Altijd Kerst

Altijd Kerst

Het ranke meisje had lang donker haar en glanzende, bruine ogen. Ze zat op haar hurken. Haar veel jongere broertje rolde een zelfgemaakte bal van oude lappen in haar richting. De moeder van de kinderen was druk bezig om het schamele eten te bereiden. Ze was er, zoals altijd, al meer dan een uur mee bezig.

Het meisje pakte haar broertjes hand en wandelde met hem door het dorp. Het kleine kereltje keek voortdurend om zich heen, tot hij de oude man zag zitten. Het ventje zwaaide uitbundig naar de man, wiens lange witte haren hen tegemoet schenen. De man knikte en wenkte hem, maar het jongetje durfde niet.
Zijn zusje zei: “Kom maar, niet bang zijn.” Ze duwde haar broertje naar voren. “Geef hem maar een hand.” Aarzelend stak het ventje zijn hand uit.
De man nam de kleine hand van de jongen in zijn door zon, werk en ouderdom verweerde hand. “Dag” zei de man.
“Dag” zei het meisje. De kleine jongen zei niets, keek naar beneden en af en toe een beetje naar boven. Hij gluurde door zijn wimpers naar de voor hem zo indrukwekkende verschijning.

De man, draaide zich om, pakte iets uit zijn tas en hield het omhoog, waarop de ogen van het ventje begonnen te schitteren, maar hij durfde het niet aan te nemen. De man legde het in het kleine handje en duwde daarna de vingertjes dicht. Een brede glimlach verscheen op het gezicht van de jongen. En de oude man? Die glimlachte mee. Hij gaf het meisje er ook een. Toen de oude man niet naar hem keek, stopte het jongetje de lekkernij snel in zijn mond, alsof hij bang was het weer kwijt te raken. Het meisje bedankte de man en bewaarde het geschenk in een zak van haar jurk. Voor straks, dacht ze.
Ze liepen verder, nagekeken door de oudste van het dorp, die al zoveel had gezien.

De auto schoof nog een stukje door op de gladde ondergrond, nadat vader had geremd. De meiden gilden het uit van plezier. “Nog een keer, Nog een keer.”
“Uitstappen”, zei de vader. De deuren gingen open en ze sprongen uit de grote Jeep. De drie meisjes, gekleed in warme winterjassen, renden op hun snowboots door de sneeuw naar de deur en riepen: “Mama, mama, open, open.” Hun moeder deed de deur open en ontving onder luid gejoel een lading sneeuwballen. Ze lachte om haar drie deugnieten. De man gaf zijn vrouw een kus en vroeg haar of de boom al was gebracht.
“Die staat klaar. Jullie kunnen aan het werk. Het wordt de mooiste kerstboom ooit.”
“Yeahhh”, juichten de meisjes.

stxmco001christmas_tree_and_presents

De vrouw hielp haar man de overvolle tassen vol geschenken naar binnen te brengen. Ze moesten wel drie keer lopen. “Het lijkt wel of het ieder jaar meer wordt”, zei de vrouw.
De meiden waren te oud om nog in Santa te geloven, maar de cadeaus wilden ze niet missen. Het is ieder jaar weer een hele uitdaging om aan alle wensen te voldoen, dacht de vrouw.
De koelkast zat barstensvol. In de oven stond een in cellofaan verpakte, grote kalkoen, die morgen zou worden gebraden.

Vanavond gingen ze met zijn allen naar de kerk om kerstavond te vieren. Het werd een belangrijke avond met veel zakelijke relaties na het kerkbezoek. Gelukkig hoefde ze niet zelf te koken voor de dertig gasten. Dat had ze uitbesteed aan een cateraar. De man zei tegen zijn echtgenote: “Wat hebben we het goed.” Zijn vrouw was van mening dat ze het verdienden. Ze hadden er per slot van rekening hard voor gewerkt.

Drie avonden later zou de vrouw tegen haar man zeggen dat ze blij was dat het er weer op zat. “Wat is het ieder jaar weer een gedoe. Druk, veel eten, van hot naar haar rijden. Heel gezellig, maar wel vermoeiend.” Overmorgen gingen ze naar de stad om de cadeaus die ze niet leuk vonden, te ruilen.

Het meisje en de jongen kwamen thuis. Ze vertelden wat ze van de oude man hadden gekregen. Het meisje liet het aan haar moeder zien. “Voor ons samen, mama”, zei ze. “De oudste verwent jullie teveel”, zei de moeder. “Kom we gaan eten.”
Ze waren snel klaar met eten, want het was niet veel. Na het eten, veegde het meisje, de houten bordjes en de pannen schoon en zette ze weg. De pannen waren gemaakt van gebruikte blikken.

Het kleine ventje was moe geworden. De moeder ging zitten, nam haar tweejarige zoon op schoot en trok haar dochter tegen zich aan. Ze vertelde een verhaal over een kindje dat was geboren in een stal. Het lag in een voerbak voor dieren.
Dat vond het meisje zielig. “Waarom had hij geen huis, zoals wij?”, vroeg ze.
“Zijn vader en moeder waren gevlucht voor een keizer, die kleine kinderen vermoordde”, antwoordde haar moeder. Het jongetje was ondertussen in slaap gevallen.
De moeder vertelde verder over het kindje, over de toekomst van dat kind en wat hij de mensen leerde. “Daarom vieren we ieder jaar kerst”, zei de moeder, “omdat het kind is geboren voor iedereen. Kerst is het feest van de liefde.”

Het meisje zei: “Mam, het zou altijd kerst moeten zijn.” Haar moeder aaide haar dochter over haar bol en keek, zittend in de deur van haar hutje in de kleine oase, voor zich uit, naar de kale, droge woestijn.
Haar ogen waren vochtig. Ze dacht aan haar overleden kinderen en ze dacht aan haar man, die was gesneuveld, in de nog immer voortdurende oorlog. Haar ogen waren vochtig en een traan zakte langzaam over haar wang. Ze trok het meisje dicht tegen haar aan en zei: “Ja schat, het zou altijd kerst moeten zijn.”

 

Logo Meander

 

war-child

warchild.nl

 Altijd Kerst is oorspronkelijk geschreven in november 2014 en door Meander geactualiseerd.

Geef een reactie