en buiten zicht was, had ze haar moeder gebeld.

Addie’s vader zette de fiets tegen de garagedeur, liep naar binnen, pakte zijn telefoon en belde Addie. Ze nam op, maar kreeg geen kans om iets te zeggen. Haar vader zei: “Je kunt terug komen en je gedragen, of je blijft maar weg.” Hij hing direct op en kreeg de volle lading van zijn vrouw over zich heen.
“Hoe kun je dat nu doen? Wie weet waar ze is? Er loopt allerlei vreemd volk rond. Bel haar nog een keer.”
“Wacht nou maar”, zei hij rustig. “Ze heeft geen keus.” En zo was het. Op dat moment had ze geen keus. Een uur later was ze teruggekomen, maar de houding van haar ouders bleef niet zonder gevolgen.

Na de herfstvakantie, die ze gelaten had ondergaan zonder ook maar een stap meer te zetten dan nodig was, had ze aangepapt met een paar jongens op school. Binnen de kortste keren had ze meerdere vriendjes, begon ze wiet te roken en doken de cijfers weer naar beneden. Na een paar maanden kwam ze tot de conclusie dat ze haar doel op deze manier niet bereikte, maar het leed was al geschied. Haar ouders werden op school ontboden en kregen een litanie aan klachten te horen over haar gedrag, over drugsgebruik en over ruzie met een docent. Hun dochter was niet meer welkom op de school. Addie’s moeder was razend op de school en op Addie, maar haar vader dacht slechts na over de oplossing van het probleem. Het gevolg was dat Addie in februari naar een internationale privéschool in Vlaanderen werd gestuurd. Een school met een internaat.

Addie was ten einde raad, maar haar ouders luisterden niet. Het maakte niet uit wat ze zei. Schandalen moesten worden voorkomen, haar vader had een belangrijke baan, zij wisten wel wat goed voor haar was en later zou ze hen wel dankbaar zijn, zo was hun zogenaamd triviale redenering.
Omdat ze inzag dat er niets aan te doen was, sloeg haar stemming om. Ze was weg uit Almere en weg bij haar ouders. Prima. Vanaf nu zou ze zelf bepalen hoe het verder ging. Addie deed zo haar best op de nieuwe school dat ze binnen twee jaar haar diploma haalde en begin juni terugkwam naar Almere. Ze had zich in januari al ingeschreven in Maastricht voor de opleiding muziek. Ze speelde uitstekend piano en ze schreef eigen muziek en teksten.

Haar vader zei eind mei dat hij met haar wilde praten over haar toekomst. Haar moeder was al aan de keukentafel gaan zitten. Daar gaan we weer, dacht Addie.
“Ik heb alle opleidingsmogelijkheden voor jou eens bekeken”, zei hij. “Een internationale studie lijkt mij voor jouw toekomst het beste. Internationaal recht, internationale betrekkingen, of zoiets.” Hij legde een pak brochures van universiteiten in Engeland, Zwitserland en zelfs de Verenigde Staten op tafel en zei: “Kies maar. Lees het goed door. Ik hoor wel wat het wordt.”
“Dan kun je lang wachten, pap, want ik ga naar Maastricht om muziek te studeren. In ieder geval piano en zang. Ik doe volgende week auditie.”
“Dat gaat niet gebeuren”, bulderde haar vader. Hij zag de toekomst die hij voor zijn dochter had uitgestippeld, van het ene op het andere moment verdampen. Addie schrok van het agressieve en afwijkende gedrag van haar vader, maar was niet van plan om toe te geven.
“Het gaat om jouw toekomst, schat”, zei haar moeder, die op het punt stond om in huilen uit te barsten.
“Precies. Het gaat om mijn toekomst en die is niet van jullie. Ik ben negentien, ik weet wat ik wil en besluit zelf wat ik doe. Ik heb me ingeschreven en ik ben zo goed dat ik zeker zal worden toegelaten. Jullie kunnen daar niets meer aan doen, zelfs niet als je jouw vriendjes inschakelt, pap, want dan ga ik in de supermarkt werken in Maastricht.”

Er viel een lange, diepe stilte.
Addie’s moeder liep naar de keuken om koffie te zetten, maar eigenlijk vluchtte ze weg van wat ze niet wilde zien en niet wilde horen.
Addie nam zelf het woord toen de koffie op tafel stond. “Het is mijn leven. Ik bepaal wat ik met dat leven doe. Jullie hebben mij zonder enig overleg van Mechelen naar Almere gesleurd. Ik ben hier nooit gelukkig geweest en jullie hebben er alles aan gedaan om de verbinding met Limburg te verbreken. Ik vind dat ik gedumpt ben op een internaat. Het zal allemaal wel goed bedoeld zijn, maar mij is nooit iets gevraagd. Ik doe wat ik wil en het zou fijn zijn als jullie mij daarin willen steunen.”
Haar vader stond op, sloeg zonder waarschuwing keihard met zijn vlakke hand op tafel, zodat twee koffiekopjes omvielen en de koffie over de tafel liep. Hij bleef nog even staan, draaide zich om en ging vervolgens naar zijn studeerkamer.

weg
In den ouden Vogelstruys

“Adeline, kijk nou toch wat je doet”, jammerde haar moeder, die al naar de keuken was gelopen om een doekje te halen.
“Ik heet Addie en ik doe niets. Vraag je maar eens af wat je met mij hebt gedaan. Morgen ga ik pakken en vertrek ik naar Maastricht. Ik heb een studielening aangevraagd en ga de hele zomer werken in de Vogelstruys2. Maak je geen zorgen over waar ik overnacht, want ik kan bij familie en vrienden overnachten tot ik een kamer heb.”
“En dan ga je naar die Sjeng en ben je binnen de kortste keren zwanger”, riep haar moeder vol afgrijzen.
Addie begon te lachen en bleef lachen. Ze lachte zo hard dat haar vader de deur van de studeerkamer opende, in de deuropening bleef staan en vroeg wat er te lachen was, in de hoop dat het allemaal goed zou komen.
“Toe mam”, zei Addie. “Ik ben negentien en heb met verschillende jongens gevreeën, maar wel veilig. Ik maak niet dezelfde fout als jullie en zo fout was dat nou ook weer niet, want anders had ik hier niet gezeten.” Dat de werelden van Addie en haar ouders ver uit elkaar lagen, bleek wel uit de verbijstering die van de gezichten van beider ouders afspatte. Haar vader keerde zich om en trok teleurgesteld en machteloos de deur weer achter zich dicht.

Addie vertrok naar Maastricht, waar ze succesvol piano en zang studeerde en vervolgens een tweede master haalde voor compositie. Tijdens haar studie werkte ze in het begin nog in verschillende gelegenheden in Maastricht tot ze kon leven van de muziek en van de muzieklessen die ze gaf. De koppigheid die ze van haar vader had geërfd, had haar gebracht waar ze wilde zijn.
Sjeng was nooit meer in beeld geweest. Ze had al jaren een leuke, lieve vriendin, Gaby en ze woonden in Maastricht.
Gaby en Addie speelden samen in een band met de veelzeggende naam “Because” en traden al enkele jaren op. Eerst in Zuid-Limburg, maar al snel landelijk, in Vlaanderen en in Duitsland. Addie gebruikte haar voornaam Adeline als artiestennaam en was de sturende factor van de band.

Het contact met haar ouders was min of meer hersteld, maar het leed dat ze hen in hun beleving had aangedaan, had wonden geslagen. Ze hadden haar destijds financieel in de steek gelaten en waren een paar maanden van slag geweest over het feit dat ze een relatie met een meisje had. Naarmate de band “Because” bekender werd, hadden haar ouders er steeds meer van meegekregen, maar ze lieten niets van zich horen.

Twaalf jaar na haar verhuizing naar Almere, trad Adeline met de band op in Amsterdam. Ze had haar ouders gebeld en hen uitgenodigd om backstage te komen kijken en op een gereserveerde plaats bij het optreden bij te wonen. Na wat heen en weer gepraat hadden ze er mee ingestemd.
De volgende dag waren Addie en Gaby met hun een jaar oude tweeling naar Addie’s ouders in Almere gereden, waar Addie in ruim zeven jaar ervoor niet meer was geweest. Ze waren uitgenodigd door haar ouders.

 

 

Meander

“Ik wil hier weg”: © Meander; Almere; 7 mei 2018.
Voetnoten:
1 Almere Hout: Almere Hout
2 Vogelstruys: In den Ouden Vogelstruys  
3 De Groene Kathedraal: De Groene Kathedraal
Foto’s:
Almere: Internet; Floriade
Mechelen: Internet
Groene Kathedraal: VVV Almere
Vogelstruys: Internet
“Ik wil hier weg” is het verhaal van Addie. Addie verhuisde met haar ouders naar Almere en vond het helemaal niets. Ze wilde terug. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Namen, plaatsen, opleidingen en meer elementen zijn gewijzigd. Of Addie een man of een vrouw is? Het verhaal berust op waarheid.
 
Heel Veel Seks

Heel Veel Seks

In dit verhaal,               


of
beter nog                     


in dit dichterlijke verhaal,          


zoals de titel belooft                      


heel veel,                    


maar dan ook echt                


heel veel                    


seks                           


echt heel veel


scroll naar beneden voor al die seks

 

 

 

 

seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, 

Genoeg?                 

Nee?


seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks,seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks,  seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks, seks.
     


Voor iedereen met een grote behoefte aan veel en veilige seks.


Nog meer?

Bovenaan beginnen te lezen voor nog 10.000 keer seks.

Meander

 

Lees ook: “Passie op de Camping” en/of “Vrij(en) in een tent.”

Ym, de Roos van de Floriade

Ym, de Roos van de Floriade

YmIn de gele, verweerde, afbladderende zetel van Suburbia zit Ym de Roos te lezen, geduldig wachtend tot ze aan de beurt is. Ze zit, net als wij, liever aan de grote tafel en schuift daarom bij ons aan om hun verhaal over Almere te vertellen. Vertellen kan ze, gedreven door een groot hart en door de herinnering aan haar man, Obbe de Roos, die twee jaar geleden overleed.

Zodra ze tegenover ons zit, begint ze te vertellen. Het gesprek, of beter gezegd haar verhaal is niet geheel chronologisch. Het is beleving, pure beleving en vertelling. Soms komt ze terug op een onderwerp dat al besproken is, maar dat is onvermijdelijk, want ze heeft een verhaal, nee, meer dan dat, ze heeft een leven te delen. Ze vertelt er met liefde en passie over.

“Mijn man, Obbe, werkte bij de provincie Flevoland. Hij deed veel vrijwilligerswerk in Almere. Zo was hij voorzitter van Woonmere, een vorm van begeleid wonen voor mensen met een beperking in Almere Poort. Van daaruit werd hij initiatiefnemer van Poort Sociaal 1. Poort Sociaal is een jaarlijks evenement dat uitgaat van het principe dat mensen met een handicap die in jouw buurt wonen er bij horen. Ze kunnen en willen jouw buurman en buurvrouw zijn. Poort Sociaal is in vijf jaar uitgegroeid tot een groot en bekend evenement in Almere Poort en daarbuiten.”

Ym is blij verrast als Linda van Suburbia vertelt dat Suburbia dit jaar op Poort Sociaal het stuk “Almere mijn Thuis” zal spelen. Ym zegt er wel bij dat het festival zo hard is gegroeid dat de mensen om wie het eigenlijk ging bijna ondersneeuwden. Ze zegt: “Mensen denken aan pret en plezier, maar de basis van Poort Sociaal is en blijft het sociale karakter. Het doel, het versterken van de sociale contacten van alle bewoners en organisaties in Poort, inclusief mensen met beperkingen, staat voorop.”

We praten nog even door over Poort Sociaal en wat het betekent voor de inwoners van Poort. Dan zegt Ym: “Toen Obbe overleed vroeg hij of ik Poort Sociaal in het oog wilde houden. Ik woon in Almere Buiten, maar ik doe het toch, omdat hij mij dat gevraagd heeft. Inmiddels is voor alle regelingen en subsidies een stichting opgericht. Het was niet mijn plan om zitting te nemen in het bestuur, maar Pieter en Klazien ter Veen zaten in Indonesië. Ik dacht, ik wordt tijdelijk even secretaris, maar ik ben het nu nog en het bevalt me prima.” Ze kijkt ons aan en zegt: “In het Labyrint, een moestuin in het Cascadepark, staat een bankje met Obbe’s naam er op en in de Oostvaardersplassen staat ook zo’n bankje met zijn naam er op.” Een mengeling van trots en emotie is zichtbaar en wordt door ons gevoeld.

Ym
Obbe’s bankje

Ym, al ben je geneigd haar Roos te noemen, gaat regelmatig naar Leeuwarden, omdat de hoofdstad van Friesland dit jaar Culturele hoofdstad van Europa is. Naast al die activiteiten is ze sinds 2016 vrijwilliger bij de Floriade 2. Ze verhaalt enthousiast over hoe leuk het is om mensen rond te leiden op de Floriade in ontwikkeling. Ym vertelt de bezoekers over de locatie, de werkzaamheden en over wat er allemaal op en om de Floriade wordt gerealiseerd.

We schakelen naar het waarom van de verhuizing naar Almere. Ym vertelt dat ze in 2001 uit Delft naar Almere zijn verhuisd en daarvoor samen in Amsterdam woonde. Voordat ze in Amsterdam samen gingen wonen, woonden ze beiden in het buitenland, maar niet bij elkaar.
Ym en Obbe hebben elkaar leren kennen op een feest in Friesland. Hij was tweeëntwintig en zij was zeventien. Niet lang daarna vertrokken ze naar het buitenland. Ym ging als Au Pair naar Engeland en later naar Frankrijk. Ze deed dit werk anderhalf jaar en heeft nog steeds contact met de families waar ze heeft gewerkt.

Ym zegt: “Obbe is na zijn diensttijd door Europa gaan zwerven en later zelfs naar Marokko. Hij is overal geweest. Soms stuurde hij een kaartje. Hij was vaak moeilijk bereikbaar. Als je hem iets wilde sturen dan moest je dat poste restante doen naar plaatsen die hij van te voren aangaf. Toch schreven we elkaar al die tijd brieven en die brieven hebben we allemaal bewaard. Soms zagen we elkaar. Op een gegeven moment kwam Obbe naar mij toe in Engeland en zijn we samen op vakantie gegaan. In die vakantie hebben we onze toekomstplannen gesmeed. Niet lang daarna zijn we gaan samenwonen in de Lomanstraat in Amsterdam Zuid.”

Ym: “Ik werkte bij de Amrobank op de Dam en studeerde sociale pedagogiek. Ik gaf ook voorlichting aan toeristen. Dat deed de bank er in die tijd gewoon bij. Obbe deed effectenresearch op het Rokin en studeerde economie aan de Vrije Universiteit.“ Ze kijkt ons even aan en gaat verder: “Onze zoon, Hidde, werd in 1979 geboren. We konden in Amsterdam geen huis krijgen en zijn daarom naar Delft vertrokken, waar we in Tanthof gingen wonen. Een typische wijk uit die tijd. Bloemkoolhofjes met allemaal jonge gezinnen. Ik was de enige werkende moeder. Er was maar een kinderdagverblijf, maar daar was geen plek meer voor Hidde. Ze zaten vol. We hebben Hidde bij tante Annie op een naastgelegen boerderij kunnen plaatsen. Zij paste op hem en dat was tot onze volle tevredenheid. In 1982 is onze dochter Jelka geboren.”

Er valt een korte stilte. Ym vertelt ons over het project ‘Levensboek.’ Ze zegt dat het voor haar een emotioneel onderwerp is. “Onze dochter vatte het plan op om een levensboek over Obbe te schrijven op basis van de locaties waar haar vader tijdens zijn leven had gewoond en gewerkt. Ze interviewde Obbe en reisde met hem langs zoveel mogelijk plekken waar hij geweest was. Samen zochten ze er foto’s en documenten bij.” Ym kijkt ons aan met een paar vochtige ogen, maar vertelt dapper verder. Ook nu weer, voel je en zie je trots en emotie in één blik.

We wachten even tot ze verder wil gaan. “De drukproeven waren klaar”, zegt Ym en Obbe heeft die nog gezien. Hij is volgens ons langer blijven leven, omdat hij dit samen met Jelka wilde afmaken. Obbe heeft gewacht tot de boeken van de drukkerij kwamen en Jelka onderweg was. Ze had hem een appje gestuurd toen ze wegreed bij de drukkerij. Op dat moment had hij volgens mij het idee dat het wel in orde was en piepte hij er tussenuit. Hij had verschrikkelijke pijn de laatste dagen, dus van mij mocht hij gaan. Het tekent zijn onvoorstelbaar sterke wil dat hij tot het laatste, door hem zelf bepaalde moment, sterk bleef. Obbe had nog graag drie dagen later mijn verjaardag mee willen vieren, maar het ging niet meer. Ik werd toen vijfenzestig. We hebben die verjaardag uiteindelijk pas twee jaar later gevierd.”

Ym heeft een aantal taken van Obbe overgenomen, zoals die voor Poort Sociaal. Daarnaast werkt ze als bestuursondersteuner voor de stichting Mijn Eigen Thuis is Nederland (MET).
In 2006 heeft Ym haar eigen bedrijf opgericht. Onlangs is ze daar mee gestopt. Ze heeft zichzelf gepensioneerd, maar is en blijft actief als vrijwilliger in allerlei organisaties. Een belangrijke en mooie taak die ze met veel plezier vervult, is die van oppas-oma voor haar kleindochter.

We komen terug op de verhuizing naar Almere.
Ym zegt: ‘Mijn gedachte is dat Obbe wellicht al iets mankeerde toen we nog in Delft woonden. Hij werkte in Lelystad bij de provincie Flevoland als hoofd Facilitaire Zaken en was medeverantwoordelijk voor de bouw van het huidige provinciehuis van Flevoland in Lelystad. Ondanks de lange reistijden en het feit dat hij in mijn ogen niet fit was, bleef hij gewoon doorwerken. De reistijden waren te lang. Ik merkte het aan hem als we wandelden. Hij was snel bekaf. Het ging zo niet goed en daarom besloten we dichter bij Lelystad te gaan wonen. Niet in Lelystad, maar in Almere. Een compromis.”

Ze gingen een aantal weekenden naar Almere. Steeds twee dagen en ze namen een picknickmand mee. Ym en Obbe bekeken veel huizen en gingen naar alle stadsdelen en verschillende wijken.
“Haven viel af”, zegt Ym, “want daar komt geen trein. De Noorderplassen vonden we te ver weg, Stad vonden we te stenig en zo kwam onze focus op Buiten te liggen, waar net een BouwRAI was.” De BouwRAI in de Eilandenbuurt van Almere Buiten was de derde BouwRAI in Almere. Architecten kregen in de aanloop naar de BouwRAI de kans om bijzondere ontwerpen te realiseren.

Ym: “Op een gegeven moment waren we de BouwRAI even zat. We wilden weg uit het strijdgewoel. Zo kwamen we terecht bij de Oostvaardersplassen. Toen was het duidelijk. We wisten dat we hier gingen wonen. We moesten eerst ons huis in Delft verkopen, een huis in Almere kopen en een huis in Rotterdam huren voor Hidde. Dat lukte en we kwamen terecht in de Willem Bontekoestraat in de Oostvaardersbuurt. Goed genoeg voor tijdelijk dachten we. Ik woon er nog.”

YmEen bijna vers kopje koffie leidt tot een iets langere pauze, voordat Ym verder gaat: “Toen we naar Almere verhuisden besloten we dat we binnen een jaar honderd mensen wilden kennen en dat zij ons kenden. Er was in die tijd in Almere een programma ‘Verbindend Vernieuwen’  een soort cursus bedoeld om kennis te maken met anderen. We gingen niet in dezelfde werkgroepen, want dan konden we elkaar nog wat vertellen. Zo kwamen we al snel aan honderd mensen. Niet lang daarna gingen we naar de nieuwjaarsreceptie van de gemeente. Je kreeg twee glazen champagne, waarvan je er een aan iemand anders gaf die je nog niet kende. Voor we het wisten, kenden we tweehonderd Almeerders.”

Ym en Obbe raakten bij van alles betrokken, zoals het project Evenaar. Obbe werd lid van de Adviesraad Sociaal Domein. Ym werkte bij een adviesbureau voor het sociaal domein. Ze heeft in dat vakgebied veel gedaan op allerlei plaatsen in het land. Zelfs een tijdje in Rotterdam. Dan overnachtte ze gedurende de week bij haar zoon, Hidde. Dat was niet ideaal voor hun huwelijk. Op een gegeven moment was ze het spuugzat en begon voor zichzelf als organisatieadviseur, als fondsenwerver en deed andere werkzaamheden op gebied van het sociaal domein. Ze heft het bedrijf binnenkort officieel op en is eigenlijk al gestopt, want ze had er geen zin meer in. Teveel zinloze bureaucratie.
Ze zegt: “Ik wilde eigenlijk doorgaan tot mijn bedrijf vijftien jaar bestond, maar dat haal ik niet meer.”

Ym
Ym de Roos

Over ‘Almere mijn thuis’ zegt Ym: “Wij voelden ons thuis en ik voel me thuis in Almere. We hebben zelf van Almere ons thuis gemaakt. In de eerste jaren gingen we een rondje om een kerk, zoals we het toen noemden. We bekeken nieuwbouwprojecten en leerden alle stadsdelen kennen. We zijn altijd betrokken geweest bij culturele activiteiten en projecten. Ik ben van de cultuur.” Cultuur is het onderwerp dat ons vanzelfsprekend even afleidt, maar niet voor lang.

“Obbe’s overlijden had wel een staartje”, zegt Ym, “want er werd aan mij getrokken, ook door de kinderen, die in Rotterdam en Haarlem wonen. Bovendien ben ik inmiddels oma. Ik moest knopen doorhakken en heb mijn kinderen verteld dat ik in Almere wilde blijven, omdat ik daar gelukkig ben. Het is ook beter dat ik hier ben, want dan zien ze niet alles en maken ze zich niet onnodig zorgen. Met een treinabonnement kom je ook een heel eind en ik bezoek ze regelmatig.”

Ym is van mening dat ze haar verhaal wel heeft verteld. Ze zegt dat we ons bij haar kunnen melden als we een rondleiding over het Floriadeterrein willen. Dat typeert deze lieve, sterke vrouw. Doorgaan in en met de stad, die ze tot haar thuis heeft gemaakt.

 

Meander

 

“Ym, de Roos van de Floriade”: © Meander; Almere; 2 maart 2018.

Voetnoten:

1   Festival Poort Sociaal: http://www.poortsociaal.nl
2  Omroep Flevoland. Interview en beeld van Ym de Roos over de Floriade.
     https://www.omroepflevoland.nl/nieuws/154414/almere-ym-de-roos-vindt-floriade-geweldig

Foto’s:
Roos: Internet
Gele Stoel: 
© Suburbia in de Buurt
Champagne: Internet

Ym de Roos: ©Ym de Roos
Bankje Cascadepark (Obbe de Roos); ©Meander; 7 maart 2018

“Ym, de Roos van de Floriade” is het verhaal van Ym en Obbe de Roos over hun Almere, vertelt door Ym de Roos. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.