Onvoltooid Voltooid

Onvoltooid Voltooid

Margriet nam een slokje van haar koffie, terwijl ze uit het raam keek. Ze zag ze uitstappen en over de parkeerplaats naar de ingang lopen. De boomlange, fors gebouwde Roel liep voorop met een vastberaden, lichtelijk stuurse blik. In zijn kielzog probeerden Margriets dochters hem al pratend bij te houden. Daar gaan we weer, dacht Margriet. Ze wist werkelijk niet meer wat ze moest doen. Toegeven en accepteren dat haar leven voorbij was, zoals ze de afgelopen jaren menigmaal had gedacht, of doorgaan zoals Herman haar vlak voor zijn dood had gezegd?

Margriet was langzamerhand steeds dover geworden en had sinds een half jaar een gehoorapparaat. Ze liep met een rollator in huis en naar de winkel. Voor grotere afstanden gebruikte ze een scootmobiel die ze zelf had betaald, omdat hij niet vergoed werd. Dan waren er nog de problemen met haar hart geweest en volgens haar kinderen werd ze steeds vergeetachtiger.

De verhuizing had Margriet goed gedaan. Ze had het tegen haar kinderen gezegd, maar die leken er niet naar te willen luisteren. Ze was liever in haar eigen huis gebleven. Haar thuis, waar ze meer dan vijftig jaar met Herman had gewoond. Het was vier maanden geleden, na lang aandringen van de kinderen, verkocht. Het huis was te groot voor haar en ze kon het niet langer zelf onderhouden, hadden ze gezegd. Met enige hulp had ze er prima kunnen blijven, vond ze zelf, maar ze had toegegeven om van het wekelijks terugkerende gezeur af te zijn.

Margriet had dikwijls gedacht dat ze de kinderen tot last was, omdat ze alle drie een flink stuk moesten reizen om haar te bezoeken. Als ze er dan eenmaal waren wilden ze na een uur al weer weg, behalve Ilse, die kookte als ze er was en bleef zolang mogelijk.
Roel en Carolien hadden er alles aan gedaan om hun moeder in een verpleeghuis of een aanleunwoning te krijgen, maar daar kreeg Margriet geen indicatie voor, omdat ze nog goed voor zichzelf kon zorgen.

Margriet wachtte tot de deur open zou gaan. Wat heeft het leven nog voor zin als je alleen bent en je kinderen min of meer suggereren dat je leven voorbij is, dacht ze. Haar kinderen vragen om vaker langs te komen, kwam niet in haar op, want daar was ze teveel een zorgzame en liefhebbende moeder voor. Misschien hebben ze wel gelijk, dacht Margriet. Ze was voortdurend moe en doodongelukkig, al leek het de laatste maanden, sinds ze hier woonde, veel beter te gaan. Margriet merkte dat tranen opwelden toen ze hoorde dat de sleutel in het slot werd gestoken, omgedraaid werd en de deur in de hal open ging. Ze slikte een keer.

“Hai, mam”, zei Ilse. Om beurten gaven ze haar drie zoenen. Ilse omarmde haar moeder en hield haar even stevig vast.
Carolien zei: “Ik zet wel even thee, of heeft een van jullie liever koffie?” Roel was de enige die koffie wilde en zat al in de stoel naast zijn moeder, zodat zijn zussen op de bank plaats moesten nemen. Margriet keek naar haar zoon en zag een ongeduldig en ontevreden kind. Het deed haar pijn, maar ze liet niets merken.

Toen de koffie en thee op tafel stonden en Ilse een door haar gebakken, glanzend bruine boterkoek had aangesneden, stak Roel meteen van wal.
“Luister, ma. We hebben het er al vaker over gehad en daarom komt er straks een maatschappelijk werker om met ons en met jou te praten over jouw toekomst.”
“O ja, jongen? Zou ik misschien zelf mogen bepalen of ik met een maatschappelijk werker wil praten?”
“Natuurlijk, ma”, zei Roel, “maar jij komt niet tot beslissingen, daar kun je niets aan doen, dat hoort bij de leeftijd.” Carolien zei dat ze maar beter kon doen wat Roel zei, zonder dat te motiveren. Ilse zei niets en keek naar de grond, omdat ze haar moeder niet aan durfde te kijken. Ze schaamde zich.
“Hoezo?”, vroeg hun moeder. “Ik ben achtentachtig en er is niets mis met me.”
Carolien somde alle gebreken op en waarschuwde haar dat het steeds erger zou worden met nog meer ongemakken. “We begrijpen wel dat je papa mist en dat je graag naar hem toe wilt. We snappen als geen ander, dat je het moeilijk vindt om besluiten te nemen”, zei Carolien op een onechte meelevende toon, niet beseffend dat moeders hun kinderen altijd doorzien.

Margriet voelde dat ze boos werd en weer voelde ze tranen die naar buiten wilden. Ze haalde diep adem, beheerste haar emoties en zei dat ze het er niet meer over wilde hebben. “Laten we iets gezelligs gaan doen. Kunnen we straks ergens gaan eten met zijn vieren? Ik betaal wel.” Daar hadden ze het helaas veel te druk voor. Sport en werk gingen voor en konden niet worden afgezegd. Ilse had niet de moed om er tegenin te gaan.

Er werd aangebeld. Roel liep naar de deur en deed open. Ze hoorden hem zachtjes praten met iemand in de hal. Twee minuten later kwam hij binnen en zei: “Dit is Maikel Visser. Hij is maatschappelijk werker en komt langs voor een gesprek om de mogelijkheden voor jouw begeleiding te bespreken”, zei Roel, deels bezijden de waarheid.
Maikel stelde zich nogmaals voor aan Margriet en zei de anderen met een handopsteken gedag. Hij ging zitten op een door Carolien bijgeschoven stoel en vroeg of hij een kop koffie mocht, waarna hij brutaalweg het gesprek begon: “We nemen eerst jouw situatie door Margriet en dan bespreken we op welke manier ik jou kan begeleiden.”
“O”, zei de verblufte Margriet, die zich overrompeld voelde en even niet wist wat ze moest zeggen, waar Maikel dankbaar gebruik van maakte.
“Ik ben blij dat je door jouw kinderen bent voorbereid op mijn komst, dan kunnen we snel ter zake komen.” Hij somde een waslijst aan gegevens op en vroeg Margriet om ze te bevestigen of te corrigeren. Het stoorde Margriet dat hij zoveel wist en desondanks een verkeerde geboortemaand, een foute postcode en het telefoonnummer van Roel noemde. Het zal zijn manier zijn om mij te testen, dacht ze tegen beter weten in.

Opeens was het stil. Maikel had zijn lijstje had afgewerkt en zei niets meer, omdat hij ondertussen, zonder het te vragen, een stuk boterkoek had gepakt en daarom een volle mond had.
“Fantastisch”, zei Roel. “Wanneer begin je?”
Margriet hoorde wat Roel zei en vroeg zich af of ze er zelf nog bij was.
Maikel voelde dat het niet zo soepel liep als de kinderen van Margriet hem hadden voorgespiegeld en stelde hen voor dat ze alle drie weg zouden gaan om over anderhalf uur terug te komen. Hij wilde alleen en vertrouwelijk met Margriet praten, zei hij.
Margriet zei dat ze het op prijs zou stellen als Maikel haar mevrouw of mevrouw Jaarveld noemde.
Maikel keek haar aan en zei: “Natuurlijk, schat.” Met zijn ogen seinde hij naar Roel en Carolien dat ze moesten gaan. Die stonden na enig aarzelen op en namen Ilse mee.

Toen ze met zijn tweeën waren, stond Maikel op en vroeg Margriet of ze nog thee wilde. Margriet zei dat ze zelf de thee in haar huis regelde. Ondanks Maikels protesten stond ze op, pakte de theeglazen en liep bewust zonder rollator naar de keuken, wat haar de nodige moeite koste. Wat een snotneus, dacht ze.
Nadat ze de gevulde kopjes had gebracht, liep ze terug om de theepot, die al meer dan vijftig jaar trouwe dienst deed, te halen.

Ze zat nog niet of Maikel begon alweer te praten. “Fijn dat we even onder ons zijn. Vertel mij eens hoe je je voelt en wat je van mij verwacht.”
“Ik voel me prima en ik verwacht niets. Tot een uur geleden wist ik niet eens dat je kwam.”
Maikel dacht, verdomme, ze sturen me hier naar toe, zonder haar op tijd te informeren. Hij vroeg haar of ze met hem wilde praten over haar wensen. Margriet vroeg hem met een quasi verbaasde en vragende blik over welke wensen hij het had.
Maikel koos voor de confrontatie om haar reactie te testen. “Welke wensen heb je omtrent jouw begrafenis of crematie als het eenmaal zo ver is?”
Margriet keek hem hoofdschuddend aan en zei: “Jij bent niet goed bij je hoofd. Ik ga nog niet dood.”
“Nee, maar op jouw leeftijd kan dat zomaar gebeuren en je hebt zelf herhaaldelijk aangegeven dat je het leven niet meer ziet zitten, zeiden de kinderen. Je wilde daar hulp bij, hebben ze gezegd.”
“Dat klopt ongeveer”, zei Margriet, “maar sinds ik hier woon, weet ik het niet meer zo zeker.” Ze wilde niet zeggen dat het idee voor hulp van haar kinderen kwam. Zelf had ze nergens om gevraagd, ook al had ze vaak gezegd dat ze moeite had met het leven.
Maikel zei: “Je kent mij nog niet, daarom begrijp ik dat je terughoudend bent, maar als ik zie waar je allemaal last van hebt en dat je veel alleen bent, dan vind ik het niet raar als je tot de conclusie komt dat het wel mooi is geweest.”
“Ik ben helemaal niet tot die conclusie gekomen”, zei Margriet gedecideerd.
Maikel was verbijsterd, omdat het niet strookte met de informatie die hij had gekregen. Was dit een vrouw die levensmoe was? Ze was weliswaar niet sterk meer, maar redde zich nog prima. Hij zei tegen Margriet: “Ik wil na ons gesprek nog eens met jouw kinderen overleggen over hoe we je het beste kunnen helpen, maar jij beslist over jouw leven en niemand anders. Wil je mij iets vertellen over jouw leven? Alleen wat je kwijt wilt natuurlijk.”
Margriet aarzelde, maar zei: “Dat is goed, jongen, maar eerst wil ik weten wie jij bent en wat je hebt gedaan. Daarna zal ik jou het een en ander vertellen.”
Maikel moest onwillekeurig lachen en zei: “Sorry, je hebt gelijk.” Hij vertelde over zijn werk, zijn gezin en zijn kinderen. Tenslotte vertelde hij over zijn huidige functie als stervenshulpbegeleider.” Toen hij daar over sprak, zag hij de geamuseerde en meer dan begrijpende blik van Margriet. Hij voelde zijn onzekerheid toenemen.

Margriet vertelde over haar jeugd, haar ontmoeting met Herman, het lange en fijne huwelijk dat ze hadden en zijn overlijden. Ze stond wat langer stil bij de kinderen en de actieve, sportieve vakanties die ze samen hadden beleefd. Na een slokje van haar thee te hebben genomen, begon ze over het huis. Het deed haar nog steeds pijn, dat ze het had moeten verkopen. “Gelukkig heb ik hier snel nieuwe vrienden gekregen. Ik doe vaak mee met activiteiten die ze in het grand café van de zorgservice organiseren. Morgen ga ik kaarten en zaterdag vieren we Halloween.”

Margriet pakte de theepot en schonk nog eens in. Tegen Maikel zei ze, dat hij nog wel een stuk boterkoek mocht pakken. Maikel taste toe en nam een hap van de goudkleurige driehoek.
“Ik woon zelfstandig”, vervolgde Margriet haar verhaal, “maar ik kan wel gebruik maken van alle voorzieningen hier in de Archipel. Het restaurant is niet bijzonder. Goed eten, maar daar is alles wel mee gezegd. Ze dacht even na en zei: “Het is de laatste tijd anders dan de afgelopen acht jaar, toen voelde ik mij eenzaam. Dat is nu een stuk minder. Ik ben door al die activiteiten wel vaker moe en moet wat langer slapen, maar dat stoort mij niet.”

Maikel had af en toe een vraag gesteld en begon sympathie voor deze kleine vrouw te voelen. Ze had trots over vroeger en over de kinderen verteld en ze was redelijk positief over het heden. Er waren aanknopingspunten genoeg om verder te praten. Daarbij waren ook aspecten die de conclusie voltooid leven konden rechtvaardigen. Hij wist dat hij met enig geduld en een goede aanpak haar wel zover kon krijgen dat ze bewust na wilde denken over de zin van haar leven, maar waarom zou hij dat doen? Ze moest er zelf mee komen. Hij keek naar zijn aantekeningen en naar het intakeverslag van de gesprekken met Roel en Carolien en dacht, het klopt niet en dat is raar. Zijn telefoon ging. Hij liep naar de gang en nam op.
Het was Roel die zei dat ze niet terug kwamen. “We willen je vanavond graag spreken, om half zeven bij mij thuis.” Maikel baalde, maar kon geen nee zeggen, gelet op wat hij had geconstateerd. Honderdtien kilometer heen en terug, dacht hij ontevreden. Dat wordt een latertje. Zonder iets over Roels telefoontje tegen Margriet te zeggen, belde hij naar huis om te zeggen dat hij later kwam.

Maikel praatte nog een tijdje met Margriet over de activiteiten waar ze aan deelnam en de mensen die ze de laatste tijd had ontmoet. Om vier uur zei hij dat hij helaas weg moest, maar morgen nog eens langs zou komen, zonder te vragen of dat uitkwam. Pas toen hij bij de deur stond, zei hij dat de kinderen van Margriet niet terugkwamen. Ze leek eerder opgelucht dan teleurgesteld, dacht Maikel.
Toen hij weg was, deed Margriet het gehoorapparaat uit. Ze wilde even niets meer horen en pakte een puzzelboekje om verder te gaan met een lastig cryptogram.

Na een rit van ruim twee uur als gevolg van files, zat Maikel te praten met Roel, Carolien en Ilse, die ineens geen avondactiviteiten meer hadden. Roel had pizza bij New York Pizza besteld, omdat hij er zelf trek in had. De anderen aten mee, ondanks het feit dat hen niet was gevraagd of ze pizza wilden en zo ja, welke.

“We hebben jou niet gevraagd om een eigen mening”, zei Roel na het verslag van Maikel te hebben aangehoord, inclusief diens conclusie dat Margriet niet levensmoe was. “Jij bent stervenshulpbegeleider, dus doe wat je moet doen.”
“Zeker, Roel, ik ben erkend stervenshulpbegeleider, maar alleen op verzoek van de persoon die hulp nodig heeft en alleen als er overduidelijk sprake is van voltooid leven.”
“Haar leven is voltooid”, zei Roel. “Vanaf de dag dat mijn vader overleed, was haar leven voltooid.” Carolien knikte en keek Maikel aan, terwijl Ilse voor het raam stond, naar buiten keek en in stilte verdrietig was.
“Zo werkt het dus niet, Roel”, zei Maikel.
“Dan zorg je maar dat het zo werkt. Ik wil niet dat mijn moeder nog langer lijdt en daarover geen besluit durft te nemen.” Hij dacht aan de erfenis, die hij helaas moest delen met zijn zussen. Hij wist dat Carolien er net zo over dacht als hij, maar dat Ilse steeds meer bezwaren had. Dat stomme kind kan alles bederven, dacht hij. Al peinzend had hij Maikels reactie niet gehoord, daarom zei hij: “Wat zei je?”
“Ik vertik het om me voor de kar van belanghebbende erfgenamen te laten spannen”, zei Maikel, alsof hij gedachten kon lezen.
“Dan is deze bijeenkomst klaar en verbied ik je om nog contact te hebben met mijn moeder.”
“Dat zal niet gaan, omdat ik morgen een afspraak met haar heb.”
“Die zeg je dan maar af”, bitste Roel.
“Rustig aan, Roel”, zei Carolien. “Ik ga naar huis en breng Ilse weg. Het lijkt me verstandig, dat jullie nog even met elkaar praten.” Ze stond op en keek naar Ilse, die met tegenzin opstond en haar broer en Maikel gedag zei. Carolien liep zonder te groeten met haar tien jaar jongere zus naar buiten, in de wetenschap wat Roel zou gaan zeggen en daar wilde ze Ilse niet bij hebben.

Toen Roel de voordeur had gesloten, liep hij terug naar de keuken waar Maikel nog aan de lange, smalle tafel zat, wachtend op wat er zou komen.
“Laten we in de voorkamer gaan zitten”, zei Roel. “Wat wil je drinken? Een biertje? Whisky?”
“Als je voor mij iets fris hebt”, zei Maikel.
“Neem nou iets lekkers”, probeerde Roel in een poging om de sfeer te veranderen. Maikel aarzelde, maar vroeg nogmaals om een frisdrank. Hij kreeg een verse perensap. Roel nam een dubbele whisky met ijs.
“Ik kan het lijden van mijn moeder niet langer aanzien en ik ben niet de enige. Carolien en Ilse gaan er aan onderdoor en lopen daarom beiden bij een arts”, loog hij. “Ik kan het wel hebben, maar iedere dag ietsje minder.”
“Jouw moeder wil helemaal niet dood”, zei Maikel.
“Je kent haar pas, dus is dat een veel te voorbarige conclusie. Mijn moeder heeft ontelbare keren gezegd dat ze niet meer verder wil, maar ze is van een generatie waar het nemen van besluiten over je eigen levenseinde niet gewoon is. Ik wil dat je er tijd aan besteed en haar helpt om het besluit te nemen.”
“Ik weet het niet, Roel. Het stuit me tegen de borst om mijn capaciteiten in te zetten op die manier. Het is niet moeilijk om haar te overtuigen dat ze niet meer wil, maar dit is niet de manier waarop het zou moeten.”
“Ik begrijp het wel, want het is niet eenvoudig. Je stapt er in op een moment dat er al een hele voorgeschiedenis is die jij niet kent. Ik ben er van overtuigd dat je het kunt, Maikel. Er zijn voor mij geen financiële belemmeringen om mijn moeder te gunnen wat haar toekomt. Ik heb daar wel wat voor over. Als ik je twintigduizend euro geef, is dat dan genoeg?”
Maikel keek alsof hij het in Keulen hoorde donderen en wist even niet wat hij moest zeggen. Er viel een net iets te lange stilte, die door Roel verkeerd werd geïnterpreteerd.
“Oké, vijftigduizend”, zei Roel.
“Ik ben niet te koop”, zei Maikel, maar er was aarzeling in zijn stem, dacht Roel.
“Kom op man, doe het voor mijn moeder en niemand hoeft er van te weten, ook mijn zusters niet. Ik gun het jou, omdat jij mijn moeder gunt wat haar toekomt.”
“Ik moet gaan”, zei Maikel, die zijn glas niet had aangeraakt. Weg hier, dacht hij, terwijl hij zijn jas pakte en de deur uitliep, Roel in onzekerheid achterlatend.

Onderweg naar huis hoorde Maikel de telefoon enkele malen overgaan, gevolgd door de piepjes van binnenkomende appjes. Hij voelde zich opgejaagd, maar reageerde niet.
Dit had hij nog nooit meegemaakt en hij deed dit werk toch al acht jaar. Moest hij het melden bij zijn coördinator? Zou die hem geloven? Het was zijn woord tegen dat van Roel. Daar kwam nog bij dat hij het geld goed kon gebruiken voor de studie van de tweeling, een nieuwe auto, of een aflossing op de hypotheek. Vertwijfeld reed hij verder en mistte de afslag naar de A2. Veertien kilometer verder pas nam hij een afslag en reed terug. Na tien minuten verder piekeren, reed hij naar een wegrestaurant om iets te drinken, alles op een rijtje te zetten en na te denken. Hij wilde, voordat hij naar huis ging, tot een besluit komen.

Na bijna twee uur, een aantal drankjes en acht bitterballen, nam Maikel een besluit over Roels aanbod. Hij rekende af, liep naar de parkeerplaats en stapte in zijn auto, waar hij nog een tijdje voor zich uit zat te staren met de telefoon in zijn hand, twijfelend of hij Roel zou bellen. Morgen, dacht hij. Het eerste dat ik morgen ga doen, is hem bellen.
Langzaam reed hij over de oprit en gaf gas om in te voegen. Na een tijdje verliet hij de snelweg om de laatste veertig kilometer in alle rust binnendoor te rijden. Twee uur later werd Maikels auto uit het kanaal getakeld. Hij was vierenveertig jaar geworden en had zijn onvoltooide leven voltooid.

 

meander

Bronnen:

Nieuwsuur 1
Nieuwsuur 2
Algemeen Dagblad

 

Eén gedachte over “Onvoltooid Voltooid

Geef een reactie