Archief van
Categorie: Blogs

Al dan niet verrijkte, geromantiseerde, persoonlijke ervaringen van Meander

Was het maar geen kerst?

Was het maar geen kerst?

Doelloos liep Lenie door de volle winkelstraten van het stadscentrum. Het zou haar vijfde kerst zonder Tom worden. In het begin had ze, zei het moeizaam, kerst gevierd met vroegere buren, met vrienden en zelfs een keer in Enschede bij een tante, haar enige overgebleven familielid. Iedere keer als ze thuis was gekomen van die drukke dagen, voelde ze zich meer alleen dan ooit. Het was gezellig geweest, maar ze beleefde het niet echt. Ze was gegaan, omdat ze was uitgenodigd. Vorig jaar had ze alle uitnodigingen afgeslagen, zo ook dit jaar.
Lenie was een rijzige vrouw met donker haar en donkerbruine ogen. Haar oma was een Indonesische die met haar opa was getrouwd toen deze vanaf 1936 als majoor van het Nederlandse leger diende op Java. Ze zag er veel jonger uit dan je zou verwachten.

De muziekkapel van het Leger de Heils stond voor de Hema en speelde er lustig op los. Het ene kerstlied na het andere schalde door de straten van het centrum over de hoofden van de schuifelende, koopgrage massa. Voor de muzikanten stond de bekende driepoot met de ketel waar men een donatie in kon doen voor het kerstfeest van anderen. Lenie aarzelde, maar bleef even staan. Ze luisterde naar ‘Stille nacht’ en ongewild liep er een traan over haar rechterwang. Ze veegde het weg, pakte vijf euro en stopte het biljet in de ketel. Voor ze haar weg vervolgde, bleef ze nog een tijdje staan om te luisteren naar ‘White Christmas’ en naar ‘Jingle Bells’, het favoriete nummer van Tom.

Wat kom ik hier eigenlijk doen, dacht Lenie toen ze weer door de winkelstraten slenterde. Was het maar geen kerst. Ik hoef niets te kopen, ik heb geen afspraken tot begin januari, niemand krijgt van mij een cadeautje en niemand geeft mij een cadeautje. Ze liep terug via een andere straat en kwam langs boekhandel Stumpel. Lenie liep de boekhandel binnen en keek op verschillende tafels. Ze las graag en overwoog zichzelf een boek cadeau te doen. Ze zag een trilogie van een haar onbekende schrijver liggen. ‘Een psychologische thriller over vijf vrouwen’ stond op een bord achter drie stapels boeken. De omslagen van de boeken waren op de kleur na gelijk. In oplopende intensiteit waren de letters en silhouetten op de omslagen lichtrood tot dieprood gekleurd. Het complete setje koste bijna veertig euro. Dat vond Lenie erg duur, maar om een of andere reden stapte ze over dat bezwaar heen en pakte ze een complete trilogie.

Voor de kassa stond een lange rij. Na tien minuten wachten stond ze nog steeds op dezelfde plek. De andere rijen gingen veel sneller, omdat de man die vooraan hun rij stond een gesprek was begonnen met de jongedame achter de balie. Het jonge, nerveuze meisje wist niet hoe ze de man duidelijk moest maken dat er mensen stonden te wachten en keek wanhopig naar haar collega’s, maar die hadden het te druk met hun eigen werkzaamheden.
Lenie zag het, liep naar voren, tikte de man op de schouder en zei toen deze zich omdraaide: “Excuus, meneer, er staat een lange rij achter u. Wilt u alstublieft afrekenen?”
De man keek haar verbaasd aan, aarzelde even en vroeg haar toen: “Lenie? Lenie Schouwaert?”
Om te voorkomen dat het gesprek van de man met de jongedame zich naar haar verplaatste en de rij nog langer zou worden opgehouden, zei Lenie: “Ja. Wilt u afrekenen, dan spreek ik u straks.” Wie is die man?, dacht ze terwijl ze terugliep naar haar plek in de rij.

Lenie kreeg bedankjes van enkele mensen voor haar kordate optreden. Ze zocht na haar trilogie te hebben aangeschaft naar de voor haar onbekende man, die haar blijkbaar kende. De man zat met een vrouw in het koffiebarretje van de boekhandel. Hij stond op toen ze dichterbij kwam. “Lenie Schouwaert”, zei hij. “Ongelofelijk na al die jaren.” Hij omhelsde haar ongevraagd en zoende haar op beide wangen. Met een ruim handgebaar wees hij naar de vrouw. “Ken je Malou nog?”
Lenie keek beduusd van de een naar de ander. “Dag, Malou”, zei ze voorzichtig. “Jou herken ik nog”, zei ze, “maar wie ben jij dan?”, vroeg ze aan de man.
“Thomas Boersma. Herken je mij niet meer?”
Het was alsof Lenie een klap in haar gezicht kreeg. Thom en Tom, het populaire duo op de middelbare school dat van alles uitvrat en zonder enige zichtbare inspanning geslaagd was voor het vwo. Haar eerste liefde was deze Thomas geweest, maar na een paar maanden had Thomas het uitgemaakt en was Tom als vanzelfsprekend op haar pad gekomen. Ze liet zich op de dichtstbijzijnde stoel zakken. Tranen biggelden over haar wangen, omdat haar Tom op slag indringend aanwezig was.
Thomas wist even niet wat hij zeggen moest, maar Malou stond op, ging naast Lenie zitten, deed haar arm om diens schouder en vroeg: “Wat is er, Lenie. Waarom huil je?”
“Ik weet het niet”, snikte Lenie, die een zakdoek pakte, haar tranen droogde en langzaam weer rustig werd. Ze keek naar Thomas en zei: “Je ziet er zo anders uit, maar nu ik het weet herken ik je weer. Thomas wees op zijn verweerde gezicht, wees op zijn baard en zei: “Grijs, oud en een baard, dus zo eenvoudig is het niet om mij te herkennen.” Malou en Lenie lachten.
Malou zei: “Ik herkende hem eerst ook niet hoor.” Malou was klein, leek fragiel, maar was dat geenszins. Ze liep ieder jaar een aantal halve marathons en was trainer bij de plaatselijke atletiekvereniging.

Daar zaten ze, drie klasgenoten van de middelbare school die samen de laatste jaren van het vwo hadden doorlopen.
“Zijn jullie met elkaar getrouwd?”, vroeg Lenie onzeker.
Thomas lachte en zei: “Nee hoor. Malou en ik zijn elkaar tien minuten geleden tegengekomen en vlak daarna zag ik jou. Wat een merkwaardig toeval.”
“Woon je hier?”, vroeg Malou?
Lenie zei: “Al dertig jaar.”
“Dat kan niet”, zei Malou. “Ik woon hier eenentwintig jaar en heb je nog nooit gezien.”
“En ik woon hier drieëndertig jaar”, zei Thomas.
“Er wonen veel mensen en het hangt er maar vanaf waar je woont”, zei Malou. Ze bleken elk in een ander deel van de stad te wonen. De verwondering over het toeval maakte plaats voor hetgeen ze samen deelden.

Herinneringen die werden opgehaald, buitelden over elkaar heen. Ze bestelden een tweede en een derde koffie. Om deze kleine reünie te vieren, namen ze boterkoek bij de derde koffie. Thomas vroeg naar Tom en was ontdaan toen hij hoorde dat die meer dan vier jaar geleden was overleden. Hij vertelde dat zijn man vorig jaar was overleden.
“We zitten alle drie bijna in hetzelfde schuitje”, zei Malou. “Ik ben zeven jaar geleden gescheiden en sindsdien alleen.”
Lenie vroeg wat ze met kerst deden. Ze schrok van haar vraag, maar Thomas en Malou keken er niet van op. Thomas ging de eerste kerstdag naar zijn broer en had de tweede kerstdag geen afspraken. Malou had beide dagen al afgesproken. De eerste kerstdag met haar gezin. Ze had drie kinderen en vijf kleinkinderen. Tweede kerstdag zou ze met haar buren vieren.
“En jij?”, vroeg Malou aan Lenie.
Lenie zei: “Ik ga nergens naar toe. Het lukt me niet zonder Tom. De eerste drie jaar ging ik op alle uitnodigingen in om  maar niet alleen te zijn, maar dat voelde niet goed.”
“Ik heb een idee”, zei Malou, die net als vroeger overal oplossingen voor had en steevast de leiding nam.

Tweede kerstdag werd een geweldige dag. Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat waren ze bij Malou. Ze gingen samen naar de winkel, deden inkopen, deelden de kosten, liepen elkaar te verdringen in de keuken en hadden veel plezier. Het was net alsof ze weer op school zaten.
Malou had haar buren niet afgezegd, maar ze uitgenodigd om er bij te zijn. Ze waren veel jonger dan de drie klasgenoten, maar daar merkte je niets van. Antoinette die links van haar woonde en Geert die aan de andere kant woonde, kenden elkaar van het conservatorium. Geert speelde piano en vroeg of hij op Malou’s piano mocht spelen. Antoinette zong en speelde viool. De prachtige muziek die ze ten gehore brachten, werkte aanstekelijk. Halverwege de avond zongen ze met zijn vijven het ene na het andere kerstlied en genoten allen van een onverwachte en bijzondere tweede kerstdag.
Het drietal sprak af de jaarwisseling bij Thomas te vieren en elkaar wekelijks op woensdag- morgen te ontmoeten in Book & Boon, de koffiebar in de boekhandel waar ze elkaar teruggevonden hadden.

 

Meander

“Was het maar geen kerst?”: © Meander; Almere; 15 december 2018.

“Foto Stumpel”: © Meander; Almere; 15 december 2018.


“The best Christmas (we’ve ever had)”


Andere kerstverhalen van Meander? Klik dan HIER voor “Altijd Kerst” of klik op “Chadi en de Kerstman.”

 

Ongedwongen

Ongedwongen

vrijheden worden geëist                          

vrijheden zijn geborgd                         

vrijheden om te geloven                         

te beleven tijdens leven                            

vrijheden om te hopen                          

te geloven in iets                        

nu en na het leven                             


rechten worden geclaimd

op grond van vrijheden

vrijheden worden ontnomen

op grond van vrijheden

misbruik wordt gepleegd

misbruik van macht                       

misbruik van mensen

op grond van vrijheden

misbruik van vrijheden


wat is godsdienstvrijheid

als wie vrijheid heeft

het een ander niet geeft

wat is vrijheid

als ze waanzin wordt

uit angst voor het niets

na het leven


behoud met vrijheid

de waanzin van geloof

voor uzelf

laat anderen hun vrijheid

zonder geloof

ongedwongen

 

Meander

 

“Ontketend”: © Meander; Almere; 2 december 2018.


Gelijke behandeling en discriminatieverbod in Grondwet. Klik dan HIER.


Vrijheid van meningsuiting in de Grondwet? Klik dan HIER.


Vrijheid van godsdienst in de Grondwet? Klik dan HIER.

Vrijheid of Waanzin

Vrijheid of Waanzin

vrijheden worden geëist                          

vrijheden zijn geborgd                         

vrijheden om te geloven                         

te beleven tijdens leven                            

vrijheden om te hopen                          

te geloven in iets                        

nu en na het leven                             


rechten worden geclaimd

op grond van vrijheden

vrijheden worden ontnomen

op grond van vrijheden

misbruik wordt gepleegd

misbruik van macht                       

misbruik van mensen

op grond van vrijheden

misbruik van vrijheden


wat is godsdienstvrijheid

als wie vrijheid heeft

het een ander niet geeft

wat is vrijheid

als ze waanzin wordt

uit angst voor het niets

na het leven


behoud met vrijheid

de waanzin van geloof

voor uzelf

laat anderen hun vrijheid

zonder geloof

zonder waan

 

Meander

“Vrijheid of Waanzin”: © Meander; Almere; 27 november 2018.


Godsdienstvrijheid, of godsdienstwaanzin. Als waanzin de vrijheid claimt en uw vrijheid wordt beknot, omdat u tolerant moet zijn voor de intoleranten. Of… wordt de vrijheid gebruikt om waanzin te voorkomen en vrijheid te verspreiden?
Laat iedereen de vrijheid om te denken, te geloven en te voelen wat hij of zij wil, zonder dat hij of zij verwacht, eist, bevecht en afdwingt dat een ander dat ook doet en zonder dat wie dan ook moet leven volgens door een geloof bedachte regels. Niemand hoeft te geloven, maar dat schijnt bij fundamentalisten en intoleranten geen grond te hebben. Vrijheid is er nimmer om die van een ander te beknotten.


Gelijke behandeling en discriminatieverbod in Grondwet. Klik dan HIER.


Vrijheid van meningsuiting in de Grondwet? Klik dan HIER.


Vrijheid van godsdienst in de Grondwet? Klik dan HIER.

De pornokijker

De pornokijker

Bert lag achterover op zijn bed, reikte naar de afstandsbediening, vloekte toen hij er niet bij kon, kwam overeind, pakte de afstandsbediening, ging weer liggen en bewoog zijn vingers over de toetsen om naar een andere film te zappen. Met zijn andere hand voelde hij even naast zich. Lotte zuchtte en zei: “Schiet op, ik heb geen zin om te wachten.” Ze pakte hem gevoelig beet en kneep even.
“Au, kreng”, riep Bert, waarna hij hard lachte. Hij zocht even in de lijst en koos een van de nieuwste films. De titel van de film was “Grijp je kans.” Hij klikte op OK en zonder een aanloop begon de film direct met een heftige vrijpartij. Ze zagen de rug van een flinke vrouw met lang, roestbruin haar die heftig op en neer bewoog, gezeten op een grote, gezette man. De man en vrouw leken intens met elkaar verbonden. Beeld en geluid ondersteunden die veronderstelling.

Bert was zo verslaafd aan pornofilms dat hij nagenoeg altijd dergelijke films aan had staan, of hij nu aan het klussen of schoonmaken was, koffie zat te drinken of aan het eten was. De geluiden van zijn verslaving vulden de woning, vooral als zijn vrouw niet thuis was.

Al kijkend bewoog Bert zijn vingers over het lichaam van Lotte. “Kun jij dat ook?”, vroeg hij, terwijl hij haar langzaam en zacht opwond.
“Kom maar op”, zei ze. “Maar wel een kwartslag draaien, anders zie ik de film niet.” En zo geschiedde.
De vrouw in de film was achterover gaan liggen. Het enige wat je van haar zag, is niet geschikt om hier te beschrijven. De ene na de andere man dook op haar. Ondertussen deden Lotte en Bert verwoede pogingen om hetgeen zich op het scherm afspeelde, na te bootsen. “Wat een gave film”, brulde Bert. Hij draaide Lotte om en dook bovenop haar.

Na enige tijd zat de dame in de film op haar knieën en begon de zoveelste man aan zijn kans. Ze kreunde amechtig, zuchtte overdreven en leek er maar niet genoeg van te krijgen. Bert en Lotte hadden het moeilijk om de acties in de film te volgen en te imiteren, omdat er vaak en snel werd geschakeld. Toen ze bekaf waren, namen Lotte en Bert een pauze. Ze legden alle kussens achter zich. Bert liep even naar de keuken. Even later keken ze verder naar de fysieke verwikkelingen op het scherm, terwijl ze een biertje dronken en chips aten.

De vrouw in de film klom weer op een man en ging tekeer als een dolle. Plotseling draaide ze zich om en keek recht in de camera. Bert verslikte zich in zijn chips, hoestte, schreeuwde en keek verbijsterd naar het scherm. Lotte keek hem aan, klopte hem op zijn rug en vroeg: “Wat is er?”
“Dat is verdomme Ans, mijn vrouw. Ik dacht dat ze naar de plattelandsvrouwen was. Dit pik ik niet.”

 

Meander

 

Meer verhalen om in de war van te raken? Klik dan op Dating via Facebook en dan?” of klik anders op “Vrijen in een tent.”

Overgeleverd aan de Overheid

Overgeleverd aan de Overheid

Groningers worden overgeleverd aan de willekeur, grillen en belangen van de overheid. Het wijzigen van de mijnbouwwet heeft maar één doel, het uitschakelen van de privaatrechter.

Als het kabinet zijn zin krijgt, wordt aan alle Groningers met aardbevingsschade definitief een kans op onafhankelijk recht ontnomen. Nu de gaswinning mogelijk op een eind loopt en in 2030 waarschijnlijk naar nul gaat, maar de schade nog jaren en jaren door zal gaan, wil de overheid af van het recht van de Groningers om hun schade te claimen bij de privaatrechter. Waarom? Dat is een goede vraag. Waarom zou de overheid dat willen?

De successen van bijvoorbeeld Leny en Hiltje Zwarberg, of de familie Ubels-Heite, zijn te danken aan het privaat recht. In het geval van Leny en Hiltje Zwarberg gaat het om duidelijke uitspraken van de rechter die evenzo kunnen gelden voor alle anderen. Met of zonder omgekeerde bewijslast is het evident dat wie schade veroorzaakt, die schade moet vergoeden. In het geval van de familie Ubels-Heite heeft het privaatrecht en de op grond daarvan veroorzaakte druk op de NAM geleid tot een schikking. Een schikking, mede gebaseerd op de wens van Albert Ubels en Annemarie Heite om hun leven terug te willen. En er zijn veel meer individuele en collectieve successen.

Waarom wil de overheid er dan vanaf? De overheid wil er vanaf, omdat scheiding der machten via het privaatrecht het beste tot uiting komt en de overheid geen invloed heeft op de uitspraken van de privaatrechter, tenzij ze de wet verandert. En dat is nu precies wat de regering wil. De wet veranderen, omdat de schadevergoedingen en versterkingen kunnen oplopen tot “ongewenst” hoge bedragen en de regering weinig instrumenten heeft om dat te voorkomen.
Na ruim 50 jaar gaswinning en bijna 300 miljard euro baten voor de rijksoverheid, wil de regering de versterking en schadevergoeding regelen via het publiek recht en op die manier beperken.

Er zijn mensen, zelfs deskundigen, die dat een goede weg vinden. Dat de overheid sinds augustus 2012 (aardbeving Huizinge) nauwelijks iets teweeg heeft gebracht, geen enkele afspraak over versterking van woningen heeft gehaald (bij lange na niet), wachtlijsten niet weg heeft kunnen werken en er van enige voortgang of versnelling geen sprake is, is de voorstanders van een publieke regeling ontgaan. Zij beroepen zich op het regelmatig gepresenteerde goede nieuws dat vervolgens in de praktijk weliswaar tot niets leidt, maar daar verdiepen ze zich niet. Ze nemen niet waar dat het aan uitvoering schort.

Alle oude schadegevallen moeten worden afgehandeld, maar dat gaat niet snel genoeg vindt minister Wiebes. Vanwaar die haast? Vanwaar de intimiderende druk die de NAM toepast? Het antwoord is simpel. Lopende zaken vallen niet onder een gewijzigde wet. Hetgeen nogmaals aantoont dat het wijzigen van de wet geen ander doel heeft dan de kosten van herstel en versterking te beperken.

De heer Wiebes (minister van Economische Zaken) heeft veel, heel veel beloofd, maar er is helemaal niets van gerealiseerd tot op heden en het lijkt er niet op dat zijn beloftes waar zullen worden gemaakt. Een van die beloftes is volstrekte onafhankelijkheid, hetgeen bij een publieke behandeling van de schademeldingen en versterkingen niet met droge ogen kan worden volgehouden. In de praktijk blijkt dat de NAM, die zich nergens meer mee mag bemoeien behalve met gaswinning, zich overal mee bemoeit en altijd ten nadele van de slachtoffers van de gaswinning in Groningen. Men is niet in staat om de benodigde versterking te organiseren en derhalve wordt de onafhankelijkheid uit het raam gegooid door adviseurs die met de NAM samenwerkten, of medewerkers van het CVW in te schakelen. Ondertussen wil men van de contra-expertise af.

Op een gehaaide manier worden de Groningers weer in het pak genaaid door een volgende minister en de door hem aangestelde, ja-knikkende paladijnen. Maatschappelijke organisaties die formeel niemand vertegenwoordigen en democratisch niet controleerbaar zijn, maar om onbegrijpelijke redenen altijd weer meegaan met de rijksoverheid, worden gebruikt als legitimatie. Bestuurders van diverse gremia lopen mee en worden beloond met een pot geld van 1,15 miljard euro die kan worden besteed aan overigens belangrijke projecten voor Groningen.

Henk Kamp zei al tegen de benadeelde Groningers en tegen de Tweede Kamer dat een gang naar de rechter moest worden voorkomen (Follow The Money; 3 augustus 2016). De mogelijkheid tot een gang naar de rechter werd gebruuskeerd, hetgeen geheel in strijd is met de uitgangspunten van ons recht. De overheid dient de toegang tot de rechter te bevorderen en niet te belemmeren. De verzekeraars willen Groningers die nog geen rechtsbijstandsverzekering hebben, nog steeds niet verzekeren. Zelfs de provincie Groningen is niet bereid om een fonds ter beschikking te stellen voor mensen die wel willen/moeten procederen, maar dat niet kunnen betalen.

Er is maar een weg om te winnen voor de Groningers en dat is de gang naar de privaat rechter, ongeacht een wetswijziging. Het selectief, regionaal uitschakelen van die delen van het Burgerlijk Wetboek die over schadevergoeding gaan, is in strijd met gelijke behandeling. Het is aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer om de foute (gelegenheids) wijzigingen van de Mijnbouwwet te voorkomen.

De regering kan en zal er alles aan doen om te voorkomen dat de begroting te zwaar wordt belast met consequenties van fouten uit het verleden en het heden. Die rekening wordt bij de Groningers neergelegd. Geld is belangrijker geworden dan recht en gelijkberechtiging. De trias politica wordt sluipend afgebroken en de Groningers worden overgeleverd aan de overheid, zonder enige zekerheid.

 

 

Meander

“Overgeleverd aan de Overheid”: © Meander; Almere; 3 november 2018.
Ultieme Liefde

Ultieme Liefde

Ze keek naar buiten vanuit haar riante appartement op de begane grond van de voorste van een drietal flats aan het water, wachtend op het vervolg van het gesprek met de schrijver over “Almere Mijn Thuis” voor Suburbia.
Louise Gregoire was gelukkig in en met haar woning. Uitzicht over het IJmeer, een strandje aan de achterkant, talloze konijntjes in het gras en stilte. Een rustplek in haar huidige bestaan al hield ze er niet van om langer dan een dag alleen te zijn.
Ze was een uur geleden thuis gekomen van de golfbaan, waar ze haar mannetje stond, of… moet je tegenwoordig vrouwtje of mensje zeggen? Omdat het haar te lang duurde tot de schrijver arriveerde, liep ze naar buiten om te kijken waar hij bleef.

De schrijver kwam en keek naar Louise die hem stond op te wachten. Hij had haar een week eerder al gesproken.
Fragiel en sterk, kwetsbaar, maar hard voor zichzelf. Verdriet en blijdschap ineen. Een mooie vrouw met een impressief, getekend gelaat. Tekening, niet van ouderdom, maar door levenservaring en een voortdurend actief leven. De witte, af en toe zacht dansende haren, bekroonden haar karaktervolle gezicht. Louise’s blik zei genoeg. Ze wilde praten, vertellen, delen en meedoen.
De charmante tongval van de tachtigjarige Zuid-Limburgse en haar zorgzame gedrag droegen er toe bij dat de verteller niet anders kon dan vanaf het eerste moment van haar houden. Wat een mooi, lief en bijzonder mens.

Ultieme
Dans

Ze liepen naar binnen.
“Wil je koffie, thee of iets anders?” vroeg Louise.
“Thee, alsjeblieft”, was zijn antwoord.
Louise liep naar de keuken.
De schrijver keek om zich heen. Hij zag stilistische, abstracte beelden en enkele schilderijen die Louise had gemaakt. Geduld en intensiteit spraken uit de verschillende werken.

Louise kwam met twee bekers naar de keukentafel. De bekers waren gevuld met heet water en een theezakje. Toen ze vond dat de thee sterk genoeg was, probeerde ze met haar zogenaamde vuurvaste vingers de theezakjes er uit te wippen. Eentje stribbelde meermaals tegen, dus daar kwam na een aantal vergeefse pogingen een lepeltje aan te pas.

Het gesprek dat ze voerden was niet alleen in tekst, maar ook in vorm en interactie een vervolg op het eerste gesprek. Ze hadden elkaar zoveel te vertellen en de ontmoeting bleek veel meer te zijn dan een interview voor een goed verhaal. Het gesprek golfde op en neer en ze sprongen van de hak op de tak, maar een verhaal was het en een verhaal werd het.

Louise is een meisje uit Geleen, geboren in 1938, vlak voor de oorlog. Via vele omzwervingen kwam ze met haar man in Almere terecht. Omzwervingen die vanaf 1977 te typeren zijn met de quote “Het bier achterna”, maar dan anders dan de lezer wellicht in eerste instantie zou denken.
Louise vertelde dat ze sinds 2001 in dit appartement woonde. In 1994 was ze met Peter, haar man, naar Almere verhuisd, omdat hij een internationale functie kreeg bij Heineken en derhalve vaak vanaf Schiphol naar ergens in Europa moest vliegen om brouwerijen te bezoeken.
Ze gingen in de Stedenwijk van Almere wonen. Helaas overleed Peter op jonge leeftijd in 1998. Ze woonden toen drie-en-een-half jaar in Almere. Na nog eens drie-en-een-half jaar verkocht Louise het huis in de Stedenwijk en verhuisde naar het comfortabele appartement vlakbij jachthaven Marina Muiderzand.

Ultieme
Staatsmijn Maurits

Peter werkte vanaf zijn vijftiende ondergronds in Staatsmijn Mauritste Lutterade. Van meet af aan doorliep hij cursussen om hogerop te komen. Hij voldeed zijn dienstplicht als marinier en keerde daarna terug naar Staatsmijn Maurits
In 1964 leerden Louise en Peter elkaar kennen tijdens een autorally. Exact een jaar later werd er getrouwd. Louise werkte toen in een boekhandel in Geleen. Omdat ze in haar ogen niet snel genoeg zwanger werd, begon ze aan een opleiding voor schoonheidsspecialiste.

In 1967 werd Peter opzichter in de Staatsmijn, maar in dat zelfde jaar werd Staatsmijn Maurits als eerste mijn gesloten, tot grote opluchting van Louise.
Na de sluiting van de mijn kreeg Peter het aanbod van Staatsmijnen om werktuigbouwkunde te gaan studeren aan de HTS. Een kans die hij met beide handen aangreep. In die tijd woonden ze in Geleen. De omscholing duurde twee jaar. Het beviel Peter zo goed dat hij naar de TH in Eindhoven ging om verder te studeren. Louise opende in die tijd haar schoonheidssalon in Geleen. De opleiding tot schoonheidsspecialiste was zo effectief dat ze zwanger werd. In 1970 werd hun zoon geboren.

Het stel verhuisde in 1973 naar Brummen. Toen Peter anderhalf jaar later een baan kreeg in Emmen, verhuisden ze naar het Drentse Borger. De schoonheidssalon werd eerst voortgezet in Brummen en daarna in Borger. In Geleen liep de salon als een tierelier, maar in Brummen en Borger kwam die niet echt van de grond. Toen Louise veel later in Nigeria de enorme verschillen zag tussen de weelde van de salon en de armoede daar, besloot ze definitief te stoppen met haar werk als schoonheidsspecialiste. Niet dat daardoor iets veranderde, maar voor haar gevoel vond ze dat het niet klopte.

In 1977 kreeg Peter een betrekking bij Heineken. Zo begon een tijd waarin het stel dan weer hier en dan weer daar woonde. Na Borger woonden ze eerst in Lagos de hoofdstad van Nigeria en vervolgens in Odoorn, Helvoirt, Burlington (Canada), Singapore en Noordwijk. Zeventien jaar later, vanaf september 1994 woonden ze in Almere.
Hun reislust werd door al deze avonturen gestimuleerd en ze bezochten in hun vakanties zo’n veertig landen over de gehele wereld. Louise is ook na 1998 nog vaak op reis gegaan, zoals naar Antarctica, wat een heilzame vakantie was voor geest en lichaam.

“Peter is veel te vroeg overleden”, zei Louise tegen de schrijver. Het verdriet en het gemis sloegen diepe wonden en lieten voelbare littekens na. Nog steeds, zoals meermaals blijkt uit haar woorden.
Louise zei: “Hij was de perfecte man voor mij.” In die ene zin en in de manier waarop ze het vertelde, proefde je het gemis, maar ook onnodige bescheidenheid, alsof zij minder perfect was geweest voor hem, maar dat kon geenszins het geval zijn geweest als je de foto’s zag in het boek dat ze speciaal voor hun enige zoon over haar man heeft geschreven.
Louise’s zoon woont met zijn vrouw en met Louise’s kleinzoon in New York. Ze ziet hen niet vaak, vindt dat een groot gemis, maar gunt hen hun bijzondere leven van harte.

Vanaf 1998, het jaar waarin Peter overleed, was Louise zeer uithuizig. Ze kon haar draai in haar eentje niet vinden. Toen ze in 2000 in Antarctica was, kwamen de emoties terug die ze tijdens Peters laatste jaar in een denkbeeldige kast had gestopt. Vanaf dat moment begon ze meer en meer haar weg te vinden in Almere. Dankzij nieuwe vrienden in Almere ontdekte ze Eindig Laagland, Aldichter en het vrijwilligerswerk in Almere. Deze activiteiten en de aanloop naar het nog te bouwen appartement hielpen haar om haar leven opnieuw in te richten.

Louise werd steeds actiever in Almere, vooral nadat ze in 2003 in contact was gekomen met woonzorgcentrum Archipelin de Literatuurwijk. Men had haar gevraagd om eens per week de krant voor te lezen, maar na de eerste keer had ze de “luisteraars” gevraagd of ze het wel zinvol vonden, omdat al dat nieuws al op televisie was geweest. Ze stelde voor om samen te zingen en zo ontstond een koor van ouderen die in de Archipel woonden. Na acht jaar wilde ze wat anders en anderen zetten het koor voort. In de Archipel zingen ze nog steeds, bijna iedere vrijdag.

Ultieme
 Strijder (Louise Gregoire)

In  2000 vroeg iemand van Waterlandse tuinen of enkele van haar beelden geëxposeerd mochten worden. Ze had geen idee hoe ze bij haar terecht waren gekomen en dat weet ze nog steeds niet. Toen de expositie werd geopend bleken tot haar verrassing gedichten van de Almeerse kunstenaar Hein Walterbij haar beelden te staan. Zo ontstond een vriendschap voor het leven tussen deze twee, cultuurlievende Almeerders.

Hein Walter vroeg haar voor verschillende projecten als vrijwilliger, zowel in Almere als in andere steden. Het paste Louise uitstekend, omdat ze al vanaf haar vijfendertigste vrijwilligerswerk deed.
In 2009 werd ze op verzoek van Hein Walter secretaris van de stichting Zijderups3, omdat er een stichting met een bestuur nodig was om subsidie en andere middelen te verkrijgen. Middelen, die in combinatie met vele uren vrijwilligerswerk, werden besteed om talloze ouderen te activeren creatief bezig te zijn en kunst te maken. Het accent lag daarbij op het begeleiden en activeren van dementerende ouderen. De functie van secretaris was voor Louise niet genoeg, daarom is ze ook als vrijwilliger actief voor projecten van Zijderups.

Naast haar culturele vrijwilligerswerk vult deze Duracell-grootmoeder en bevlogen kunstenares haar dagen met fietsen, golf, piano spelen, bridge, zwemmen, Tai Chi, lezen en vrijwilligerswerk voor onder andere Vis à Vis. Louise is lid van het Grootkoor Amsterdam dat optreedt in het Concertgebouw te Amsterdam. Vervelen doet ze zich zeker niet.
Vanaf 2000 heeft Louise gaandeweg van Almere haar thuis gemaakt en is ze een echte Almeerse geworden.

Ultieme
Louise Gregoire

De klaterende waterval aan liefde die ze betoont aan haar man Peter tijdens het gesprek, maakten het de schrijver af en toe knap moeilijk. Hij las een tweetal stukken uit het boek over Peter. Het boek dat Louise schreef voor haar zoon. In het laatste hoofdstuk vertelde ze haar zoon waarom ze het voor hem geschreven had.
De schrijver moest meer dan eens slikken en voelde de eerlijke emotie aan de andere kant van de tafel.

                                                                      Louise Gregoire, een Almeerse met een mengeling van uitersten, die het ene moment samen-smelten om vervolgens afzonderlijk en expressief naar voren te komen. Ze is vrolijk, actief en positief, maar heeft soms oprecht intens verdriet. Verdriet dat er mag zijn, want ze mist Peter. De manier waarop Louise dat doet en beleeft, is een onvoorwaardelijke en hartstochtelijke uiting van ultieme liefde.

 

Meander

“Ultieme Liefde”: © Meander; Almere; 13 mei 2018.

Voetnoten:

1  Staatsmijn Maurits: https://nl.wikipedia.org/wiki/Staatsmijn_Maurits 
2  Hein Walter: https://www.facebook.com/hein.walter
3  Stichting Zijderups: http://www.dezijderups.nl
4  Woonzorgcentrum Archipel: https://www.zorggroep-almere.nl/woonzorgcentrum/archipel/

Foto’s:
Fragment Dans; schilderij van Louise Gregoire: foto Meander
Dans; schilderij van Louise Gregoire: foto Meander
Staatsmijn Maurits: Internet; Wikipedia
Strijder; beeld van Louise Gregoire: foto Meander
Louise Gregoire: foto Meander.

“Ultieme Liefde” is het verhaal van Louise en Peter, verteld door Louise Gregoire.

Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Voor Altijd Thuis

Voor Altijd Thuis

Gearmd schuifelden ze, als in slow motion, naar de ronde tafel bij de grote, glazen pui. Hij ondersteunde haar, terwijl zij aan haar linkerzijde steun vond op een fraai gesneden, zwarte wandelstok. Aangekomen bij de tafel liet hij haar voorzichtig los. Ze leunde nog iets steviger op haar wandelstok, terwijl hij een stoel naar achteren trok. Hij hielp haar om te gaan zitten. Toen ze zat, schoof hij de stoel aan, zodat ze dicht bij de tafel zat, maar hij was niet tevreden.
De man liep langs verschillende tafels en keek op alle stoelen. Hij zocht iets. Een behulpzame gast vroeg hem twee keer wat hij zocht, maar de afstand was te groot om zijn kennelijke doofheid te overbruggen. Zijn vrouw hoorde het wel en zei vrij luid: “Die meneer vroeg wat je zocht.”
De man die wilde helpen, liep naar de zoekende man en vroeg nogmaals wat hij zocht.
“Een kussen voor mijn vrouw, want die stoel is te hard”, zei de oude, nurks kijkende man met een knorrige ondertoon.

De gast die wilde helpen, ging op zoek naar een kussen. Toen hij die niet kon vinden, vroeg hij een van de medewerkers van het restaurant of zij een kussen hadden voor op een stoel. Even later bracht een jonge bediende een bruin kussen dat qua kleur bij de stoelen en wonderwel precies bij de kleding van de oude man paste. De oude vrouw was het meisje dankbaar voor het kussen. Van onder haar dunne, sluike, grijze haar straalden een paar stille, starende ogen, gelaten tevredenheid uit. Ze legde haar hand even op de hand van het meisje. De kennelijk onervaren jongedame liep zonder verder iets te vragen weg. De oude man wilde haar terugroepen, maar bedacht zich.

De man was vermoedelijk ver in de tachtig. Hij had wit, doorschijnend haar en een ernstig en doorleefd gezicht. Onrustig en schijnbaar misnoegd keek hij door zijn goudkleurige, grootglazige bril. Hij droeg een donkerbeige broek met daarop een bruinzwart gestreepte trui. Brede en dunne strepen op de trui wisselden elkaar af. De linkerkraag van een lichtbruin overhemd kwam onder zijn trui uit. Hij stond moeizaam op om te kijken waar de bediening bleef, struikelde bijna over een stoel, maar vond net op tijd steun. Hij verbeet de pijn en zei niets, in de valse hoop dat zijn vrouw het niet had gemerkt. Zijn bril is misschien niet zo goed meer als zou moeten, dacht zijn vrouw. Af en toe spraken de man en de vrouw met elkaar, maar het merendeel van de tijd was het stil.

Een andere bediende dan die het kussen had gehaald, kwam naar hun tafel en vroeg of ze iets wilden drinken. De oude man zei bits: “We willen iets eten. Kunt u de kaart brengen?”
Ze antwoordde: “Natuurlijk meneer, die zal ik zo brengen. Wilt u alvast iets drinken?”
“Nee”, zei de man, zonder zijn vrouw iets te vragen. “Ik wil eerst de kaart.”
De verbouwereerde, bediende liep weg om menukaarten te halen.

De vrouw begon over het ziekbed van haar schoonzus. Die had MS en was zienderogen achteruit gegaan. “Ik denk niet dat ze nog lang heeft”, zei de vrouw. Haar man dacht er anders over en probeerde over iets anders te praten, maar zij hield vol en was van mening dat het beter was voor haar schoonzus als het was afgelopen. Haar man zweeg, omdat het de beste manier was om haar te weerhouden er over door te gaan, maar het liep anders dan hij had gehoopt.
“Heb je ons graf al geregeld?”, vroeg ze ineens.
Hij draaide zich van haar af, keek naar buiten en zei: “Al meer dan tien jaar geleden.” Hij zuchtte en zei er zacht achteraan: “Je hebt het al honderd keer gevraagd.”
“Fijn”, zei ze, zonder op zijn zacht uitgesproken verwijt in te gaan.
Hij had dat laatste beter niet kunnen zeggen, dacht hij, want hij kon het haar niet kwalijk nemen. Almere zou voor altijd hun thuis zijn, ook als ze er niet meer waren.

De vrouwelijke bediende bracht de menukaarten en vroeg of ze nu wel iets wilden drinken.
De man zei nogmaals: “Nee, ik wil eerst de kaart bekijken.”
Zijn vrouw zei dat ze wel een kopje thee wilde. “Verse muntthee”, zei ze. “Dat drink ik altijd met mijn kleinzoon.”
De man zuchtte weer, nu opzichtig en keek zonder nog iets te zeggen op de menukaart. De groeven boven zijn wenkbrauwen leken iets dieper te worden.

Toen de bediende was vertrokken, vervolgde de vrouw het gesprek over het ziekbed van haar schoonzus. Even later vroeg ze haar man of hij vond dat je beter plotseling kon overlijden, of dat het beter was om zo lang mogelijk te blijven leven, ook als je veel pijn had. De man zei dat hij nu niet over euthanasie wilde praten, al had ze dat helemaal niet genoemd.
De vrouw had zo nu en dan moeite met spreken. De woorden kwamen er dan hortend en stotend uit, terwijl je op andere momenten niets merkte van de sluipende en slopende ziekte waar ze aan leed. Ze zei: “Ik hoef geen euthanasie. Ik wacht wel tot het zover is.” De man knikte, deed nogmaals zijn best om van onderwerp te veranderen en begon daarom over de kleinkinderen.

De bediende kwam de thee brengen en een mandje met breekbrood, aioli, kruidenboter en tapenade. Ze legde voor beiden een hoesje neer met bestek en een papieren servetje en ze vroeg of ze al iets hadden gevonden.
“Gevonden?”, vroeg de man. “Ik ben niets kwijt.”
“Weet u al wat u wilt eten, bedoel ik”, vroeg de bediende.
“Wat heb je buiten de kaart?”, vroeg de man.
“Sliptong, met garnalen”, zei ze.
De man zei: “Doe ons die tong met garnalen maar en maak er wat moois van met lekkere sausjes.”
“Ik niet hoor”, zei de vrouw. “Ik wil gebakken zalm met asperges.”
“O. Nou, prima”, zei de man, die altijd gewend was geweest leiding te geven, behalve aan zijn vrouw. “Ik wil graag een mooie witte wijn er bij. Wat heb je.”
“Een Riesling, meneer?”, vroeg de jonge vrouw onzeker.
“Heb je niets anders? Een Chardonnay?”
“Die hebben we. Wilt u een glas, of een fles?”
“Voor mij en voor mijn vrouw een glas Chardonnay. Toch?” Hij keek zijn vrouw aan, maar die reageerde niet. De bediende vertrok en het was weer een tijdje stil.

De man pakte het brood, scheurde er hoofdschuddend een stuk af en probeerde het open te snijden met het botermesje dat er bij lag. “Wat een stom brood en dat mesje is ook niks”, zei hij. “Een echt mes is beter.” Hij voegde de daad bij het woord en pakte het mes uit het hoesje. Hij vroeg zijn vrouw wat ze op haar broodje wilde. Ze wilde wel een broodje met tapenade. Hij smeerde tapenade op een bruin stukje breekbrood en gaf het haar, waarna hij voor zichzelf een broodje met kruidenboter maakte.

Ze waren al lang, heel lang bij elkaar. Meer dan zestig jaar. Ze kenden elkaar van de lagere school met de Bijbel. Later hadden ze verkering gehad met verschillende partners en twee keer met elkaar. Toen zij die tweede keer onbedoeld van hem in verwachting raakte, waren ze getrouwd en ontstond in de loop der jaren hun liefde voor elkaar.
Hij had bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders gewerkt als ingenieur voor de ontwikkeling van Almere en voelde zich een echte Almeremaker. Iemand die decennialang verantwoordelijk was geweest voor de ontwikkeling van de stad waar ze woonden. Zij was verpleegster geweest en had in verschillende ziekenhuizen gewerkt.

De man sprak vooral over dingen waaraan hij zich ergerde. Zij luisterde, maar of ze begreep of wilde begrijpen wat hij zei, was maar al te zeer de vraag.
Hij klaagde over hun te grote huis. Zij zei iets over een schilderij dat hij eens van zolder had gehaald. Hij begreep haar niet en praatte verder over de te grote zolder met al die spullen die ze niet meer nodig hadden. Over de kamers in het huis die niet meer werden gebruikt, want kinderen en kleinkinderen kwamen wel langs, maar bleven niet meer overnachten.
“Wat een mooi mes”, zei de vrouw opeens. Er volgde een minuten durend gesprek over het mes en over goede en slechte messen. Een gesprek dat verzandde in een lange stilte. De stiltes die regelmatig vielen waren adembenemend. Soms keek hij langdurig naar buiten en keek zij voor zich uit in een niet te bevatten verte. Hij probeerde op zijn manier te doen alsof alles met haar nog zo was als vroeger, omdat hij dat graag wilde.

De ergernis van de man nam toe. Hij vond dat het te lang duurde voor het eten kwam en zei dat tegen zijn vrouw. Zijn vrouw zei: “Het zijn hoofdgerechten. Dat duurt langer.” Hij ging er niet op in, stond twijfelend op en ging even later weer zitten.
Zijn vrouw begon nogmaals over het mes en over de kleur van het bord. Een wit bord. Vervolgens zei ze: “Je hoort niets van die mensen.”
“Altijd hetzelfde”, zei hij. Het was niet duidelijk wie die mensen waren. Zijn irritatie nam zichtbaar toe. Zijn gezicht werd steeds roder. “Niemand komt zijn afspraken nog na en de bediening hier is trouwens ook waardeloos.”
“Ik vind het raar dat we niet teruggebeld zijn door de oogkliniek”, zei ze.
Hij snoof en het was weer even stil, maar niet voor lang.
“Ze zullen het wel vergeten zijn”, zei hij mompelend.
“Wat zeg je?”, vroeg ze. “Is de oogkliniek het vergeten?”
Hij antwoordde niet, maar stond op en liep vol ongeduld weg om te gaan vragen waar het eten bleef.
De vrouw keek om haar heen, haar handen over elkaar gelegd op de tafel. Er kwam een schip de haven ingevaren. Ze zwaaide naar de opvarenden, maar die zagen haar niet, omdat het getinte glas naar binnen kijken voorkwam.

Na enkele minuten kwam de man terug. Omdat hij niet direct geholpen werd, was hij naar het toilet gegaan.
“Nu ga ik er voor zitten”, zei hij stug en verbolgen.
“De bomen zijn nog kaal”, zei zijn vrouw.
De man zei: “Als het nog lang duurt, gaan we weg.”
“Vind jij die bomen niet kaal?”, vroeg ze. “Het is al mei.”
“Het is februari”, zei hij. “Ik ben dit niet gewend, moet ik zeggen. Drie kwartier wachten voordat ik iets te eten krijg, dat vind ik te lang.”
Ze zei niets terug. Drie kwartier dacht ze. Zijn we hier al zo lang?

Een bediende kwam het eten brengen. Hij zette de borden op tafel en vertelde in een rap en onnavolgbaar tempo wat er op de borden lag. De oude man stak zijn hand op en somde traag en belerend op wat ze besteld hadden. Hij vroeg de jongeman of het klopte. Die bevestigde de opsomming van de man, draaide zich om en liep glimlachend weg. Even later bracht hij de wijn.

Ze begonnen aan hun lunch. Het geluid van bestek dat op borden tikte, verdrong het gesprek van het echtpaar niet.
“Ik zie geen garnalen”, zei de man. “Wat een hoop groen zeg. Dat heb ik toch niet besteld. Ik vind het helemaal niks.”
Zij vond het lekker. “Heerlijk die zalm”, zei ze.
De man keek stuurs om zich heen. Met lichte agressie sneed hij het groen op zijn bord, opdat hij het met zijn kunstgebit kon verwerken. Meer dan de helft van de door rucola overheerste salade en groente schoof hij opzij. Hij at, maar genoot er niet van en liet dat blijken. Hij zei met volle mond: “Die vis is hartstikke koud.”
“Wat zeg je?”, vroeg zijn vrouw.
“Dat die vis steenkoud is”, was zijn wrevelige antwoord, waarvan hij onmiddellijk spijt had, want wat kon zij er aan doen?
Ze vroeg: “Wil je een stuk van mij? De zalm is warm.”
Hij schudde zijn hoofd en mopperde verder. “Wat zijn die kleine stukkies toch? Tomaat? Zo doe je dat toch niet?” Daarna was het een tijdje stil en aten ze in schijnbare rust. Zij genoot en hij? Hij at met lange tanden, of deed voorkomen alsof dat zo was. Het was soms net een bewegend stilleven met scherpe, bij elkaar passende contrasten.

De man dacht aan de keren de afgelopen maanden dat hij druk op zijn borst en pijn in zijn linkerarm had gevoeld, maar zoals altijd zweeg hij er over. Hij at gehaast tot alles op was, behalve meer dan de helft van de groente en de sla, want die wilde hij niet. Zij was nog niet uitgegeten en gelet op het tempo waarmee ze at, zou het nog wel even duren voor het zover was. Zijn misnoegen nam derhalve de ruimte die zo ontstond en hij vatte dat ongenoegen op streng oordelende toon samen: “De vis was veel te koud en ik had teveel groen. Twee zielige garnaaltjes heb ik kunnen vinden, meer niet. Echt, het is beneden alle peil. Waar-de-loos.”
Zijn repetitieve gejeremieer leek zijn vrouw niet meer te bereiken. Ze at haar bord leeg, zat enige tijd met gesloten ogen na te genieten en was helemaal in haar eigen hier en nu.

“Wil jij nog wat hebben?”, vroeg ze haar echtgenoot vijf minuten later.
“Neuh.”
“Ik wil die coquilles nog wel”, zei ze.
“Veel te duur”, bromde hij, ondanks het feit dat ze niet op een dubbeltje hoefden te kijken.
“Doe dan mee”, zei ze.
“Nee die coquilles kosten zeventien euro. Zonde van het geld voor zo’n klein beetje eten.”
Als ze de coquilles echt wilde, kreeg ze die wel, maar ze hield er over op, pakte haar glas en nam langzaam twee slokjes van de wijn.

De vrouw die hen de menukaart had gebracht, kwam kijken en zag dat ze klaar waren met eten.
“Heeft het gesmaakt?”, vroeg ze.
“Nee!”, zei de man.
“Ik vond het heel lekker”, zei zijn vrouw.
De man zei: “Dat veel te kleine stukje vis was koud. Dat kwam natuurlijk, omdat het veel te lang duurde voor het eten werd gebracht.” De twee zielige garnaaltjes en het overdadige groen passeerden wederom de revue.
“Vervelend”, zei de bediende. “Ik zal de chef even roepen.” Ze pakte de borden met het bestek en het broodmandje. Terwijl ze wegliep zei ze iets te luid: “Elke zondag wat. Al dat gezeur.” Het was een onprofessionele reactie en het was maar goed dat de oude man het niet hoorde.

De vrouw veegde de tafel met haar hand schoon. Ze keek naar haar man, maar nam ogenschijnlijk niet waar wat onmiskenbaar zichtbaar was. Hij was woedend, maar waarop en waarom? Kon hij zijn echte boosheid niet kwijt en was de onmacht hem de baas geworden? Het restaurant leek daarvan het slachtoffer te worden.
“Lekkere wijn, hè”, zei zijn vrouw.
“Mag ook wel voor zes euro”, zei hij.

De eigenaar kwam naar hun tafel en bood zijn excuses aan. “Ze hadden de sliptong later moeten klaarmaken, of warm moeten houden”, zei hij. De oude man draaide het refrein van de koude vis, de twee zielige garnaaltjes en de berg groen weer af. Hij voegde de in zijn ogen keiharde boter er aan toe en het feit dat ze in een bijna leeg restaurant drie kwartier hadden moeten wachten op hun eten. De eigenaar probeerde het nog een keer uit te leggen, maar kreeg weinig kans, want de oude man legde hem uit hoe ze hun werk zouden moeten doen.
Om er vanaf te zijn en omdat de oude man niet geheel ongelijk had, stelde de eigenaar voor om het eten van de man van de rekening te halen en hen een kopje koffie van de zaak aan te bieden.
“Niks er van. We betalen gewoon. Ik heb het immers opgegeten”, zei de man opeens vriendelijk. Hij stond op en gaf de eigenaar een hand. Blijkbaar was het de moeite waard om te betalen nu hij zijn gram had gehaald. De oude man zei tot verbazing van de eigenaar: “Rond de rekening maar af op vijfenzestig euro. De wijn was uitstekend.”
De eigenaar liep beduusd weg om de rekening te halen.

De man keek naar zijn vrouw vroeg: “Waarom kijk je zo naar me?”
Ze glimlachte, maar zei niets.
Hij vroeg: “Ben je boos op me?”
“Nee hoor”, zei ze.

De eigenaar kwam terug met de rekening en een pinapparaat, maar de oude man pakte zijn portefeuille. Hij betaalde contant en gepast de toegezegde vijfenzestig euro. Daarna stond hij op, hielp zijn vrouw om op te staan en pakte haar jas. Hij wilde haar in haar jas helpen, maar dat lukte niet. Ze zei een paar keer: “Nee, mijn arm zit er niet in.” De eigenaar van het restaurant schoot te hulp en even later had ze haar jas aan. Ze deden hun jas dicht. Hij met zijn shawl om zijn nek, gekruist over zijn borst onder de jas, zoals hem dat geleerd was. Zij draaide haar shawl drie keer nonchalant om haar nek over haar jas en pakte haar stok. Er verscheen zowaar een soort van glimlach op het gezicht van de man, toen hij naar zijn vrouw keek.

Het verdriet over het groeiende verlies van het contact met zijn vrouw, uitte zich op vele manieren deze middag. Hij wist dat het tij niet te keren was. Zij berustte in haar lot en leefde het leven zoals het kwam. Op heldere momenten was haar enige zorg dat hij straks achterbleef zonder haar. Hoe moest hij dan verder? Zijn angst was wellicht groter dan die van haar, want hij was er zich voortdurend ten volle bewust van. Als hij zou overlijden, hoe moest het dan met haar?

Hij ondersteunde haar toen ze naar buiten liepen, precies zoals ze gekomen waren.

 

Meander

“Voor altijd thuis”: © Meander; Almere; 25 februari 2018.

Foto’s / tekeningen:
Silhouet ouder echtpaar op bankje: Internet.

“Voor altijd thuis” is het verhaal over een ouder echtpaar, waargenomen en vastgelegd door Meander in een restaurant in Almere Haven. Ingekleurd met inschattingen van de observator. Auteur kent het echtpaar van begintijd Almere, maar in het verhaal blijven ze anoniem (privacy).
Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.

 

Ik ben en blijf een Sardijn

Ik ben en blijf een Sardijn

Tijdens mijn wandeling door het centrum van Almere Stad deze dinsdagmiddag, schijnt de zon met volle kracht. Ze heeft wat in te halen na ruim twee dagen overvloedige regenval. Twijfelend of ik ergens zal gaan zitten, kijk ik al slenterend om mij heen. Als ik langs de boekhandel loop, zie ik dat het gezellig druk is in Boek & Boon, het barista-achtige cafeetje dat sinds een jaar in de boekhandel gevestigd is. De zon schijnt uitbundig naar binnen, maar er zijn enkele plekken aan de grote tafel waar ik in de schaduw kan gaan zitten, hetgeen mijn voorkeur heeft. Ik loop naar binnen, wil plaats nemen, maar zie een oude bekende aan de andere kant van de tafel. Hij leest een populair Nederlands krantje. Ik geef hem een hand en schiet bijna automatisch in de Suburbiaverhalenmodus. Tijdens het handen schudden worden door ons geen namen genoemd. Hoe hij heet, weet ik niet meer, maar daar kom ik wel achter. Eerst maar eens vragen of hij mij wil vertellen over zijn geschiedenis met Almere en eens aan hem vragen of Almere zijn thuis is. We gaan tegenover elkaar zitten.

GavinoIk ken hem van de ijskar, de kiosk en het paviljoen Di Lago aan het strand van Almere Haven. Het is een aimabele, niet zo grote man, met keurig gekamd, witgrijs haar, een gemêleerd licht- en donkergrijze snor en donkergrijze, borstelige wenkbrauwen. Hij kijkt je bedaard aan, door of over zijn bril. Gavino Seddaiu heeft een lichte, Mediterrane teint, hetgeen vanzelfsprekend is voor iemand die op Sardinië is geboren.

Ondanks de warmte door de zon, die volop door de grote ramen op Gavino schijnt, is zijn blauwe blouse volledig dichtgeknoopt en draagt hij een warm grijs vest. Hij spreekt uitermate charmant Nederlands, vooral dankzij het fraaie accent dat hem verbindt met zijn roots.

Op zijn negentiende is Gavino vertrokken uit Alà dei Sardi1, een dorpje met bijna tweeduizend inwoners op zevenhonderd meter hoogte in het Noorden van Sardinië. Hij vertrok omdat hij werk zocht. Er was op Sardinië in die tijd weinig werk.
In die tijd had je, als minderjarige, nog een handtekening van je vader nodig om te mogen vertrekken naar het buitenland. Zijn vader had aarzelingen, maar werkte mee. Tot zijn eenentwintigste is hij ieder kwartaal naar de vreemdelingendienst gegaan om aan te tonen dat hij in Nederland was. Toen hij eenentwintig jaar was kreeg Gavino een onbeperkte verblijfsvergunning. Hij is nog altijd Italiaan en is nooit genaturaliseerd. Door de open grenzen binnen de Europese Unie is het nu niet meer nodig om van nationaliteit te veranderen.

Gavino
Alà dei Sardi (N 40.39.05 E 09.19.41)

In 1964 is hij met drie vrienden van Alà dei Sardi per schip en per trein naar Milaan vertrokken, omdat het werk in het buitenland vanuit Milaan geregeld werd. Hij vertelt dat ze in Milaan twee dagen moesten wachten, maar er werd onderdak voor hen geregeld en ze kregen zakgeld. Ze werden in Milaan gekeurd om in aanmerking te kunnen komen voor een contract in Nederland. Je moest jong zijn, ongetrouwd en gezond.
Vanuit Milaan reisden ze naar Nederland, omdat in Nederland een tekort aan arbeidskrachten bestond in die jaren. In Utrecht hoorden ze waar ze konden gaan werken. Gavino en zijn vrienden kwamen terecht in Enschede. Hij werkte een jaar in de textiel.
Gavino: “Na een jaar wilde ik wat anders, maar ik wist niet precies wat en teruggaan kon niet. Ik kon met vakantie naar huis, maar dan had ik iedere keer een speciaal stempel nodig als vakantieganger. Als ik dat stempel niet had, zou ik bij terugkomst op Sardinië worden opgepakt, om na enkele weken in de gevangenis te worden doorgestuurd voor de militaire dienstplicht. Vrienden van mij is dat overkomen, omdat ze dachten dat ze er mee weg konden komen.” We bestellen een cappuccino en een thee en wachten even tot het gebracht is.

“Na Enschede ben ik gaan varen”, zegt Gavino, “maar drie maanden later was ik nog steeds zeeziek en ben ik weer aan wal gestapt. Ik kwam in Amsterdam terecht en ging op straat op zoek naar werk. Af en toe had ik een baantje, maar steeds voor korte tijd. Eind 1966 had ik een gesprek voor een baan in het Amstel Hotel en tot mijn grote verbazing werd ik aangenomen. Ik moest onderaan beginnen, al had ik enige ervaring in de keuken, maar ik wist toen ik begon in het Amstel Hotel niet eens wat sperzieboontjes waren”, zegt Gavino lachend.
“Na zestien maanden was het weer tijd voor iets anders. Dankzij een prachtig getuigschrift met als titel Demi-Chef, kon ik daarna overal aan de slag.”

In 1968 kwam Gavino in dancing Femina op het Rembrandtplein zijn vrouw tegen. Ze was er met twee vriendinnen. De dames hadden een briefje van vijfentwintig gulden, maar dat was te groot om te kunnen betalen. De barman nam het niet aan. Gavino stelde voor dat hij het voor ze zou gaan wisselen. De dames vertrouwden Gavino, die ze nog nooit eerder hadden ontmoet, blindelings. Toen hij zich even later meldde met het gewisselde geld, was hij in hun ogen een betrouwbare gentleman. En met Hellij, een van de drie, is hij later getrouwd.

“Ik ging bij het Esso Motor hotel werken”, vertelt Gavino. “Tegenwoordig is dat het Holiday Inn vlakbij de Rai. Daar heb ik twee jaar gewerkt om vervolgens over te stappen naar het Okura hotel. De onderdirecteur van het Amstel Hotel was directeur van Okura geworden. Hij zei dat hij mij in de bediening wilde hebben. Na een jaartje Okura wilde ik toch iets anders en heb ik tien jaar in de bar gestaan van Arti et Amicitiea3. Dat was een bijzondere en boeiende tijd. Er kwamen veel bekende Nederlanders. Vooral schrijvers, zoals Harry Mulisch met zijn stinkpijp, maar ook journalisten, belangrijke zakenmensen en politici. Een bekend televisieprogramma uit die tijd, “Welingelichte Kringen”, werd er wekelijks opgenomen.”
Gavino lacht even en zegt: “Iedereen had een eigen rekening op zijn achternaam, maar ik kon die namen niet zo goed onthouden en moest steeds weer vragen hoe ze heetten. Sommigen vonden dat vervelend, maar de meeste mensen lachten er om en gaven hun naam nog eens op. Ze begrepen dat de namen voor mij niet altijd duidelijk waren.”

Ik vraag Gavino om te vertellen over de verhuizing in 1982 naar Almere.
Gavino zegt: “We woonden in Amsterdam Noord en mijn vrouw wilde graag naar Almere. We hadden een bescheiden portiekwoninkje aan de Wieringerwaardstraat in Amsterdam. In Almere was ruimte en waren er huizen met tuinen. De woningen waren er groter en goedkoper dan in Amsterdam. We wilden al veel eerder naar Almere, maar onze zoon zat nog op de basisschool.” Er wordt gevraagd of we nog iets willen drinken, maar we willen beiden even niets. omdat we te diep in het verhaal zitten.

“Toen we op zoek gingen naar een huis in Almere”, vervolgt Gavino, “bleek dat de wachtlijst erg lang was en het kon wel drie jaar duren voor we een woning kregen. In die tijd was Han Lammers landdrost van de Zuidelijke IJsselmeerpolders en daarmee min of meer de baas van Almere. Lammers was een regelmatige bezoeker van Arti et Amicitiea. Ik sprak Lammers aan bij de bar en vroeg hem waarom ik zolang op een woning moest wachten. Hij erkende het probleem, maar zei dat hij er niets aan kon doen. Een half uur later tikte hij op mijn schouder en vroeg mij een velletje papier en een pen. Hij schreef iets op en vouwde het briefje dicht. Daarna deed hij het in een enveloppe die hij dichtplakte. Ik mocht het niet lezen. Lammers zei dat ik met die brief naar gebouw Meeresteinmoest gaan in Almere Stad. De volgende dag gingen mijn vrouw en ik naar Meerestein en een week later hadden we een huis in de Bosgouw in Almere Haven.”

Gavino
Meerestein in Almere Stad. Het gebouw uit 1977 is al in 1998 gesloopt om plaats te maken voor het nieuwe winkelcentrum van Almere Stad.

Ik loop naar het barretje van Boek & Boon en bestel twee thee, want nu zijn we er wel aan toe. Als ik weer zit, gaat Gavino verder: “Eind 1982 nam ik ontslag bij Arti et Amicitiea. Na het overlijden van de voorzitter werd het bestuurlijk chaotisch en er was veel onduidelijkheid. Daar kon ik niet tegen. Ik besloot als zelfstandig ondernemer verder te gaan. Een beetje ondernemer was ik al, want ik had sinds eind jaren zestig een vergunning om ijs te verkopen op vaste standplaatsen in het centrum van Amsterdam. Ik stond in het Vondelpark, op het Leidseplein en andere drukke stekkies in de stad. Meer dan vijf weken per jaar ijs verkopen zat er niet in, maar je kon er in korte tijd goed mee verdienen. Ik heb het negentien jaar gedaan. Pas toen het werk in Almere uitbreidde ben ik met het ijsverkopen in Amsterdam gestopt.”

“Wanneer ben je begonnen bij het strand van Almere Haven?”, vraag ik Gavino.
Gavino: “In 1983 kreeg ik voor de zomermaanden een vergunning voor een ijskarretje bij het strand van Almere Haven. Niet veel later werd ik gebeld door een ambtenaar van de Rijksdienst voor de Zuidelijke IJsselmeerpolders (ZIJP). Ze zochten een ondernemer om een kiosk uit te baten aan het strand van Almere Haven. We hadden een paar gesprekken in een groot wit gebouw in Lelystad. Er waren wel dertig gegadigden, maar ze wilden mij hebben.

Gavino
Kiosk Di Lago met Gavino Seddaiu (rechts)

“In 1984 begon ik met de kiosk aan het strandje net buiten de dijk van Almere Haven. Ik verkocht frites, broodjes, drankjes zonder alcohol, koffie, thee en ijs. Het was nog geen vetpot, want in de koude maanden had ik geen werk. Gelukkig had mijn vrouw een baan.”
We worden afgeleid door de manager van de baristabar die geïnteresseerd meeluistert. We raken in gesprek over het schrijven van verhalen en boeken. Ik ga na enkele minuten snel verder met Gavino, want de boekhandel gaat bijna dicht.

“Soms leek er niets te kunnen, vanwege de regeltjes”, zegt Gavino, “maar als het er op aan kwam, kon er vrij veel. Tijdens de strenge winter van 1985 en 1986 kon er twee weken worden geschaatst op het water aan het strand van Almere Haven. Almere wilde zichzelf promoten en er werd veel aandacht aan besteed, maar ik moest de vele bezoekers die dat trok vaak teleurstellen, omdat ik geen alcohol mocht verkopen. De mensen wilden een drankje dat paste bij het schaatsen en hen de snijdende kou deed vergeten. Natuurlijk was er erwtensoep en warme chocomel, maar geen Berenburg, glühwein of Jägermeister. De gemeente Almere (sinds 1986 gemeente) wilde de vergunning niet aanpassen, ook niet voor een paar weken.”

Gavino drinkt zijn kopje leeg en zegt: “Er was al twee dagen geschaatst toen er een agent langs kwam. Hij vroeg hoe het ging. Ik zei dat het prima ging , maar dat veel mensen om Berenburg en Jägermeister vroegen en dat ik nee moest verkopen. De agent deed zijn hand voor zijn ogen met de vingers wijd open en zei: ‘Ach, gewoon doen. Het wordt toch niet gehandhaafd, in ieder geval niet door mij, want zeg nou zelf wat is een koek en zopie zonder Berenburg?’
Het is grappig om te horen dat nu, 33 jaar later, Gavino nog steeds met zijn Sardijnse-Italiaanse tongval “Koekje en Zoopie” zegt. Hij heeft het nog even kort over de Friese schaatscultuur, waarop ik hem een boek beloof over acht eeuwen schaatsen in en rond Amsterdam. Ik heb er nog een paar liggen.
“Wat de gemeente wel goed deed”, zegt Gavino, “is het aanleggen van verlichting voor de ijsbaan. Dat werd snel geregeld.”

We praten over de kiosk met het kleine overdekt terras, waar een walmende en stinkende petroleumkachel het vaste publiek van ongeveer vijftien mannen en vrouwen een achttal jaren verwarmde. Er werd in die tijd nogal gezond en stevig gedronken, volgens Gavino.
In 1992 kwam er grond bij in erfpacht en mocht de kiosk worden uitgebreid naar het huidige paviljoen. Het paviljoen kreeg de naam Di Lago, wat ongeveer ‘van het meer’ betekent, omdat Gavino het woord “Di” beter vond klinken.
Gavino heeft spijt dat hij niet direct een groter paviljoen heeft gerealiseerd, want dat mocht. Hij had toen onvoldoende geld en leningen waren duur. Later had het ook nog gekund, maar het is er nooit van gekomen.

Di Lago bood Gavino de gelegenheid om langer open te zijn en met een volledige vergunning nam de omzet flink toe. Het draaide vanaf het begin goed. Door evenementen van de gemeente, het stoomfestival en de triatlon waren er dagen bij dat een halve maandomzet werd gedraaid. Het paviljoen werd steeds vaker gebruikt voor feesten en partijen, met de gemeente Almere en Almeerse bedrijven als belangrijke klanten.

Soms ging het mis, zoals in die ene zomer, toen op een dag niet ver van Di Lago een grote zeecontainer werd geplaatst. Bij navraag bleek dat de container bedoeld was voor de berging en verhuur van kano’s. Daar hadden ze een vergunning voor. Ze verkochten in strijd met de vergunning eten en drinken en daar had Di Lago last van. Gavino heeft een advocaat moeten inschakelen om zijn gelijk te halen. Niet lang na de rechtszaak was de container weer net zo plotseling verdwenen als ze gekomen was.

In april 2013 heeft Gavino Di Lago verkocht en is hij eindelijk met pensioen gegaan na bijna vijftig jaar hard werken. Een maand later is zijn vrouw helaas overleden.

“Ben je thuis in Almere, of wil je terug naar Sardinië”, vraag ik Gavino.
Hij denkt even na en zegt dan: “Ik woon al bijna vierenvijftig jaar in Nederland, waarvan zestien jaar in Amsterdam en zesendertig jaar in Almere. Als je meer dan vijftig jaar in een ander land woont, wordt je deel van dat land. Mijn zoon woont hier, ik heb hier mijn vrienden en de mensen kennen mij. Helaas zijn veel vrienden en bekenden de afgelopen jaren overleden, maar er zijn er nog genoeg over. In Alà dei Sardi ken ik alleen mijn broer. De andere familieleden zijn er niet meer. Ik ben al zo lang weg van Sardinië, dat bijna niemand mij daar nog kent, ook al ga ik er nog steeds ieder jaar naar toe.”

“Waar is je thuis?”, vraag ik hem nog eens.
Gavino’s antwoord is toch tweeledig: “Mijn thuis is Almere, maar…, ik ben en blijf een Sardijn.”

 

Meander

“Ik ben en blijf een Sardijn”: © Meander; Almere; 1 mei 2018.
Voetnoten:
1               Alà dei Sardi:  https://nl.wikipedia.org/wiki/Alà_dei_Sardi
2              Meerestein Almere:http://canonvanalmere.nl/meerestein
3              Arti et Amicitiae: http://www.arti.nl
4              Boek & Boon: Boek & Boon 

Foto’s
Di Lago: © Gavino Seddaiu
Gavino Seddaiu: © Meander; Almere; 1 mei 2018
Alà dei Sardi: Internet
Meerestein: Internet
Kiosk Di Lago met Gavino Seddaiu: © Gavino Seddaiu
“Ik ben en blijf een Sardijn” is het verhaal van Gavino Seddaiu over zijn Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
 
Ik wil hier weg!

Ik wil hier weg!

Addie woonde met haar ouders in Almere Hout1, dat wil zeggen in het begin, zoals nog zal blijken. Na de verhuizing van Mechelen naar Almere was ze maar twee keer terug geweest naar het dorp in het Zuid-Limburgse heuvelland waar ze was opgegroeid. Het contact met haar vriendinnen was verwaterd. Appen en snapchatten, maar dat begon na een tijdje te vervelen en zo raakte ook daar de klad in. Ik wil hier weg en ik ga hier weg, had ze dagelijks gedacht.

weg
Mechelen, Zuid-Limburg

Haar vader had promotie gekregen en ging werken op het hoofdkantoor van een grote bank in Amsterdam. ‘Het verdient bijzonder goed’, had ze haar vader tegen haar moeder horen zeggen. Die was in de zevende hemel, niet vanwege het geld, maar omdat ze uit Amstelveen kwam en weer in de buurt van haar vriendinnen ging wonen. Wat hun dochter er van vond? Ach, die was nog jong en zou binnen de kortste keren nieuwe vrienden en vriendinnen hebben, was hun gedachtegang.

Na de basisschool was Addie naar een middelbare school in Maastricht gegaan waar ze veel vrienden had. Ze haalde hoge cijfers en was leergierig. Twee keer per week had ze na school een uur pianoles in Maastricht. In het weekend ging ze uit in Mechelen of in Maastricht, meestal met haar vriendje Sjeng, waar ze het stiekem al een paar keer mee had gedaan. Sjeng zat in een parallelklas en was in haar ogen een lieverd. Haar ouders dachten daar heel anders over.

Addie had een paar keer geprotesteerd tegen de verhuizing. Ze had voorgesteld dat ze bij haar oom en tante in Margraten kon gaan wonen, of op kamers bij een vriendin uit haar klas, want die woonden in een gigantisch huis op vier kilometer van de school en dichtbij het centrum. Wat ze ook probeerde, haar ouders gingen er niet op in.
Ze was vijftien toen ze in maart verhuisden naar Almere Hout, ver van de andere stadsdelen en van het centrum. Uitgaan was bijna onmogelijk, vooral omdat haar ouders van mening waren dat het in deze omgeving veel onveiliger was dan in Zuid-Limburg.

Tegen haar zin belandde Addie op een middelbare school in Almere Stad waar ze zich niet thuis voelde. De goede resultaten die ze in Maastricht haalde, verdwenen als sneeuw voor de zon en ze bleef zitten in vier vwo. De schoolleiding raadde haar ouders aan om haar verder te laten gaan in vier havo. Haar ouders beenden, na een gesprek van amper een kwartier, boos de kamer van de directeur uit. Het gevolg was dat de ellende voor Addie nog groter werd. Haar ouders kozen zonder overleg een school in het Gooi. Addie was woedend, maar halverwege de vakantie besloot ze keihard te gaan studeren om zo snel mogelijk haar diploma te halen. Daarna wilde ze in Maastricht gaan studeren. Het maakte haar niet uit welke studie. Ze moest en zou terug naar Zuid-Limburg. Weg uit Almere.

Addie vond het een rare school. De docenten praatten bekakt en de meeste leerlingen deden niet voor hen onder. Het ergste van alles was, dat de docenten haar consequent bij haar officiële voornaam aanspraken, Adeline. Behalve haar ouders, noemde iedereen die haar kende haar Addie. Gelukkig deden haar klasgenoten dat ook. Ze vonden haar Limburgse accent grappig. Haar prachtige roodoranje haar en groene ogen maakten haar al snel populair bij de jongens. Die kregen echter geen kans. Addie had nog steeds contact met Sjeng. Ze hadden afgesproken om elkaar in de herfstvakantie te ontmoeten. Addie’s ouders hadden er mee ingestemd dat ze een week bij haar familie in Margraten mocht logeren, tenminste, dat dacht Addie.

Het enige, echte plezier dat overbleef, waren de pianolessen en danslessen. Twee tot drie keer per week deed ze ballet, spitzen en moderne dans. Thuis oefende ze voor de spiegels die haar vader in een lege kamer had laten aanbrengen en in een serre stond een kostbare vleugel waar ze graag op speelde.
De meiden en de twee jongens van haar groep op de dansschool waren aardig en ze vormden een hechte groep, maar alleen tijdens en rond het dansen. Op die momenten vergat Addie dat ze in Almere woonde.

Een week voor de herfstvakantie werd ze zeventien. Tot haar afgrijzen kreeg ze een in haar ogen desastreus cadeau.
“We gaan in de herfstvakantie een weekje naar Zuid-Afrika”, had haar vader gezegd.. “Speciaal voor jouw zeventiende verjaardag.”
“Ik ga naar Margraten”, was Addie’s stellige reactie. “Dat was de afspraak.”
“Doe niet zo ondankbaar”, reageerde haar moeder. “We hebben Margraten afgezegd, maar dat mocht jij niet weten. Dit is toch een geweldige verrassing.”
“Nee’, zei Addie. “Het is geen geweldige verrassing. Het is een tyfus teleurstelling. Kutouders. Wanneer luisteren jullie eens naar mij. Ik wil naar Limburg. Daar kom ik vandaan en daar wil ik zijn. Daar zijn mijn vrienden. Ik wil hier weg.” De laatste vier woorden had ze met stemverheffing en staccato uitgesproken.
“Op deze manier praten wij niet met elkaar”, zei haar vader. “Ga maar huiswerk maken op je kamer en als je er aan toe bent, kom je terug om je excuses te maken.”
Addie rende woedend weg, draaide zich bij de deur om, stak haar middelvinger op, liep door en trok de deur met zo’n harde klap achter haar dicht, dat de schilderijen die er naast hingen heen en weer schommelden.
Addie’s moeder zakte in een stoel en begon te huilen. “We willen en we doen het beste voor haar”, snikte ze. “Waarom begrijpt ze dat niet?”
Haar man zei: “Pubergedrag. Gaat wel weer over.”

Een uur later was het etenstijd, maar Addie kwam niet.
“Waar blijft Adeline?”, vroeg haar vader aan haar moeder.
Die zei: “Ik ga haar wel halen.” Ze liep naar de kamer van haar dochter en opende de deur. Geen Adeline. Douche, toilet, andere kamers, maar waar ze ook keek, haar dochter was nergens te bekennen. In paniek rende ze naar haar man. “Ze is weggelopen”, riep ze.
Haar echtgenoot zuchtte eens diep en liep naar zijn vrouw. “Geen paniek. Ze is ergens buiten. Ik vind haar wel.” Hij liep naar buiten, keek in de garage en zag dat Adeline’s fiets weg was. Na nog een diepe zucht wilde hij zijn fiets pakken, zag dat de voorband leeg was en greep met toenemende irritatie de fiets van zijn vrouw.

Addie’s vader fietste meer dan een uur door de omgeving. Hij reed langs de Hoge Vaart, de golfbaan, de Kemphaan en de Stadsboerderij. Hij zocht overal, maar nergens was zijn dochter te bekennen. Ondertussen kreeg hij zere benen, omdat het zadel te laag stond. Hij was zijn telefoon vergeten en het begon te schemeren, daarom besloot hij huiswaarts te keren. Toen hij de oprit opreed, kwam zijn vrouw hem al tegemoet. Ze zei: “Adeline heeft gebeld. Ze zegt dat ze alleen terugkomt, als ze naar Margraten mag en niet naar Zuid-Afrika hoeft. Het zal wel om die jongen gaan. Die zoon van Smeets. Je weet wel die jongen die in dat bandje speelt en al twee keer is blijven zitten.”
“Waar is ze?”, vroeg haar echtgenoot, zonder te reageren op wat ze had gezegd.
“Dat wil ze niet zeggen.”

weg
De Groene Kathedraal

Ze zat op de grond tussen de bomen van de Groene Kathedraal3, een kunstwerk van populieren vlakbij de Hoge Vaart. Met de populieren was de vorm van de kathedraal van Reims nagebootst. Addie had haar vader aan zien komen rijden, maar hij had haar niet gezien, omdat ze plat op de grond was gaan liggen. Mooi niet, had ze gedacht. Nadat hij voorbij was gereden en buiten zicht was, had ze haar moeder gebeld.

Addie’s vader zette de fiets tegen de garagedeur, liep naar binnen, pakte zijn telefoon en belde Addie. Ze nam op, maar kreeg geen kans om iets te zeggen. Haar vader zei: “Je kunt terug komen en je gedragen, of je blijft maar weg.” Hij hing direct op en kreeg de volle lading van zijn vrouw over zich heen.
“Hoe kun je dat nu doen? Wie weet waar ze is? Er loopt allerlei vreemd volk rond. Bel haar nog een keer.”
“Wacht nou maar”, zei hij rustig. “Ze heeft geen keus.” En zo was het. Op dat moment had ze geen keus. Een uur later was ze teruggekomen, maar de houding van haar ouders bleef niet zonder gevolgen.

Na de herfstvakantie, die ze gelaten had ondergaan zonder ook maar een stap meer te zetten dan nodig was, had ze aangepapt met een paar jongens op school. Binnen de kortste keren had ze meerdere vriendjes, begon ze wiet te roken en doken de cijfers weer naar beneden. Na een paar maanden kwam ze tot de conclusie dat ze haar doel op deze manier niet bereikte, maar het leed was al geschied. Haar ouders werden op school ontboden en kregen een litanie aan klachten te horen over haar gedrag, over drugsgebruik en over ruzie met een docent. Hun dochter was niet meer welkom op de school. Addie’s moeder was razend op de school en op Addie, maar haar vader dacht slechts na over de oplossing van het probleem. Het gevolg was dat Addie in februari naar een internationale privéschool in Vlaanderen werd gestuurd. Een school met een internaat.

Addie was ten einde raad, maar haar ouders luisterden niet. Het maakte niet uit wat ze zei. Schandalen moesten worden voorkomen, haar vader had een belangrijke baan, zij wisten wel wat goed voor haar was en later zou ze hen wel dankbaar zijn, zo was hun zogenaamd triviale redenering.
Omdat ze inzag dat er niets aan te doen was, sloeg haar stemming om. Ze was weg uit Almere en weg bij haar ouders. Prima. Vanaf nu zou ze zelf bepalen hoe het verder ging. Addie deed zo haar best op de nieuwe school dat ze binnen twee jaar haar diploma haalde en begin juni terugkwam naar Almere. Ze had zich in januari al ingeschreven in Maastricht voor de opleiding muziek. Ze speelde uitstekend piano en ze schreef eigen muziek en teksten.

Haar vader zei eind mei dat hij met haar wilde praten over haar toekomst. Haar moeder was al aan de keukentafel gaan zitten. Daar gaan we weer, dacht Addie.
“Ik heb alle opleidingsmogelijkheden voor jou eens bekeken”, zei hij. “Een internationale studie lijkt mij voor jouw toekomst het beste. Internationaal recht, internationale betrekkingen, of zoiets.” Hij legde een pak brochures van universiteiten in Engeland, Zwitserland en zelfs de Verenigde Staten op tafel en zei: “Kies maar. Lees het goed door. Ik hoor wel wat het wordt.”
“Dan kun je lang wachten, pap, want ik ga naar Maastricht om muziek te studeren. In ieder geval piano en zang. Ik doe volgende week auditie.”
“Dat gaat niet gebeuren”, bulderde haar vader. Hij zag de toekomst die hij voor zijn dochter had uitgestippeld, van het ene op het andere moment verdampen. Addie schrok van het agressieve en afwijkende gedrag van haar vader, maar was niet van plan om toe te geven.
“Het gaat om jouw toekomst, schat”, zei haar moeder, die op het punt stond om in huilen uit te barsten.
“Precies. Het gaat om mijn toekomst en die is niet van jullie. Ik ben negentien, ik weet wat ik wil en besluit zelf wat ik doe. Ik heb me ingeschreven en ik ben zo goed dat ik zeker zal worden toegelaten. Jullie kunnen daar niets meer aan doen, zelfs niet als je jouw vriendjes inschakelt, pap, want dan ga ik in de supermarkt werken in Maastricht.”

Er viel een lange, diepe stilte.
Addie’s moeder liep naar de keuken om koffie te zetten, maar eigenlijk vluchtte ze weg van wat ze niet wilde zien en niet wilde horen.
Addie nam zelf het woord toen de koffie op tafel stond. “Het is mijn leven. Ik bepaal wat ik met dat leven doe. Jullie hebben mij zonder enig overleg van Mechelen naar Almere gesleurd. Ik ben hier nooit gelukkig geweest en jullie hebben er alles aan gedaan om de verbinding met Limburg te verbreken. Ik vind dat ik gedumpt ben op een internaat. Het zal allemaal wel goed bedoeld zijn, maar mij is nooit iets gevraagd. Ik doe wat ik wil en het zou fijn zijn als jullie mij daarin willen steunen.”
Haar vader stond op, sloeg zonder waarschuwing keihard met zijn vlakke hand op tafel, zodat twee koffiekopjes omvielen en de koffie over de tafel liep. Hij bleef nog even staan, draaide zich om en ging vervolgens naar zijn studeerkamer.

weg
In den ouden Vogelstruys

“Adeline, kijk nou toch wat je doet”, jammerde haar moeder, die al naar de keuken was gelopen om een doekje te halen.
“Ik heet Addie en ik doe niets. Vraag je maar eens af wat je met mij hebt gedaan. Morgen ga ik pakken en vertrek ik naar Maastricht. Ik heb een studielening aangevraagd en ga de hele zomer werken in de Vogelstruys2. Maak je geen zorgen over waar ik overnacht, want ik kan bij familie en vrienden overnachten tot ik een kamer heb.”
“En dan ga je naar die Sjeng en ben je binnen de kortste keren zwanger”, riep haar moeder vol afgrijzen.
Addie begon te lachen en bleef lachen. Ze lachte zo hard dat haar vader de deur van de studeerkamer opende, in de deuropening bleef staan en vroeg wat er te lachen was, in de hoop dat het allemaal goed zou komen.
“Toe mam”, zei Addie. “Ik ben negentien en heb met verschillende jongens gevreeën, maar wel veilig. Ik maak niet dezelfde fout als jullie en zo fout was dat nou ook weer niet, want anders had ik hier niet gezeten.” Dat de werelden van Addie en haar ouders ver uit elkaar lagen, bleek wel uit de verbijstering die van de gezichten van beider ouders afspatte. Haar vader keerde zich om en trok teleurgesteld en machteloos de deur weer achter zich dicht.

Addie vertrok naar Maastricht, waar ze succesvol piano en zang studeerde en vervolgens een tweede master haalde voor compositie. Tijdens haar studie werkte ze in het begin nog in verschillende gelegenheden in Maastricht tot ze kon leven van de muziek en van de muzieklessen die ze gaf. De koppigheid die ze van haar vader had geërfd, had haar gebracht waar ze wilde zijn.
Sjeng was nooit meer in beeld geweest. Ze had al jaren een leuke, lieve vriendin, Gaby en ze woonden in Maastricht.
Gaby en Addie speelden samen in een band met de veelzeggende naam “Because” en traden al enkele jaren op. Eerst in Zuid-Limburg, maar al snel landelijk, in Vlaanderen en in Duitsland. Addie gebruikte haar voornaam Adeline als artiestennaam en was de sturende factor van de band.

Het contact met haar ouders was min of meer hersteld, maar het leed dat ze hen in hun beleving had aangedaan, had wonden geslagen. Ze hadden haar destijds financieel in de steek gelaten en waren een paar maanden van slag geweest over het feit dat ze een relatie met een meisje had. Naarmate de band “Because” bekender werd, hadden haar ouders er steeds meer van meegekregen, maar ze lieten niets van zich horen.

Twaalf jaar na haar verhuizing naar Almere, trad Adeline met de band op in Amsterdam. Ze had haar ouders gebeld en hen uitgenodigd om backstage te komen kijken en op een gereserveerde plaats bij het optreden bij te wonen. Na wat heen en weer gepraat hadden ze er mee ingestemd.
De volgende dag waren Addie en Gaby met hun een jaar oude tweeling naar Addie’s ouders in Almere gereden, waar Addie in ruim zeven jaar ervoor niet meer was geweest. Ze waren uitgenodigd door haar ouders.

 

 

Meander

“Ik wil hier weg”: © Meander; Almere; 7 mei 2018.
Voetnoten:
1 Almere Hout: Almere Hout
2 Vogelstruys: In den Ouden Vogelstruys  
3 De Groene Kathedraal: De Groene Kathedraal
Foto’s:
Almere: Internet; Floriade
Mechelen: Internet
Groene Kathedraal: VVV Almere
Vogelstruys: Internet
“Ik wil hier weg” is het verhaal van Addie. Addie verhuisde met haar ouders naar Almere en vond het helemaal niets. Ze wilde terug. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Namen, plaatsen, opleidingen en meer elementen zijn gewijzigd. Of Addie een man of een vrouw is? Het verhaal berust op waarheid.
 
Ym, de Roos van de Floriade

Ym, de Roos van de Floriade

YmIn de gele, verweerde, afbladderende zetel van Suburbia zit Ym de Roos te lezen, geduldig wachtend tot ze aan de beurt is. Ze zit, net als wij, liever aan de grote tafel en schuift daarom bij ons aan om hun verhaal over Almere te vertellen. Vertellen kan ze, gedreven door een groot hart en door de herinnering aan haar man, Obbe de Roos, die twee jaar geleden overleed.

Zodra ze tegenover ons zit, begint ze te vertellen. Het gesprek, of beter gezegd haar verhaal is niet geheel chronologisch. Het is beleving, pure beleving en vertelling. Soms komt ze terug op een onderwerp dat al besproken is, maar dat is onvermijdelijk, want ze heeft een verhaal, nee, meer dan dat, ze heeft een leven te delen. Ze vertelt er met liefde en passie over.

“Mijn man, Obbe, werkte bij de provincie Flevoland. Hij deed veel vrijwilligerswerk in Almere. Zo was hij voorzitter van Woonmere, een vorm van begeleid wonen voor mensen met een beperking in Almere Poort. Van daaruit werd hij initiatiefnemer van Poort Sociaal 1. Poort Sociaal is een jaarlijks evenement dat uitgaat van het principe dat mensen met een handicap die in jouw buurt wonen er bij horen. Ze kunnen en willen jouw buurman en buurvrouw zijn. Poort Sociaal is in vijf jaar uitgegroeid tot een groot en bekend evenement in Almere Poort en daarbuiten.”

Ym is blij verrast als Linda van Suburbia vertelt dat Suburbia dit jaar op Poort Sociaal het stuk “Almere mijn Thuis” zal spelen. Ym zegt er wel bij dat het festival zo hard is gegroeid dat de mensen om wie het eigenlijk ging bijna ondersneeuwden. Ze zegt: “Mensen denken aan pret en plezier, maar de basis van Poort Sociaal is en blijft het sociale karakter. Het doel, het versterken van de sociale contacten van alle bewoners en organisaties in Poort, inclusief mensen met beperkingen, staat voorop.”

We praten nog even door over Poort Sociaal en wat het betekent voor de inwoners van Poort. Dan zegt Ym: “Toen Obbe overleed vroeg hij of ik Poort Sociaal in het oog wilde houden. Ik woon in Almere Buiten, maar ik doe het toch, omdat hij mij dat gevraagd heeft. Inmiddels is voor alle regelingen en subsidies een stichting opgericht. Het was niet mijn plan om zitting te nemen in het bestuur, maar Pieter en Klazien ter Veen zaten in Indonesië. Ik dacht, ik wordt tijdelijk even secretaris, maar ik ben het nu nog en het bevalt me prima.” Ze kijkt ons aan en zegt: “In het Labyrint, een moestuin in het Cascadepark, staat een bankje met Obbe’s naam er op en in de Oostvaardersplassen staat ook zo’n bankje met zijn naam er op.” Een mengeling van trots en emotie is zichtbaar en wordt door ons gevoeld.

Ym
Obbe’s bankje

Ym, al ben je geneigd haar Roos te noemen, gaat regelmatig naar Leeuwarden, omdat de hoofdstad van Friesland dit jaar Culturele hoofdstad van Europa is. Naast al die activiteiten is ze sinds 2016 vrijwilliger bij de Floriade 2. Ze verhaalt enthousiast over hoe leuk het is om mensen rond te leiden op de Floriade in ontwikkeling. Ym vertelt de bezoekers over de locatie, de werkzaamheden en over wat er allemaal op en om de Floriade wordt gerealiseerd.

We schakelen naar het waarom van de verhuizing naar Almere. Ym vertelt dat ze in 2001 uit Delft naar Almere zijn verhuisd en daarvoor samen in Amsterdam woonde. Voordat ze in Amsterdam samen gingen wonen, woonden ze beiden in het buitenland, maar niet bij elkaar.
Ym en Obbe hebben elkaar leren kennen op een feest in Friesland. Hij was tweeëntwintig en zij was zeventien. Niet lang daarna vertrokken ze naar het buitenland. Ym ging als Au Pair naar Engeland en later naar Frankrijk. Ze deed dit werk anderhalf jaar en heeft nog steeds contact met de families waar ze heeft gewerkt.

Ym zegt: “Obbe is na zijn diensttijd door Europa gaan zwerven en later zelfs naar Marokko. Hij is overal geweest. Soms stuurde hij een kaartje. Hij was vaak moeilijk bereikbaar. Als je hem iets wilde sturen dan moest je dat poste restante doen naar plaatsen die hij van te voren aangaf. Toch schreven we elkaar al die tijd brieven en die brieven hebben we allemaal bewaard. Soms zagen we elkaar. Op een gegeven moment kwam Obbe naar mij toe in Engeland en zijn we samen op vakantie gegaan. In die vakantie hebben we onze toekomstplannen gesmeed. Niet lang daarna zijn we gaan samenwonen in de Lomanstraat in Amsterdam Zuid.”

Ym: “Ik werkte bij de Amrobank op de Dam en studeerde sociale pedagogiek. Ik gaf ook voorlichting aan toeristen. Dat deed de bank er in die tijd gewoon bij. Obbe deed effectenresearch op het Rokin en studeerde economie aan de Vrije Universiteit.“ Ze kijkt ons even aan en gaat verder: “Onze zoon, Hidde, werd in 1979 geboren. We konden in Amsterdam geen huis krijgen en zijn daarom naar Delft vertrokken, waar we in Tanthof gingen wonen. Een typische wijk uit die tijd. Bloemkoolhofjes met allemaal jonge gezinnen. Ik was de enige werkende moeder. Er was maar een kinderdagverblijf, maar daar was geen plek meer voor Hidde. Ze zaten vol. We hebben Hidde bij tante Annie op een naastgelegen boerderij kunnen plaatsen. Zij paste op hem en dat was tot onze volle tevredenheid. In 1982 is onze dochter Jelka geboren.”

Er valt een korte stilte. Ym vertelt ons over het project ‘Levensboek.’ Ze zegt dat het voor haar een emotioneel onderwerp is. “Onze dochter vatte het plan op om een levensboek over Obbe te schrijven op basis van de locaties waar haar vader tijdens zijn leven had gewoond en gewerkt. Ze interviewde Obbe en reisde met hem langs zoveel mogelijk plekken waar hij geweest was. Samen zochten ze er foto’s en documenten bij.” Ym kijkt ons aan met een paar vochtige ogen, maar vertelt dapper verder. Ook nu weer, voel je en zie je trots en emotie in één blik.

We wachten even tot ze verder wil gaan. “De drukproeven waren klaar”, zegt Ym en Obbe heeft die nog gezien. Hij is volgens ons langer blijven leven, omdat hij dit samen met Jelka wilde afmaken. Obbe heeft gewacht tot de boeken van de drukkerij kwamen en Jelka onderweg was. Ze had hem een appje gestuurd toen ze wegreed bij de drukkerij. Op dat moment had hij volgens mij het idee dat het wel in orde was en piepte hij er tussenuit. Hij had verschrikkelijke pijn de laatste dagen, dus van mij mocht hij gaan. Het tekent zijn onvoorstelbaar sterke wil dat hij tot het laatste, door hem zelf bepaalde moment, sterk bleef. Obbe had nog graag drie dagen later mijn verjaardag mee willen vieren, maar het ging niet meer. Ik werd toen vijfenzestig. We hebben die verjaardag uiteindelijk pas twee jaar later gevierd.”

Ym heeft een aantal taken van Obbe overgenomen, zoals die voor Poort Sociaal. Daarnaast werkt ze als bestuursondersteuner voor de stichting Mijn Eigen Thuis is Nederland (MET).
In 2006 heeft Ym haar eigen bedrijf opgericht. Onlangs is ze daar mee gestopt. Ze heeft zichzelf gepensioneerd, maar is en blijft actief als vrijwilliger in allerlei organisaties. Een belangrijke en mooie taak die ze met veel plezier vervult, is die van oppas-oma voor haar kleindochter.

We komen terug op de verhuizing naar Almere.
Ym zegt: ‘Mijn gedachte is dat Obbe wellicht al iets mankeerde toen we nog in Delft woonden. Hij werkte in Lelystad bij de provincie Flevoland als hoofd Facilitaire Zaken en was medeverantwoordelijk voor de bouw van het huidige provinciehuis van Flevoland in Lelystad. Ondanks de lange reistijden en het feit dat hij in mijn ogen niet fit was, bleef hij gewoon doorwerken. De reistijden waren te lang. Ik merkte het aan hem als we wandelden. Hij was snel bekaf. Het ging zo niet goed en daarom besloten we dichter bij Lelystad te gaan wonen. Niet in Lelystad, maar in Almere. Een compromis.”

Ze gingen een aantal weekenden naar Almere. Steeds twee dagen en ze namen een picknickmand mee. Ym en Obbe bekeken veel huizen en gingen naar alle stadsdelen en verschillende wijken.
“Haven viel af”, zegt Ym, “want daar komt geen trein. De Noorderplassen vonden we te ver weg, Stad vonden we te stenig en zo kwam onze focus op Buiten te liggen, waar net een BouwRAI was.” De BouwRAI in de Eilandenbuurt van Almere Buiten was de derde BouwRAI in Almere. Architecten kregen in de aanloop naar de BouwRAI de kans om bijzondere ontwerpen te realiseren.

Ym: “Op een gegeven moment waren we de BouwRAI even zat. We wilden weg uit het strijdgewoel. Zo kwamen we terecht bij de Oostvaardersplassen. Toen was het duidelijk. We wisten dat we hier gingen wonen. We moesten eerst ons huis in Delft verkopen, een huis in Almere kopen en een huis in Rotterdam huren voor Hidde. Dat lukte en we kwamen terecht in de Willem Bontekoestraat in de Oostvaardersbuurt. Goed genoeg voor tijdelijk dachten we. Ik woon er nog.”

YmEen bijna vers kopje koffie leidt tot een iets langere pauze, voordat Ym verder gaat: “Toen we naar Almere verhuisden besloten we dat we binnen een jaar honderd mensen wilden kennen en dat zij ons kenden. Er was in die tijd in Almere een programma ‘Verbindend Vernieuwen’  een soort cursus bedoeld om kennis te maken met anderen. We gingen niet in dezelfde werkgroepen, want dan konden we elkaar nog wat vertellen. Zo kwamen we al snel aan honderd mensen. Niet lang daarna gingen we naar de nieuwjaarsreceptie van de gemeente. Je kreeg twee glazen champagne, waarvan je er een aan iemand anders gaf die je nog niet kende. Voor we het wisten, kenden we tweehonderd Almeerders.”

Ym en Obbe raakten bij van alles betrokken, zoals het project Evenaar. Obbe werd lid van de Adviesraad Sociaal Domein. Ym werkte bij een adviesbureau voor het sociaal domein. Ze heeft in dat vakgebied veel gedaan op allerlei plaatsen in het land. Zelfs een tijdje in Rotterdam. Dan overnachtte ze gedurende de week bij haar zoon, Hidde. Dat was niet ideaal voor hun huwelijk. Op een gegeven moment was ze het spuugzat en begon voor zichzelf als organisatieadviseur, als fondsenwerver en deed andere werkzaamheden op gebied van het sociaal domein. Ze heft het bedrijf binnenkort officieel op en is eigenlijk al gestopt, want ze had er geen zin meer in. Teveel zinloze bureaucratie.
Ze zegt: “Ik wilde eigenlijk doorgaan tot mijn bedrijf vijftien jaar bestond, maar dat haal ik niet meer.”

Ym
Ym de Roos

Over ‘Almere mijn thuis’ zegt Ym: “Wij voelden ons thuis en ik voel me thuis in Almere. We hebben zelf van Almere ons thuis gemaakt. In de eerste jaren gingen we een rondje om een kerk, zoals we het toen noemden. We bekeken nieuwbouwprojecten en leerden alle stadsdelen kennen. We zijn altijd betrokken geweest bij culturele activiteiten en projecten. Ik ben van de cultuur.” Cultuur is het onderwerp dat ons vanzelfsprekend even afleidt, maar niet voor lang.

“Obbe’s overlijden had wel een staartje”, zegt Ym, “want er werd aan mij getrokken, ook door de kinderen, die in Rotterdam en Haarlem wonen. Bovendien ben ik inmiddels oma. Ik moest knopen doorhakken en heb mijn kinderen verteld dat ik in Almere wilde blijven, omdat ik daar gelukkig ben. Het is ook beter dat ik hier ben, want dan zien ze niet alles en maken ze zich niet onnodig zorgen. Met een treinabonnement kom je ook een heel eind en ik bezoek ze regelmatig.”

Ym is van mening dat ze haar verhaal wel heeft verteld. Ze zegt dat we ons bij haar kunnen melden als we een rondleiding over het Floriadeterrein willen. Dat typeert deze lieve, sterke vrouw. Doorgaan in en met de stad, die ze tot haar thuis heeft gemaakt.

 

Meander

 

“Ym, de Roos van de Floriade”: © Meander; Almere; 2 maart 2018.

Voetnoten:

1   Festival Poort Sociaal: http://www.poortsociaal.nl
2  Omroep Flevoland. Interview en beeld van Ym de Roos over de Floriade.
     https://www.omroepflevoland.nl/nieuws/154414/almere-ym-de-roos-vindt-floriade-geweldig

Foto’s:
Roos: Internet
Gele Stoel: 
© Suburbia in de Buurt
Champagne: Internet

Ym de Roos: ©Ym de Roos
Bankje Cascadepark (Obbe de Roos); ©Meander; 7 maart 2018

“Ym, de Roos van de Floriade” is het verhaal van Ym en Obbe de Roos over hun Almere, vertelt door Ym de Roos. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Thuis in de Nikéstraat

Thuis in de Nikéstraat

Heemskérk, daar komt Angela van Moorst vandaan. Ze benadrukt de klemtoon op de tweede lettergreep, opdat de toehoorder niet vergeet hoe het behoort te worden uitgesproken. Toch woont ze alweer de helft van haar leven in Almere en voelt ze zich thuis in ’s Neerlands grootste groeikern.
Ze vraagt ons of ze nu een Heemskérker is of een Almeerder. Daar is maar een antwoord op mogelijk. Officieel ben je en blijf je Heemskérker van geboorte, maar Almeerder zijn is een gevoel. Een gevoel dat iedereen toekomt, die Almeerder wil zijn.

Op haar vijfentwintigste kwam Angela naar Almere, samen met haar man Richard. Ze zegt: “Ik hoefde niet weg uit Heemskérk, maar mijn man komt uit Huizen en woonde en werkte daar en ik werkte toen in Amsterdam. We woonden parttime samen in Heemskérk. Op den duur ben je al dat gedoe zat en het is het uiteindelijk fijner en praktischer om samen in de buurt van Huizen te gaan wonen. In onze ogen was de keuze beperkt. Het zou Almere, of Amersfoort worden.”
“Waarom werd het Almere?”, vraag ik.
Angela antwoordt: “In 1992 was er een BouwRAI in Almere in de nieuw aan te leggen Filmwijk. We vonden het een prachtig project en we kochten een huis in de George Formbystraat.”
Als we vragen wie George Formby was, vertelt ze dat het een acteur was in stomme films. Ze neemt een slokje van haar koffie en vervolgt haar verhaal over haar Almere.

“We hebben tien jaar in de Filmwijk gewoond, maar wilden graag  een huis met een garage. Op een dag belde een vriendin, die in de Vrijdagstraat in Almere-Buiten woonde. Ze vertelde in tranen dat haar relatie uit was en dat het huis moest worden verkocht. Een huis mét een garage.” Angela kijkt ons breed lachend aan en vertelt verder: “Ik zei, nou meid, dan kopen wij het toch. Zoek niet verder. Zij opgelucht en wij helemaal blij met ons nieuwe huis. Na een jaar of vijf wilden we verbouwen. Een glazen serre moest er komen. We wilden het vanaf de eerste verdieping doortrekken met een uitbouw beneden. Nou, toen heb ik de gemeente leren kennen, hoor. Heel vaak in het stadhuis geweest, allemaal regeltjes en gedoe en uiteindelijk mocht het niet. Echt onzin, maar ja.”
Het gesprek buigt af naar een cynische beschrijving van de bureaucratie en de onnodige belemmeringen die dat voor hen meebracht. Zoals veelal het geval is, had ook deze medaille twee kanten.

“Omdat we vaak in het stadhuis kwamen”, zegt Angela, “zagen we de kavelwinkel en zijn we een keer binnengelopen. Daar ontdekten we prachtige kavels met houten woningen die in het Homeruskwartier zouden worden gerealiseerd. We waren erg enthousiast, maar tijdens de inschrijving waren we helaas met vakantie. Eenmaal thuisgekomen, schreven we ons alsnog in. We stonden op de derde plaats en geloofden er niet meer in en pakten de verbouwing van onze woning in de Vrijdagstraat weer op. Deze keer binnen de regels en conform eisen van de gemeente Almere.”
De verwachting van een beter vervolg dan wat Angela vertelt, hangt in de lucht, omdat ze nu immers in Almere Poort woont.

“Vlak voordat we de handtekening zouden zetten onder de overeenkomst voor de verbouwing, belde de mevrouw van de kavelwinkel op”, zegt Angela. Ze zei dat de kavel vrij was. Ik reageerde beduusd: ‘Wat zegt u?’ De vrouw aan de andere kant van de lijn moest er wel om lachen. Ik heb de kavel zonder te aarzelen direct vastgelegd, want zo’n optie kost niks. Direct daarna heb ik mijn man gebeld. Nu wonen we alweer zes jaar in de Nikéstraat in een prachtige houten woning, zoals wij dat graag willen. We hebben het huis helemaal zelf ontworpen en laten bouwen. Het is een heel ander huis dan dat in Almere Buiten, maar… we hebben nu wel een grote, glazen pui aan de achterzijde met uitzicht op het Homeruspark.” Zonder dat we het vragen, zegt Angela: “Wij hebben overal in Almere met plezier gewoond en dat geldt zeker voor ons huis in de Nikéstraat.”

Op ons verzoek vertelt Angela iets meer over haar man.
“Richard werkte bij AT&T”, zegt ze. “Hij werkte al die tijd nog steeds in Huizen, maar op een gegeven moment raakte hij zijn baan kwijt en kwam hij in de WW. Dat duurde gelukkig niet lang, want een oud collega belde. Die had een eigen bedrijf opgericht. Daar is Richard toen gaan werken. Het was in het begin een klein bedrijf, maar inmiddels is het veel groter. Het bedrijf zocht een grotere en beter betaalbare locatie. Ze zitten nu in Almere, een paar honderd meter van ons huis in de Vrijdagstraat. Als we daar waren blijven wonen, had hij naar zijn werk kunnen lopen, maar we blijven lekker hier. Bij mooi weer gaat hij op de fiets en als het slecht weer is, pakt hij de auto.”

Zoals een echte Almeerder betaamt, heeft ook Angela kritiek op de gemeente. “Je moet, als je zelf wilt bouwen, je huis binnen drie jaar af hebben en er in wonen”, zegt ze. “Vlakbij ons is een huis waar al zes jaar aan gewerkt wordt. Die mensen kunnen niet bouwen, besteden er geen tijd aan en wonen er nog niet. Het is een rommeltje. Daar doet de gemeente dan niets aan, terwijl de rest er al die jaren op uitkijkt. Onze buren hebben er allemaal hard aan moeten trekken om er binnen drie jaar te wonen en deze mensen worden niet aangepakt.”

nikéstraatAngela is nu fitness- en Spinning®instructrice. Daarvoor werkte ze op kantoor en deed administratief werk voor onder meer verzekeringen. Ze zegt: “Drie-en-een-half jaar geleden was ik opeens boventallig en dat is, achteraf gezien, het beste dat mij ooit is overkomen. Ik woog op dat moment zevenennegentig kilo en ben daarom veel gaan sporten, anders gaan eten en gaan studeren. Ze hebben mij gevraagd als instructrice en zo ben ik de Spinning®ingerold. Daarna ben ik gevraagd als fitness-instructrice. Naast dat werk geef ik ‘Bewegen voor ouderen’ in een buurthuis. Ik ben helemaal happy, vierendertig kilo lichter en topfit.” Dat is zichtbaar. Tegenover ons zit een getrainde, slanke vrouw met een zelfverzekerde blik en een ‘ingetogen’ glimlach. Haar ogen laten ons meegenieten van het geluk in haar leven.

Op de vraag wat ze van Almere vindt, antwoordt Angela: “Ik vind het een geweldig dorp. Je leert gemakkelijk mensen kennen. Ik werk als vrijwilliger in de Bieb in Poort. Angela is bijzonder actief, wat temeer blijkt, als ze vertelt dat ze zich inzet voor de stichting Abri1en het G-kracht-panel2. Een politiek panel voor jongeren met een beperking. Onlangs hebben leden van dit panel gedebatteerd met Almeerse politici. Ze is trots dat ze deze dingen kan en mag doen.

Angela: “Almere is prachtig. Je hoort regelmatig vooroordelen van buiten Almere. Laatst kwamen er oud collega’s op bezoek. Die hadden thuis gezegd dat ze bij kennissen in Almere gingen eten. Hun kinderen vonden het maar zielig voor ons dat wij in Almere woonden. Ze hebben geen idee, zei ik. Laat ze maar eens komen kijken, heb ik gezegd.”

Angela van Moorst is een betrokken Almeerder en voelt zich samen met haar Richard meer dan thuis in de Nikéstraat.

 

Meander

“Thuis in de Nikéstraat”: © Meander; Almere; 2 maart 2018.

Voetnoten:

1               Stichting Abri: http://www.stichtingabri.org
2               Stichting Abri Raadspanel: http://www.stichtingabri.org/activiteiten/raadspanel-politiek/

Foto’s:

Foto Woning: ©Meander; 10 maart 2018
Angela van Moorst: ©Meander, 2 maart 2018

Thuis in de Nikéstraat” is het verhaal van Angela van Moorst over haar Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Mijn kind wordt in Almere geboren en nergens anders!

Mijn kind wordt in Almere geboren en nergens anders!

 

Urmila zat aan een grote, ronde tafel in de bibliotheek van Almere Buiten. Ze had contact opgenomen met Suburbia in de buurt omdat ze haar verhaal over haar Almere wilde vertellen. Ze is een tijd zoekende geweest, tot ze in Almere haar rust en haar thuis vond. Urmila is zakelijk, beheerst en stijlvol gekleed. Een charmante, vrolijke, vriendelijke en brede glimlach, passend bij haar kijk op het leven, is nagenoeg onafgebroken aanwezig. Een levensgenieter, die met beide benen op de grond staat.

geborenUrmila: “Ik ben geboren in Suriname. Mijn moeder wilde met ons naar Nederland, want daar waren betere scholen, vooral voor ons dove zusje. In 1975 vertrokken we uit Suriname en kwamen mijn ouders met zeven kinderen naar Nederland. Eerst woonden we in een hotelletje in Amsterdam in de Van Eeghenstraat. De Van Eeghenstraat lag tegen het Vondelpark aan en zo hadden wij, niet onze eigen, maar wel de grootste tuin van iedereen om in te spelen.”
Urmila vertelde hoe haar ouders na verloop van tijd een huis kochten aan de Valentijnkade in de Indische buurt van Amsterdam. Daar woonden ze zes jaar, waarna ze drie jaar in de Bijlmer gingen wonen. In die tijd ging Urmila naar het vwo.
Haar moeder verhuisde na die drie jaar vanuit de Bijlmer, zonder Urmila’s vader, met haar kinderen naar Diemen, waar ze een huis had gekocht.

Urmila: “Toen ik naar de heao ging, ontmoette ik in Den Haag een leuke jongen. We besloten om samen te gaan wonen in de residentie van Nederland. Ik ben daar gaan werken bij een bank en kwam via die bank in het vastgoed. Voor het vastgoed en de bank volgde ik veel cursussen, zoals bij NVM-SOM voor vastgoed en talloze cursussen voor het bankwezen. Ik heb ruim tien jaar bij banken gewerkt.”
Een bibliotheekbezoeker vroeg ons waar hij thrillers kon vinden. Ik verwees hem naar de balie.

“Na vijf jaar ging ik alleen terug naar Diemen, omdat ik in Amsterdam een baan had gevonden”, vervolgde Urmila haar verhaal. “Ik kon gelukkig een woning huren in Diemen Noord en binnen een jaar kocht ik een woning in Diemen Centrum. Enige tijd later besloten we samen met de familie dat ik bij mijn zus zou gaan wonen, omdat ze alleen woonde. Mijn zus is helaas plotseling overleden. Het was een erg verdrietige tijd voor de familie. Het gevolg was dat ik geen huis meer had, omdat ik mijn eigen huis al verkocht had. Ik heb tijdelijk bij familie ingewoond en wilde graag weer een huis kopen in Diemen, maar dan wel een groter huis dan ik eerst had. Diemen was te duur voor dat type woningen, daarom ben ik in Almere gaan kijken.”
Marijke van Suburbia kwam ons zeggen dat de volgende verteller zat te wachten. “We hebben nog een kwartier nodig”, zei ik.

Urmila ging verder: “We zijn gezellig met de familie in Almere Centrum gaan shoppen. Daarna zijn we in verschillende wijken gaan kijken. Ik vond vooral de Filmwijk leuk en viel min of meer voor een bepaalde straat. In 2000 is het me gelukt om in die straat een huis te kopen. Het was een weloverwogen keus, want een huis is geen pak suiker. Ik heb mijn huis gekocht in de tijd dat ik nog bij een bank werkte. De hypotheek viel daarom een stuk voordeliger uit.”
Urmila’s kinderen, een tweeling, kwamen even kijken, maar gingen al snel weer verder met het zoeken van boeken in de bibliotheek.

“Ik had net verkering met, geheel toevallig, weer iemand uit Den Haag”, zei Urmila. De afstand was geen probleem, want de verbindingen waren goed. We besloten eerst te latten. Hij heeft zijn huis in Den Haag altijd gehouden en ik wilde niet in Den Haag komen wonen. We hebben in Almere en in Den Haag gewoond en kregen drie kinderen.” We praten even over haar kinderen en over mijn kinderen, voordat we weer verder gaan.
“Toen ik weeën kreeg van de eerste, waren we in Den Haag”, zei Urmila. “Ik zei dat ik naar Almere wilde, want ik wilde niet dat ons kind in Den Haag zou worden geboren. ‘Mijn kind wordt in Almere geboren en nergens anders’, zei ik. Dus, wij van Den Haag naar het Flevoziekenhuis in Almere. De tweeling is ook in Almere geboren.”
“Mijn vriend en ik hebben enige tijd geleden onze relatie beëindigd. Het contact is goed en de kinderen kunnen zelf kiezen of ze naar hun vader in Den Haag willen, of bij mij in Almere willen zijn.”

geborenOp een gegeven moment is Urmila voor zichzelf begonnen met de verkoop van zelfbedachte producten en souvenirs met deels een focus op Almere. Een voorbeeld van die souvenirs is een mok met de gecombineerde tekst: ‘FeelAlmere.’ Urmila heeft de PshR (Pusher) uitgevonden. Dat is een apparaatje waarmee je knoppen en andere dingen in kunt drukken zonder je nagels te beschadigen.

Naast haar werk was en is Urmila een actieve Almeerse, bijvoorbeeld in buurtlokaal WD 88, waarbij WD voor Walt Disneyplantsoen stond en 88 voor het huisnummer. WD 88 was het buurtlokaal van de Filmwijk. Urmila werd gevraagd om actief te zijn in WD 88 en heeft tal van activiteiten opgezet. Helaas is het buurtlokaal enige tijd geleden gesloten. Tegenwoordig is Urmila actief in de ondersteuning van de buurtpreventie.
In 2014 stond Urmila op de lijst voor de verkiezingen van de gemeenteraad, omdat ze wat wilde doen en de politiek van de gemeenteraad dichtbij was. De VVD haalde niet genoeg zetels en Urmila haalde onvoldoende voorkeurstemmen om een plaats in de gemeenteraad te bemachtigen. Vanaf de zomer van 2014 is ze zich meer op haar onderneming gaan richten.

“Voel je je thuis in Almere?”, vroeg ik haar, om de finale conclusie, die al in de lucht hing, te laten bevestigen.
Urmila’s antwoord was liefdevol en duidelijk: “Op het moment dat ik kinderen kreeg, begon ik mij hier thuis te voelen. Zij hebben er voor gezorgd dat Almere ons thuis is.”

 

Meander

 
“Mijn kind wordt in Almere geboren en nergens anders!”: © Meander; Almere; 9 maart 2018.

Foto’s

Foto Urmila Jagroep: ©Urmila Jagroep
Foto Beker: © Meander; Almere; 9 maart 2018.

Beker: “Feel Almere”; 
©Urmila Jagroep

“Mijn kind wordt in Almere geboren en nergens anders!” is het verhaal van Katja Urban over haar Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.

 

Behoefte aan onbezield land

Behoefte aan onbezield land

onbezieldJos Arends zit in de goed zittende, gele stoel van Suburbia en bladert door een boek. Hij kijkt op met een vrolijke blik. Ik vraag hem, wat hij leest. Hij draait het boekje om. Het gaat over mensen in de steentijd4. Over mensen die toen al in Almere woonden, waarmee alle ‘pioniers’ van Almere keurig op hun plaats worden gezet.

Jos vertelt dat hij van 1975 tot 1980 is geschoold als kunstenaar en docent aan de Experimentele Lerarenopleiding te Nijmegen. Van 2003 tot 2017 was hij als docent verbonden aan het Helen Parkhurst in Almere.
 Jos zegt: “Sinds een paar maanden ben ik betrokken geraakt bij VINDplaats Zenith1, een archeologische vindplaats aan de Evenaar in Almere Buiten. Een collega en vriend van mij is architect. Die wist dat ik aan het einde van mijn reguliere werkleven zat. ‘Kun jij er iets mee als inspirator?’, vroeg hij aan mij.

Die zevenduizend vierkante meter van VINDplaats Zenith is ingevuld als semi-openbare tuin en veel meer. In een kleiner gedeelte moest een buitentheater komen, maar dat kwam onvoldoende van de grond. Ik ben nog niet zo lang geleden onbevangen begonnen en werd er binnen de kortste keren door gegrepen. We hebben nieuwe plannen gemaakt voor verdere invulling van de VINDplaats. Kort geleden hebben we de eerste voorstellen met de gemeente Almere gedeeld. Het is goed mogelijk om hier iets bijzonders van de grond te trekken, want het is nu al een prachtige plek. Ga maar eens kijken.”

onbezield

VINDplaats Zenit is de markering van een pleisterplaats uit de steentijd4, zo’n tienduizend jaar oud. De nederzetting lag aan de oever van rivier de Eem2. Nu is de Eemnog te vinden op het oude land tussen Amersfoort en het Eemmeer.
Jos vertelt over de spullen die gevonden zijn en hoe de identiteit van het verleden kan worden gekoppeld aan die van de nieuwe stad, de nieuwe nederzetting.

Ik vraag Jos waarom hij mee wilde doen aan het project van Suburbia.
“Omdat ik me hier helemaal thuis voel”, zegt Jos, “wat geheel in strijd is met de vermeende logica van mijn familie en vrienden. Die begrijpen niet hoe wij hier gelukkig kunnen zijn. Mijn vrouw komt uit Leek en ik kom uit Elst. We kwamen in 2002 of 2003 naar Almere, dacht ik.” Hij denkt even na over het juiste jaartal, maar laat het als onbelangrijk gegeven weer los.
Jos: “Onze vrienden zijn daarna maar mondjesmaat op bezoek geweest. Er is blijkbaar een mentale barrière. Ik leid ze rond en laat hen boeken zien van en over de founding fathers van Almere. We rijden met hen door verschillende stadsdelen, bij voorkeur op de fiets. Ze vinden dat Almere geen hart heeft, geen kern. Het is maar hoe je er naar kijkt en hoe lang je de stad wilt en durft te beleven om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen”, zegt Jos.
Het onderwerp van het negatieve stigma van Almere dat bijvoorbeeld jaarlijks wordt opgedist in een bloedstollend verhaal in Trouw, alsof je hier niet kunt wonen, houdt ons even bezig. Waarom zouden hier toch steeds meer mensen komen wonen, vragen we ons af.

“Ik was achtenveertig toen ik in Almere kwam wonen”, zegt Jos. “Elst, de omgeving waar ik vandaan kom is mij door en door bekend. Ik ken alle verhalen en alles was al geclaimd. Als je daar iets nieuws wil beginnen kan dat nauwelijks. Alles is al bezet. Op elke hoek van de straat ligt het verdriet en een glimlach. Je kent al die emoties en je kent de historie die er bij hoort. Zo ook het verdriet dichtbij, want mijn jongste zoon is in die plaats overleden. Ik stelde vast dat ik wat anders wilde en zei tegen mijn vrouw dat ik behoefte had aan onbezield land. Een stuk land dat we konden veroveren. ‘Prima’, zei mijn vrouw.”
We krijgen ondertussen een kopje thee van Marijke weer gaat zitten en meeluistert.

Jos: “Tijdens deze periode van bezinning kwam de onderwijsbevoegdheid weer in beeld. Mijn jongens kwamen in de pubertijd. De een zat boven en de ander onder aan de ladder van kansen, maar ze zijn beiden gelukkig en daar draait het om. De jongste is inmiddels grafisch vormgever en de oudste is begeleider bij ‘Weet hoe je leeft5.’ Hij is daar, ondanks zijn uitstekende opleidingen, begonnen als cliënt, heeft zich kunnen herpakken en is er nu werknemer.” Een kort intermezzo over ‘Weet hoe je leeft’ en de verschillen tussen kinderen, leidt ons geheel terecht af van het verhaal dat Jos aan het vertellen was, maar zoals steeds, pakken we de draad weer op.

“Ik ben dus gaan solliciteren”, zegt Jos. “Alleen in Almere. Het Helen Parkhurst had in 2002 een open dag. ‘Ga je mee’, zei ik tegen mijn vrouw. Op de bewuste dag stapten we in de auto om naar het Helen Parkhurst te gaan en een uur later reden we de Stichtse Brug over. We kregen het beiden warm en raakten opgewonden door wat we zagen. We vroegen ons af wat er aan de hand was. Zouden we in de polder belanden? Het grote water over voor een nieuw leven? Aaltje zei: ‘Het is mij duidelijk, ik ga alvast inpakken.’
Ik werd docent op het Helen Parkhurst, in de volksmond HP. Van te voren ben ik nog een paar keer naar het HP gegaan om me goed voor te bereiden, want ik had nog nooit lesgegeven. Naast mijn baan als kunstdocent was ik later betrokken bij leerwegondersteunend onderwijs. Het was een volledige baan.”
We worden gewaarschuwd dat we moeten afronden, omdat de bibliotheek over tien minuten dichtgaat.

“Mijn zoon ging ook naar het HP”, zegt Jos, “ondanks het feit dat we nog geen woning hadden. Ik had een oude caravan gekocht en die op camping Waterhout geplaatst. Daar hebben hij en ik zolang gewoond. Het was behelpen, maar het was tevens een bijzondere ervaring.”
We praten over het gedonder rond camping Waterhout en de Floriade. We kennen beiden de familie Fokkens en derhalve het verhaal over de verhuizing van de camping van dichtbij en van twee kanten. Tot een conclusie komen we niet.

Jos gaat verder: “In die tijd waren er vestigingspremies voor mensen met bepaalde beroepen, maar met een premie heb je nog geen huis. Uiteindelijk kregen we een huurhuis in de Slauerhoffstraat. Toen mijn betrekking werd omgezet in een vaste baan, hebben we een huis gekocht in de Muziekwijk.”

onbezield

“Pas in 2010 verhuisden we naar onze prachtige woning op de Bonairepier”, zei Jos. “We hadden die woningen al in 2003 gezien, maar toen was het te duur. Door de crisis en het feit dat de balkons waren verwijderd, na een gerechtelijke procedure die was aangespannen door de overburen aan de Antillenweg, waren de woningen in 2010 veel goedkoper.”
Jos blijkt een overbuurman te zijn van Michiel Rijsberman die we ruim een uur daarvoor hebben gesproken. Waar Michiel veel nadelen ondervond en ondervindt van het gedoe met de balkons, heeft zijn buurman Jos er de vruchten van geplukt.

“Op een dag hield Aaltje de laptop voor mijn neus”, zegt Jos. “Ze zei: ‘Hij is te koop.’ Ik reageerde iets te snel en te stoer en zei: ‘Ik ga niet meer verhuizen.’ Maar helaas pindakaas. Aan kosmische liefde zitten geen limieten, dus je begrijpt wat er gebeurde. We kochten het huis. We hebben in het contract een clausule opgenomen dat het balkon voor één euro zou worden herplaatst, indien de eigenaren van de woningen aan de Bonairepier de balkons na jaren procederen toch terug mochten plaatsen. En zo geschiedde. Wij zitten tegenwoordig uitermate comfortabel voor één euro in de zon op ons balkon, boven ons eigen water.”

onbezield“Ga je hier ooit nog weer weg?”, vraag ik Jos.
“Dat denk ik niet. Wij zijn hier meer dan gelukkig en onze zoons blijven in Almere wonen. De een in Poort en de ander kijkt nog waar hij wil wonen. Hier zijn prachtige dingen te doen tijdens ons vervroegd pensioen en lang daarna.

Aaltje en Jos hebben gekregen wat ze wilden, land om te bezielen. Land en mensen bezielen, dat doen ze, zelfs al hebben ze vastgesteld dat er tienduizend jaar geleden al met hart en ziel werd geleefd op Almeerse grond.

 

Meander


“Behoefte aan onbezield land”: © Meander; Almere; 9 maart 2018.

Voetnoten:

1        Vindplaats Zenit:         http://vindplaatszenit.nl
2        De Eem:                         http://rivier.de-eem.nl/eem/eem/lemmaeem.html
3        De Eem:                         https://nl.wikipedia.org/wiki/Eem
4        Steentijd:                       https://nl.wikipedia.org/wiki/Steentijd
5        Weet hoe je leeft:       http://weethoejeleeft.nu

Foto’s:
Tekening VINDplaats Zenith: VINDplaats Zenith
Boek Steentijd: ©Meander
VINDplaats Zenith: Google Earth
Bonairepier: Funda, internet
Jos Arends: Jos Arends
Meer info over archeologie en Almere? Klik HIER.

“Behoefte aan onbezield land” is het verhaal van Jos Arends over zijn Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.

Jos heeft zijn verhaal naar aanleiding van ons gesprek in de bibliotheek ook verteld aan omroep Flevoland. Klik HIER voor het bijzondere interview.

 

Omdat Woorden over Leven…

Omdat Woorden over Leven…

“Ik kom uit een elitair, intellectueel milieu op de Utrechtse Heuvelrug”, zegt Katja Urban. “Ik groeide op in Leersum en later in Amerongen. Van mijn ouders moest ik een instrument leren spelen. Ik koos viool, want dat was het enige instrument waar ik geluid uit kreeg tijdens een open dag van de muziekschool. Mijn eerste vioollerares schoof me door naar haar opvolgster met de boodschap: ‘Totaal geen talent, maar ze oefent braaf.’ De opvolgster liet me weer bij les één beginnen, maar had meer vertrouwen in mij. Ze stuurde me naar het Jeugdorkest Heuvelrug. Dat was een slimme zet, want mijn medeorkestleden lieten me fijntjes weten dat ik niet alleen de noten voor mijn neus moest spelen, maar ook geacht werd om uit te tellen wanneer en hoe snel dat moest. Het kwartje viel en ik schopte het tot concertmeester en voorzitter van het jeugdbestuur. Zo rolde ik het wereldje van de klassieke muziek in.”

over

Katja voltooide eerst een opleiding bedrijfscommunicatie in Utrecht en studeerde vervolgens als bedrijfskundige af aan Nyenrode. Vanzelfsprekend meldde ze zich bij het Utrechts Studenten Concerten werd ze enige tijd later als invaller gevraagd voor een tournee met het Utrechts Studenten Koor en Orkest2. Ze gingen met de Mattheus Passion naar Praag. “Een uitstekende manier om vrienden te maken’, zegt Katja, “en het helpt je om een kamer te vinden. Bovendien krijg je de nodige schnabbels door het groeiende netwerk van muziekliefhebbers waar je in terecht komt.”
Onze passie voor muziek en wat dat met je doet, is enkele minuten onderwerp van gesprek, voordat we verder gaan met Katja, in Utrecht.

“Mijn studentenhuis stond vlak naast de Janskerk, in die tijd een oecumenische studentengemeente. Ik ben opgegroeid bij socialistische ouders. Mijn vader zei altijd dat geloof opium voor het volk was, maar ik liet me bekeren door een katholieke priester. Het was waarschijnlijk zijn bedoeling dat ik mijn doopsel vervolgens zou inleveren bij de Rooms-katholieke kerk, maar dat heb ik niet gedaan. Ik ben niet zo van de kerkelijke dogma’s. Ik voel me een Christen en niets anders. Die kerkgemeente werd wel een ‘thuis’ en daarmee een bron van sociale contacten en activiteiten.” Geloof en onze verschillende beleving daarvan, vraagt onze aandacht en we dwalen wat af.

Ik vraag: “En toen?”
“En toen?”, herhaalt ze de vraag. “Van mijn eerste salaris kocht ik een appartementje in Maarssen. Mijn man woonde boven mij, dus je snapt wel hoe dat is gegaan. In 2007 raakten we zwanger, maar we woonden nog steeds op dat tweekamerflatje, dus gingen we op zoek naar een eengezinswoning met een tuintje. Ik was intussen begonnen als ZZP-er en in de Vechtstreek iets kopen met maar één zeker salaris, was onhaalbaar. Dan ga je zoeken op internet. Mijn man werkte in Amsterdam als IT-er, daarom keken we naar Almere. Op Funda stonden leuke huisjes. We spraken er met familie en vrienden over, maar die verklaarden ons voor gek. ‘Almere?’, zeiden ze, ‘dat is alleen maar nieuwbouw, qua inwoners het afvalputje van Amsterdam en op cultureel gebied is het een woestijn.’ Wij hadden allebei zoiets van, dat kan niet. Zo overdreven. Op een zaterdag deden we onze fietsen in de auto en reden we naar Almere. We zijn overal in Almere geweest en vroegen aan iedereen die we tegenkwamen hoe zij het vonden in Almere. Ze waren allemaal enthousiast en van de dramatische schets van onze naasten bleef niets over. Het was voor ons meer dan voldoende. Hier gaan we wonen, besloten we.”

Katja vertelt verder: “We kochten een huis in Stedenwijk Midden, een van de eerste wijken in Almere Stad. We begrepen dat als we ons hier thuis wilden voelen, we actief mee moesten doen. Lid worden van een kerk, een vereniging en met verjaardagen moesten we alle buren uitnodigen, zo was onze redenering. Mijn man ging computerles geven in het buurthuis en ik werd lid van de oudercommissie van de crèche. Weer later werden we lid van atletiekvereniging Almere ’813. Door mijn werk als verhalenverteller en workshopdocent ‘Creatief Schrijven’ kwam ik vrij snel in contact met kunstenaars en werd ik bij allerlei evenementen en activiteiten betrokken. Zo werd Almere ons thuis. Een thuis dat we grotendeels zelf vormgaven.”

“Ik speel geen viool meer”, zegt Katja. “Een zwaar auto-ongeluk verwoestte mijn fijne motoriek. Ik had geen zin om helemaal opnieuw te beginnen zonder garantie op succes. Opnieuw leren lopen, leren typen en leren autorijden had al veel van me gevraagd. Maar, omdat ik van muziek houd, ben ik op zangles gegaan en kwam ik in de kerkmuziek terecht. Ik heb veel in koren gezongen en verschillende projecten gedaan.

Hier, in Almere, keek ik eerst in de Lichtboog, maar dat vond ik geen echte oecumene. Ik vond het voordeurdelers en was van mening dat beide geloofsgemeenschappen erg dogmatisch waren. Na een paar diensten en gesprekken, keek ik verder. De Goede Rede vond ik toen nog te ver weg, daarom kwamen we terecht bij de doopsgezindenin het buurthuis bij ons om de hoek. Een zeer progressieve gemeente en ze hadden daar ook een fijne kindernevendienst. Ik wil graag bij een kerkgemeenschap horen, want dan leer je gelijkgestemden kennen. Er was daar in het begin nog geen kerkkoor, maar er waren genoeg dames die het wel zagen zitten om samen te zingen. Ik werd een jaar lang dirigent. Na een tijdje ebde de interesse weg. Nu doen we eens per jaar een project en heb ik er warme contacten. En natuurlijk weer geen doopsel ingeleverd, ik sta te boek als belangstellende.”

Katja’s zoon is intussen negen. Hij ging eerst naar de buurtschool, geheel vanuit de wens om je thuis te creëren in de buurt waar je woont, maar inmiddels gaat hij naar Digitalis in de Kruidenwijk. Die school paste uiteindelijk toch beter bij hem. Hij traint graag bij de atletiekvereniging waar zijn ouders ook trainen en waar zijn vader helpt als vrijwilliger om wedstrijdparcoursen uit te zetten.

We praten over Katja’s werk als biografe en verhalenverteller. Ik vind het heerlijk om tegenover een collega te zitten. Marijke van Suburbia, vraagt of Katja niet ook een paar verhalen wil schrijven. Katja knikt en we spreken af om er na het gesprek op terug te komen.

overVanaf 2006 schreef Katja als freelancer de levensverhalen op van ondernemers, ouderen, chronisch zieken en anderen. Die wilden hun verhalen graag vastleggen en delen met familie, vrienden, lotgenoten en klanten. Daarnaast is ze schrijfcoach en geeft ze workshops. Haar bedrijf heet ‘Woorden over leven’4. Woorden over leven is de korte versie van: ‘Omdat woorden over het leven overleven en doen leven.’

Katja: “Voor het Evenaarfestival kwam ik in contact met een beeldend kunstenares uit Almere Buiten die een hoekje voor kunstenaars wilde claimen met creatieve activiteiten rond een thema. We hebben samen met andere kunstenaars een concept uitgedacht en een plan ingediend bij de festivalorganisatie. Dat was erg inspirerend. Ik heb opgetreden als verhalenverteller met een spannend, licht erotisch verhaal, passend bij ons thema.”

“Door mijn Indische achtergrond heb ik veel Indische klanten”, zegt Katja. “Dankzij die contacten kon ik een keer een stand krijgen op een Pasar Malam (Indische Braderie) in Zeewolde, en mocht ik een workshop verzorgen. De organisator veronderstelde dat ik veel mooie verhalen zou horen die ik op kon schrijven. Zo kwam van het een het ander. Ik ging in een sarong (Indische klederdracht) familieverhalen en fabels vertellen op Indische gelegenheden en later ook op scholen in Almere.”
“Een van mijn opdrachtgevers ontdekte mijn achtergrond in de bedrijfscommunicatie en het management. Met een enthousiast team, onder leiding van Amal Abbass-Saal, bouwden we Inspiratie Inc. uit, tot een enthousiasmerende organisatie met een werkend concept om nieuwkomers in Almere een netwerk, talentontwikkeling en perspectief te bieden. Een echt thuis. Ik paste daar als creatieve Indische wonderwel tussen en kwam in het dagelijks bestuur.”

Ik vraag Katja wat haar plannen zijn voor de toekomst.
Katja: “Ik ben nu bezig om mijn bedrijf ‘Woorden over Leven’ weer op te bouwen, nieuw leven in te blazen. Ik heb het een tijdje laten verslonzen door mijn aandacht voor andere dingen. Op een gegeven moment deed ik teveel verschillende dingen om echt ergens goed in te kunnen zijn, bovendien raakte ik er hopeloos overspannen van. Ik promoot mezelf daarom niet meer actief als verhalenverteller en ook de zakelijke communicatie en mijn managementtaken heb ik eraan gegeven. Nu doe ik alleen nog waar mijn hart naar uitgaat, zoals verhalen over het leven van mensen schrijven, anderen helpen schrijven, redigeren van teksten en publiceren. Ik doe dat op verschillende manieren. Voor boeken, in artikelen, op Facebook, verhalenkaarten maken en workshops geven.”
We spreken af om daar nog eens over door te praten. Typisch Almeers dat gemak waarmee we initiatieven nemen, niet te snel belemmeringen zien en weinig sociale barrières kennen. Kansen zien en grijpen.

“Almere is jouw of beter gezegd jullie thuis”, zeg ik. “Wil je ooit weer weg? Verveel je je?”
Katja kijkt me lachend aan en zegt: “Geen denken aan. We hebben er nog geen seconde spijt van gehad dat we hier zijn komen wonen. Je moet in Almere eerder oppassen dat je agenda niet te vol raakt dan dat je je verveelt of vereenzaamt. Het begrip ‘je thuis voelen’”, besluit Katja, “heeft voor ons vooral te maken met je gekend weten en je geliefd voelen. Vrienden hebben.”

 

Meander


“Woorden over Leven…”: © Meander; Almere; 7 maart 2018.

Voetnoten:

1               Utrechts Studenten Concert; https://www.usconcert.nl
2               Utrechts Studenten Koor en Orkest; https://usko.nl
3               Atletiekvereniging Almere ’81; https://www.almere81.nl
4               Katja Urban: “Woorden over leven.”; www.woordenoverleven.nl
5               Doopsgezinde Gemeente Almere; http://www.dgalmere.nl/ 

Foto en tekening:

Foto Katja Urban: ©Katja Urban
Logo Woorden over Leven: ©Katja Urban

“Woorden over Leven…” is het verhaal van Katja Urban over haar Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Wij willen écht meedoen

Wij willen écht meedoen

Drie mannen wandelen de Nieuwe Bibliotheek van Almere binnen. Voorop loopt een vrij lange man met een slank, donker gezicht. Een brede, sterke kerel met een donkere kroesbaard en een brede lach loopt samen met een wat kleinere, serieus kijkende man achter de lange man aan. De kleine man draagt een blauwe muts.
Ze blijven staan bij de banner van Suburbia over ‘Almere mijn Thuis’, lezen wat er op staat, overleggen en kijken daarna in onze richting. We pakken de wellicht onbedoelde uitnodiging om hen uit te nodigen op, stappen op hen af en vragen de drie heren meedoen en hún verhaal over Almere willen vertellen. Ze gaan zitten, krijgen koffie en stellen zich pas voor als we vragen hoe ze heten.

De drie komen uit Somalië. Toen ze nog in Somalië woonden, kenden ze elkaar niet.
De kleinste man met de muts en de man met de brede lach kwamen al in 2008 in Nederland, zijn inmiddels genaturaliseerd en hebben een Nederlands paspoort. Toen ze in Nederland kwamen, moesten ze eerst naar Ter Apel. Daar ontmoetten ze elkaar.
De lange man kijkt me wantrouwend aan en vraagt wat wij met de informatie gaan doen. Ik leg hem uit waar de verhalen voor worden gebruikt en dat de verhalen, indien zij dat wensen, anoniem kunnen worden geschreven. Hij knikt om aan te geven dat hij het begrijpt. Hij vertelt vervolgens dat hij in 2011 naar Nederland is gekomen. Na elf dagen te hebben gewacht op Schiphol, werd hij naar het AZC in Crailo in het Gooi gebracht. Toen Crailo dicht ging moest hij in Dronten wachten op een huis in Almere.

De vrouw van de kleinste man kwam in 2009 naar Nederland. Ze hadden toen nog geen kinderen. Nu hebben ze er vier in de leeftijd van zeven maanden tot zeven jaar. Geboren Almeerders.
De brede man vertelde schouderophalend dat zijn vrouw ziek was en daarom niet naar Nederland mocht komen. Ze is nu voldoende hersteld en is bij de grens van Somalië met Kenia. Hij hoopt dat zijn vrouw dit jaar samen met hun kinderen in Nederland zullen aankomen.
De vrouw van de lange man kwam in 2013 naar Nederland. Hij heeft ze na aankomst drie dagen gezien. Daarna werden zijn vrouw en kinderen naar Ter Apel gebracht en moesten ze een tergend lange procedure doorlopen. Na het verblijf in Ter Apel werden ze naar een AZC in Sint Annaparochie gebracht. Sint Annaparochie is een dorp in het uiterste noorden van Friesland. Hij woonde al die tijd in Almere en zag hen weinig, omdat het reizen naar Sint Annaparochie uren duurde en de reis veel geld kostte. Daar kwam nog bij dat hij daar niet mocht blijven slapen. Maanden later mochten zijn vrouw en kinderen naar Almere komen en werd het gezin definitief herenigd.

De kleine man en de brede, goedlachse man werken beiden bij hetzelfde bedrijf in Almere. Ze werken er steeds twee jaar om vervolgens zes maanden niet te werken. Het werk loopt via een uitzendbureau. Het grote bedrijf, noch het uitzendbureau, willen een contract voor onbepaalde tijd aangaan. In de zes maanden dat ze niet werken krijgen ze een werkloosheidsuitkering via het UWV. Een uitermate merkwaardige constructie waar ze zelf niet voor kiezen. Het is het gevolg van de wetgeving over tijdelijke en vaste arbeidsover-eenkomsten die tot deze werkwijze van bedrijven en uitzendbureaus leidt. Geplande, overbodige werkloosheid.

De kleinste en jongste van de mannen wil graag studeren, maar hij is dertig jaar en komt niet meer in aanmerking voor studiefinanciering. Het bedrijf waar hij werkt wil hem wel een opleiding laten volgen, maar daarvoor moet hij eerst een wiskundecertificaat halen op vmbo-niveau. Hij kan die opleiding niet betalen en wordt niet geholpen om verder te komen.
De vriendelijke collega van de jonge man is eigenlijk automonteur en wil graag een eigen bedrijf beginnen, maar krijgt daar geen kans voor. Opleidingen zijn onbetaalbaar en hij kan nergens aan de slag om te laten zien wat hij kan. Niet eens als stagiaire, of vrijwilliger.
De lange man werkt nog niet. Hij zegt dat hij is opgeleid als apothekersassistent en dat hij dat werk graag in Nederland wil doen. De taal is een belangrijke barrière, daarom doet hij zijn best om zijn Nederlands te verbeteren. Hij heeft die taalkennis nodig om een opleiding voor apotheker of apothekersassistent te volgen in Nederland, al weet hij nog niet hoe hij dat moet betalen.

De kleine en de lange man hebben beiden een huis in Almere waar ze met hun gezin wonen. De immer vrolijk lachende man met de donkere kroesbaard woont op een kamer bij een collega. Hij kan pas een huis huren als zijn vrouw en kinderen in Almere kunnen en mogen komen.
De drie mannen zeggen goed contact met hun buren te hebben. Ze vinden die contacten belangrijk, want dan leren ze de taal sneller. Toch hebben ze vooral contact met andere Somaliërs in Almere. Het thuisgevoel voor hen wordt mede bepaald door het thuisgevoel van Somalië in Almere.

Het valt op dat de twee mannen die al langer in Nederland wonen, goed en nagenoeg accentloos Nederlands spreken. Grammaticaal is het Nederlands van de kleinste man uitstekend. Hij heeft kinderen die naar de basisschool gaan. Dat kan een voordeel zijn.

De jongste man wil graag in Almere blijven wonen en werken, ondanks het feit dat hij veel problemen heeft gehad in Almere. Hij zei: “De mensen praten tegen je en denken dat je alle regels kent en begrijpt. Dat is natuurlijk niet zo. De taal is lastig in het begin en hoe moeten wij al die regels kennen. Er is weinig begeleiding. Ik was drieëntwintig toen ik hier kwam en wilde studeren. Alleen de inburgeringscursus werd betaald. Toen ik zevenentwintig jaar was hoorde ik pas over de studiefinanciering, maar toen was ik te oud. Nu ga ik proberen wiskunde vmbo te halen, maar ik weet nog niet hoe ik dat moet doen en moet betalen.”
Zijn collega met de baard wil voor zichzelf en zijn gezin een toekomst opbouwen in Almere, bij voorkeur als automonteur in een eigen bedrijf. Het maakt hem niet uit wat hij er allemaal voor moet doen. Als het uiteindelijk lukt om een eigen garage te hebben, heeft hij er veel voor over.

De lange, ernstig kijkende man wil er alles voor doen om apotheker, of apothekersassistent te worden. Hij wil wel beginnen als vrijwilliger in een Apotheek. Hij wil graag in Almere blijven met zijn gezin, maar als hij ergens anders werk kan krijgen is hij bereid te verhuizen.
De man wijst ons op een probleem met het onderwijs van kinderen die niet in Nederland zijn geboren. “Ze sturen veel kinderen naar het praktijkonderwijs, omdat de achterstanden te groot zijn. In plaats van ze te helpen de achterstanden weg te werken, dumpen ze de kinderen in onderwijs waar ze niet thuis horen. Op die manier hebben onze kinderen te weinig kans om zich goed te kunnen ontwikkelen.”
Zijn  dochter zit nu in de tweede klas van de Mavo (vmbo-TL) en haalt uitstekende cijfers. Dat is mede te danken aan de directeur van de basisschool. Die heeft haar twee keer groep acht laten doen. Had hij dat niet gedaan, dan was ze ten onrechte naar het praktijkonderwijs verwezen.
“Als je er niet achteraan gaat, hoor je niets, maar deze directeur van de basisschool heeft het goed gedaan”, zegt de lange man met het voorkomen van een Masai-krijger.

Als luisteraar krijg je kromme tenen en een plaatsvervangend schaamtegevoel. Tegenover mij zitten drie mannen, die hard willen werken en studeren. Mannen die écht mee willen doen, een bijdrage willen leveren aan de maatschappij en zich willen inspannen voor hun gezin. Ze zijn gevlucht voor geweld en worden in ons prachtige land, waar ze zo graag aan mee willen werken, behandeld als tweederangs burgers. Mensen die anoniem willen blijven uit angst voor consequenties. Dat kan ons Almere niet zijn, toch?
Als wij willen dat iedereen die van buiten komt, integreert, dan moeten we ze daartoe wel een reële kans geven. Als zij Almere hun thuis vinden, of Almere tot hun thuis willen maken, moet de maatschappij ze eerlijke kansen geven.

 

Meander

“Wij willen écht meedoen”: © Meander; Almere; 4 maart 2018.

Foto Silhouet drie mannen: Internet (vrij gebruik)

“Wij willen écht meedoen”, is het tergende verhaal van drie Somaliërs. 
Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Hoe lang woon jij hier al?

Hoe lang woon jij hier al?

Voor mij zit Michiel Rijsberman, inwoner van Almere en actief politicus. Hij is gedeputeerde voor de provincie Flevoland en heeft het genoegen en de motivatie om vanuit de provincie zijn bijdrage te mogen leveren aan de groei en bloei van de provincie en daarmee aan de ontwikkeling van Almere.

woon

Michiel komt oorspronkelijk uit Amersfoort en studeerde in Delft het vak watermanagement dat destijds nog niet zo heette. Dankzij onze koning is het een bekend vak geworden.
Michiel woonde samen met zijn vriendin in Den Haag, omdat zij een studie deed in Utrecht en daar haar eerste baan had, terwijl Michiel nog in Delft studeerde.

In april 1995 begon Michiel bij Oranjewoud, in het markante betonnen gebouw aan de Wisselweg (zie foto boven het verhaal) op de hoek van de Waddendreef en de Spoordreef in Almere Stad. Het was het eerste grote kantoorgebouw in Almere Stad. In maart 1979 werd het gebouw door Oranjewoud in gebruik genomen. Het werk bij Oranjewoud was Michiels eerste baan na zijn studie.

Samen met zijn vriendin, later zijn echtgenote verhuisden ze naar Almere en kwamen ze te wonen aan de Parkwijklaan. Zijn vrouw deed als lerares eerst invalwerk op scholen en kreeg na enige tijd een baan op een school in de Kruidenwijk. Het was in die tijd niet eenvoudig om een vaste baan in het onderwijs te krijgen.
Enkele jaren later volgde Michiels echtgenote een opleiding tot fotograaf. Voor haar examen deed ze landschapsfotografie. Naast haar werkzaamheden als fotografe organiseert ze kinderfeestjes. Feestjes waar kinderen deelnemen aan een professionele Fotoshoot en hun eigen lijstje versieren.

In 1997 kochten ze een huis in de Literatuurwijk. Ze zouden vier jaar op het Stijn Streuvelshof wonen, voordat ze naar Almere Buiten verhuisden. In 2000 en 2002 werden hun kinderen geboren en precies er tussenin, in 2001, kochten ze een huis op de Bonairepier in de Eilandenbuurt.
Het was een tijd met veel veranderingen voor Michiel. Naast de geboorte van de twee zoons en de verhuizing, startte Michiel in 2000 zijn eigen onderneming op het gebied van watermanagement. Hij werkte vanuit zijn eigen onderneming onder meer voor Urk, Lelystad en Almere. Hij leerde op deze manier de provincie goed kennen.

Het project waar de Bonairepier deel van uitmaakt, ligt in de derde BouwRAI van Almere. Een project met de titel “Gewild Wonen” waar architecten de ruimte kregen en regels minder tot niet van toepassing zouden zijn. Helaas woonden Michiel en zijn gezin net op die ene pier waar door omliggende bewoners moeilijk over werd gedaan. De balkons van de woningen aan de andere kant van de Bonairepier dan die waar Michiel en zijn gezin woonden, moesten worden verwijderd, als gevolg van een fout van een notaris. Deze notaris had het water tussen de woningen van de Bonairepier en de woningen aan de Antillenweg ten onrechte volledig eigendom laten worden van de bewoners aan de Antillenweg. De balkons aan de noordzijde van de Bonairepier hingen dus boven het eigendom van de overburen aan de Antillenweg. Die bewoners zagen hun kans schoon om de balkons te laten verwijderen, opdat zij vrij op hun eigen balkons aan het water konden zitten. Pas enkele jaren geleden, werd het juridische conflict definitief opgelost en werden de balkons teruggeplaatst.

De familie Rijsberman heeft nooit serieus overwogen weer te verhuizen, ook al hadden ze dat misschien wel gewild, maar de waarde van hun huis was al die jaren een stuk lager dan de aankoopprijs door het gedoe met de balkons van de overburen op de Bonairepier. Wat we nog niet weten tijdens dit gesprek, is dat ik ruim een uur later een gesprek heb met een overbuurman van Michiel, die de vruchten van het balkondebacle heeft geplukt.
Michiel: “De huizenprijzen stijgen weer, dus wie weet is er een kans. We hebben nagedacht over een woning in Oosterwold. De kinderen vonden het ook leuk, tot ze ontdekten dat het deel van Oosterwold waar we onze woning wilden ontwikkelen in Zeewolde lag. ‘Dat gaan we echt niet doen’, zeiden ze. ‘We gaan niet in Zeewolde wonen.’ Voor ons was het duidelijk. Almere was en zou het blijven en niet een dorp verderop, zelfs als dat slechts een imaginaire grens betrof.”

“Ik werd lid van D66″, zei Michiel, “omdat D66 uit de Tweede Kamer dreigde te verdwijnen en ik de partij op die manier wilde steunen. Ze vroegen of ik mij actief kon inzetten. Zo kwam ik onder meer op de lijst van gemeenteraad op plek 26 als ‘lijstvulling’. Logischerwijs werd ik niet gekozen, maar ik deed actief mee, ook in de campagne. In 2010 werd ik lijsttrekker namens D66 voor de verkiezingen van de Provinciale Staten. We haalden in 2011 drie zetels en ik werd fractievoorzitter. Vier jaar later haalden we vier zetels en werd ik gedeputeerde.”

Een van de grote projecten waar Michiel Rijsberman vanuit zijn huidige functie aan werkt, is het Nationaal Park Nieuw Land. Hij dringt er bij mij op aan om de website eens te bekijken en dat heb ik inmiddels gedaan. Een project om de Oostvaardersplassen en andere natuurgebieden meer toegankelijk te maken, met behoud van de wilde natuur. Het is een  project dat Lepelaarsplassen, Oostvaardersplassen, een deel van het Markermeer en de Marker Wadden, die in dat Markermeer worden ontwikkeld, tot één groot Nationaal Park om moet vormen. Een schitterend en groots project.

woon
Marker Wadden

Ik vraag Michiel naar zijn beleving bij het begrip: ‘Almere mijn thuis’, ook al is Flevoland als totaal zijn thuis.Michiel zegt: “Hier heb je mentaal en fysiek de ruimte om jezelf te zijn. Als je jouw leven op je eigen manier wil inrichten dan kan dat. In Amersfoort vinden de buren er altijd wel wat van, hier niet. Mensen hoeven het niet samen te doen in Almere, maar je kunt wel veel samen doen. Dat gebeurt in Almere in sterkere mate dan elders.”
Onvermijdelijk gaat het over het imago van Almere, maar dan in de beleving van mensen die er niet wonen. Ten onrechte een negatief imago, want waarom zou Almere 206.000 inwoners hebben, als het er slecht toeven is.

Michiel werkt mee aan een culturele broedplaats in Almere Poort waar velen aan deelnemen. Mooie projecten als ‘Gluren bij de buren’ (mensen toelaten in je woning tijdens een cultureel huiskamerfestival) en theatergezelschappen als Vis à Vis en Suburbia trekken bezoekers en maken deel uit van de samenleving en de buurt.”
Onvermijdelijk praten we over het belang van kunst en cultuur en de bezuinigingen op de vrije en creatieve uiting van kunstenaars. We zijn het er over eens dat het beter kan en dat het slim besteden van beschikbare middelen aan de juiste projecten verstandig en noodzakelijk is.

We komen tot een afronding en Michiel lacht even en zegt dan: “Wat ik mooi vind, is dat Almeerders altijd zeggen hoe lang ze hier al wonen.” Ik deel die ervaring met Michiel en doe er zelf aan mee. Het geldt vooral voor de mensen die hier niet geboren zijn. “Almere is ons thuis”, besluit Michiel.

 

Meander

“Hoe lang woon jij hier al?”: © Meander; Almere; 9 maart 2018.

Foto’s:

Michiel Rijsberman: Flevopost.
Gebouw Oranjewoud: Gemeentearchief Almere.
Marker Wadden: De Ingenieur.

Voetnoot

1               Nationaal Park Nieuwland: https://www.nationaalparknieuwland.nl/nl

“Hoe lang woon jij hier al?” is het verhaal van Michiel Rijsberman over zijn Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
‘t is niet meer wat het geweest is

‘t is niet meer wat het geweest is

Het geluid van een fluitje snerpt over het veld. Het spel valt stil. Het is 1984. De scheidsrechter wijst in de richting van het doel om aan te geven voor wie de vrije trap is. Twee spelers van het andere team zijn het er niet mee eens en lopen op hem af. Ze roepen tegelijkertijd en door elkaar heen, half verstaanbaar commentaar, ondersteund met krachtige verwensingen, bedoeld voor de man die in hun ogen een verkeerde beslissing heeft genomen. De scheidsrechter pakt stoïcijns de bal op en legt hem op de plek waar de vrije trap genomen mag worden. De twee spelers blijven op hem inpraten, maar de scheids neemt negen ruime passen vanaf de bal naar het doel om aan te geven op welke afstand een eventueel muurtje kan worden gevormd. Dan loopt hij weg bij de twee spelers, die inmiddels zijn stilgevallen bij gebrek aan gehoor voor hun zinloze klaagzang. De speler die de vrije trap gaat nemen staat klaar. Het fluitje klinkt en hij neemt een aanloop.

geweestNu, vierendertig jaar later, zit die scheidsrechter tegenover ons om zijn verhaal over zijn Almere te vertellen. Ed Peereboom is een geboren Amsterdammer. Dat kun je en dat mag je horen, al kun je zijn Amsterdamse accent het beste typeren als algemeen, beschaafd, plat Amsterdams.
Ed is vierenzeventig en heeft nog steeds het uiterlijk, zij het met een vriendelijke, brede glimlach, van iemand waar je niet tegenin wilt gaan. Een karakteristieke, krachtige kop, waar het hart van menig tekenaar sneller van gaat kloppen.

Voordat hij scheidsrechter werd, werkte Ed in de horeca. In 1980 floot hij tweede klas KNVB, onder meer op de Veluwe. Daarna kwam hij bij Ajax in dienst als scheidsrechter en grensrechter. Hij is nog steeds betrokken bij Ajax en bij Almere City, al is hij onlangs gestopt met fluiten en vlaggen. Hij vond dat een zware griep, die dit keer enkele weken duurde, aangaf dat het genoeg was geweest. Zijn gezondheid gaat voor, vindt hij.

Ed is geboren in de Pijp en woonde tegenover de zeven jaar jongere André Hazes. Ze stalen samen wel eens een appeltje op de Albert Cuyp.
Op een gegeven moment ontmoette hij Josephien, voor intimi Fien. Binnen de kortste keren woonden ze samen in de Spaarndammerbuurt. In 1963 zijn Ed en Fien getrouwd. Later zijn ze in Buitenveldert gaan wonen en daarna in Gaasperdam. In 1997 verhuisden ze naar Almere, omdat hun zoon hier woonde. Hun dochter woont in Utrecht. Ed is inmiddels de trotse opa van vier kleinkinderen.

Ed: “We dachten dat het lastig was om een hypotheek te krijgen, maar dat lukte toch. We kochten een schitterend huis in de Danswijk, aan de Hoge Vaart, weet je wel? We hadden dat huis ook gekozen voor onze rust. Dat viel ondanks de mooie plek vies tegen. We hadden hele aardige, gezellige buren. Surinamers. Maar…, die maakten veel lawaai. Heel veel lawaai. Ze praten hard, net als jij”, zegt Ed lachend tegen mij. “Er kwamen vaak en meestal veel mensen op visite. Dan kookten ze in de schuur. Lieve mensen hoor, daar niet van, maar wij hadden er last van. We wilden geen ruzie, dus we lieten we het maar zo, tot het echt teveel werd. Na twee jaar in de Danswijk zijn we op zoek gegaan naar een ander huis. We kochten een huis in Tussen de Vaarten. Het was een nieuwe woning in de Johannes Vermeerstraat. Onze zoon woonde verderop in die straat. Hij woont er nog. Het is nog steeds een gezellige buurt.

Ed en Fien werden in 2008, samen met enkele anderen, de eerste bewoners van Almere Poort. Ze hadden het huis in Almere Poort speciaal gekocht voor Fien, omdat zij met haar reuma, suiker en fibromyalgie een gelijkvloerse woning nodig had. Aan de achterzijde heeft het huis een oplopende ingang. Ze heeft er bijna vijf jaar gewoond. In 2013 is Fien helaas overleden.
“Je mist haar natuurlijk, hé”, zegt Ed. “Ik woon hier lekker hoor, maar in principe heb ik hier niet wat ik eigenlijk wil. Ik wil een huis met een tuintje. Dat kan ik dan bijhouden en ik kan er lekker in zitten. Snap je? Als we hadden geweten dat het Arte College voor onze deur zou komen, hadden we het niet gedaan. Het was helemaal niet de bedoeling dat daar een school zou komen, maar ineens kwam de school er toch. Weer geen rust en er is hier niets te doen. Ik vind het niet gezellig in Almere Poort. Ik voel me meer thuis in Tussen de Vaarten.”

geweestEd is met Boomer, zijn hond, een vast element in het straatbeeld van het Europakwartier. Hij komt regelmatig in Artesjok, een familierestaurantje op steenworp afstand van zijn huis.
Ed: “Het is gezellig in Artesjok, maar je mist een echte ‘ouwerwetse’ kroeg. Je weet wel, een bruine kroeg. Ik zou wel wat meer contact willen met andere mensen nu mijn vrouw er niet meer is, maar er is hier niks.” Hij kijkt ons betekenisvol aan in de hoop dat we het begrijpen. Dat doen we.
“Gelukkig ben ik voorzitter van onze vereniging van eigenaren”, zegt Ed. “Daar heb ik best veel werk van. Ik hou de boel in de gaten. Vreemde mensen stuur ik weg. We doen zelf geen onderhoud. Dat besteden we uit, behalve de tuin. Ik verwijder het onkruid en snoei de lage struiken en planten.”

We vragen of Ed zich thuis voelt in Almere.
Ed: “Het was mooi in het begin. Veel groen. We wandelden en fietsten veel, maar het groen is steeds minder geworden en het onderhoud is heel slecht, vooral hier in Poort. Onkruid verwijderen en maaien doen ze te weinig en ze doen het slecht. Als de bestrating of de lampen stuk zijn, duurt het zeker veertien dagen voor ze er wat aan doen. Als je de gemeente belt, hoor je er meestal niks meer van. En dan het parkeren. Wel meer woningen, maar niet meer parkeerplaatsen. Bij ons voor de deur en tot ver in de wijk worden auto’s geparkeerd van mensen die met de trein gaan.”

Ed praat, zoals een goede scheidrechter fluit. Duidelijk, krachtig en tegenspraak is ondenkbaar. De glimlach, die zijn gezicht niet wil verlaten, lijkt paradoxaal daarmee, maar dat is slechts schijn. Ed is goedmoedig, vriendelijk en zoals een recht geaarde Amsterdammer betaamt, geeft hij bevlogen commentaar op wat niet deugt, ook al noemen anderen dat mopperen.
Hij Peereboom neemt de gelegenheid te baat om nog wat onvrede te uiten: “Het is toch schandalig. In Almere betaal je hondenbelasting, maar elders niet. Ik betaal belasting voor mijn hond, maar moet wel alles opruimen. Ik ruim niks op, want ik betaal al. Katten lopen vrij rond. Waarom moet daar geen belasting voor worden betaald?”
De Albert Heijn om de hoek moet het ook ontgelden. “De Appie is om de hoek, maar ze hebben de helft niet op voorraad. Altijd lege schappen, daarom ga ik naar Stad voor de boodschappen. Daar hebben ze een Vomar, een Dirk en een Deen. Alles op voorraad en een stuk goedkoper.”

Ed vat zijn dubbele gevoel over Almere als volgt samen: “Het is hier leuk en het is hier mooi, maar het is niet meer wat het geweest is. Heel misschien ga ik in Spanje wonen, als ik de hond niet meer heb. In Benidorm. Een vriend van mij woont daar. Ik spreek geen woord Spaans, maar dat maakt mij niet uit.”

Meander

“t is niet meer wat het geweest is”: © Meander; Almere; 2 maart 2018.

Foto’s:

Almere Poort: @Meander; 27 september 2018
Ed Peereboom: @Meander; 3 maart 2018
Boomer: 
@Meander; 27 september 2018

‘t is niet meer wat het geweest is, is het verhaal van Ed Peereboom over zijn Almere. 
Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.

Eindelijk Thuis

Eindelijk Thuis

Jacqueline en Henk Heikens zitten te popelen om hun verhaal te vertellen. Ze waren veel eerder aanwezig dan was afgesproken. Een verhaal hebben ze. Je wordt door hun vertellingen en de manier waarop ze vertellen van de ene naar de andere plek en van de ene in de andere beleving geslingerd.
Jacqueline en Henk wonen voor de tweede keer in Almere en willen hier nooit meer weg. Het verhaal is geschreven in de volgorde waarin Jacqueline en Henk het hebben verteld. Levendig en actief, zoals ze zijn.

Jacqueline heeft een vrolijke lach waar haar hele gezicht uitbundig aan meedoet, inclusief haar licht samengeknepen, meelachende ogen. Ze is overduidelijk net als haar man een levensgenieter. Het feit dat ze een stok nodig heeft maakt geen verschil. Sterk en positief. Lachende ogen onder levensrijk en ervaren, blond haar, kijken je aan.
Henk is een grote, stevige, sterke man met een forse sik en een snor, tussen twee gladgeschoren wangen. Zijn glimmende hoofd weerkaatst het licht van de bibliotheek. Uitdagend en breed glimgrijnzend, kijkt hij je aan. Een Amsterdamse en een Groninger, waar heb ik dat meer gehoord?

Het gesprek begint met de mededeling dat Willem Jan Hagens de biografie van Henk heeft geschreven en Carla Prins samen met Jacqueline een boek heeft geschreven over haar zeven jaar op Bonaire. Beide auteurs zijn vrijwilliger bij het project Levensboek van Humanitas. De twee boeken zijn tegelijkertijd gepresenteerd in de gemeenschappelijke ruimte van Woongroep Polter 50+ aan het Mies Deinumplantsoen, waar Jacqueline en Henk sinds 2014 wonen. Ik heb beide boeken gelezen. Het zijn accurate, boeiende levensbeschrijvingen.

Henk vertelt dat hij zijn hele leven in de horeca heeft gewerkt. Later werkte hij als adviseur bij Horeca Nederland en had hij een rayon dat reikte van Texel tot Haarlem en Tiel.
Jacqueline valt in en zegt: “We zijn voor de tweede keer getrouwd.”
Ik vraag iets te gevat “Met elkaar?” We lachen er om, want dat is niet het geval, maar de manier waarop Jacqueline het zei, bood een kans.

“Vroeger heb ik bij hem gewerkt”, zegt Jacqueline. In het AC Restaurant op de kop van de Afsluitdijk. Maar in 1980 ben ik met mijn toenmalige echtgenoot en kinderen naar Bonaire gegaan. In 1987 ben ik teruggekomen en heb ik in Nederland de echtscheiding geregeld. Henk was net als ik alleen, dus zo is het gekomen. Samen hebben we vier kinderen. Drie jongens en een meid, twee van Henk en twee van mij. Een samengesteld gezin. We hebben elf kleinkinderen, die eveneens deel uitmaken van een samengesteld gezin.”

Jacqueline zegt: “Ik stond in mijn eentje met nul centen op Schiphol toen ik terugkwam, daarom ging ik terug naar Leeuwarden, want daar had ik met mijn ex-man gewerkt en daar woonden vrienden.”
Henk: “Ik werkte inmiddels bij Horeca Nederland en woonde in Schraard.”
“We kwamen elkaar tegen in Leeuwarden”, zegt Jacqueline.
“Toevallig”, zegt Henk. “Ik liep op de Passa Gambir in Leeuwarden en ging met vrienden naar een gezellige kroeg waar een bepaald type uitdagende vrouwen kwamen. Laten we het er op houden dat het verstandige vrouwen waren. Voordat we naar die kroeg gingen kwam ik haar tegen”, Henk knikte in de richting van Jacqueline. “Jacqueline stond handdoeken te verkopen op de Passa Gambir.”
“Het was 7 april 1989, de trouwdag van mijn ouders”, zegt Jacqueline. “Hij vroeg, ben jij Jacqueline van Aruba? Ik zei, nee. Ik ben Jacqueline van Bonaire. Drie maanden later woonde hij bij mij en zo verloor het mooie Schraard een van zijn belangrijkste inwoners.”

“Het was een lastige periode,” zegt Henk, “want ik reed honderdduizend kilometer per jaar. Acht uur rijden, acht uur werken en acht uur slapen. Dat hou je niet vol. We zochten daarom een plek in het midden van mijn rayon en kozen voor Almere. In 1990 huurden we een mooi appartement aan de Bankierbaan.”
Jacqueline: “Ik kon onmiddellijk aan de slag bij Amici, een kledingwinkel voor dames en heren, vlakbij ons huis.”
“Het scheelde mij vier uur per dag”, zegt Henk. Ik hield tijd over. We werden lid van D66 en voor we het wisten, was ik voorzitter en Jacqueline bestuurslid. Als jij toen in de gemeenteraad zat”, zegt Henk tegen mij, “dan moeten we elkaar wel ontmoet hebben.”
“Vast”, zeg ik, “maar de aandacht voor jouw partij lag voor mij, als lid van de gemeenteraad bij mensen als Jan de Vletter en bijvoorbeeld Willem Woudenberg.” Ze veren beiden op. “Willem was een goede vriend van ons”, zegt Jacqueline. We dwalen af in gezamenlijke herinneringen, tot we ons verdiepen in andere elementen van het leven van de Heikens.

Toen ze zes jaar op de Bankierbaan woonden, kregen beiden binnen enkele maanden van elkaar ontslag. Enige tijd later kochten ze B&B ‘Eesterburen’ op de Grauwe Kat in Arum, niet ver van de Afsluitdijk in Friesland. In 1997 verhuisden ze naar Arum en gingen in de woning van het toekomstige hotel wonen.
Henk vertelt: “Het was eerst een Bêd & Brochje1, een omgebouwde oude boerderij met vijf kamers. We hebben het volledig verbouwd naar tien kamers en helemaal gemoderniseerd. Architect Oebele Hoekstra uit Almere heeft het ontwerp gedaan en de verbouwing begeleid. De boerderij ligt op een prachtige locatie midden in het boerenland. Het is er oorverdovend stil, zoals een tevreden klant het verwoordde.” Trots zegt Henk: “We hebben zowaar drie jaar in de Michelingids gestaan.”

Jacqueline vertelt dat regelmatig bekenden uit Almere kwamen logeren, waaronder Allard Veldhuis. Allard was er bij toen Henk een aanval van Ménière kreeg. Dat was op oudejaarsavond 1999. Ze waren toen nog bezig met de verbouwing.
Henk: “Daar ben ik gelukkig weer bovenop gekomen. We maakten van alles mee. Zoals het bezoek van leden van de Mossad onder politiebegeleiding en meer van dat soort bijzondere bezoeken. De afgelegen ligging trok nu eenmaal bepaalde mensen aan.”
Jacqueline kreeg een burn-out in 2002. Ze zegt: “Ik vond mezelf terug op het ijs van een sloot en ben er op een of andere manier zelf uitgekropen. In het pikkedonker ben ik naar huis gestrompeld.”
Henk zegt: “De hond stond voor de deur, zonder Jacqueline. Ik maakte me zorgen en wilde net gaan zoeken toen ik haar zag lopen, met één schoen in haar hand.”
“Ik kwam thuis, dat weet ik, maar ik kan me er niets meer van herinneren”, zegt Jacqueline.

Na alle goede en minder goede avonturen en ervaringen, verkochten ze in 2005 het hotel aan de Thomasstichting. Dat was nog net op tijd, want drie jaar later was de financiële crisis met alle gevolgen een feit.
Jacqueline zegt: “Logischerwijs gingen we naar Leeuwarden, want dat was dichtbij en we kenden het goed. Op dat moment dachten we niet aan Almere. We werden weer overal lid van. Zonnebloem, D66, een zangvereniging en vluchtelingenwerk.”

Henk: “Op een gegeven moment vatten we het idee op om te verhuizen naar een woongroep.”
“De aanleiding was dat er voor de zoveelste keer iemand enkele dagen dood in een appartement lag”, zegt Jacqueline. “Ik ben gaan googelen en zo vond ik Woongroep Polter 50+. De woongroep ligt aan het einde van de Evenaar in Almere Buiten. We wonen er sinds 2014. De leeftijden variëren van vlak boven de vijftig tot ver in de tachtig. De Woongroep past prima bij de verhalen van Hendrik Groen al wil niet iedereen in de woongroep dat horen, hahaha.”

eindelijk
Woongroep Polter 50+

Henk is voorzitter van de woongroep en Jacqueline is lid van de commissie werving en selectie. Jacqueline: “Het selectieproces kent drie stappen. Je komt er niet zómaar in, je moet wel in het pulletje vallen.”
Henk vult haar aan: “De woongroep gaat uit van zelfredzaamheid, nabuurschap en zelfstandigheid. We hebben behoefte aan gemotiveerde buren, die goed in de groep vallen. De woongroep moet haar best doen om nieuwe potentiële bewoners te werven, anders vult de woningcorporatie het in.”
Polter 50+ is gehuisvest in een kasteelachtige bouw met Mediterraan ogende bakstenen. Op het meer dan duizend meter grote binnenterrein is een gevarieerde, rijke tuin aangelegd. Een grote spar, fruitbomen, een tuinhuisje, bankjes, een jeu de boulesbaan en nog veel meer. De tuin wordt door de leden van de woongroep onderhouden.

Omdat het uur dat we hebben in de Bibliotheek is verstreken, spreken we af dat Jacqueline en Henk de rest van hun verhaal thuis vertellen. Ze nodigen mij uit om langs te komen.

Als ik op de galerij loop, word ik welkom geheten door tientallen fluitende en kwetterende vogels. De woningen liggen enkele honderden meters van de Oostvaardersplassen en de vogels vinden hier een overvloed aan nestplaatsen, aanvliegpunten en eten.

Jacqueline zegt: “Hoe je je ook went of keert, hoe je je ook voelt en wat er ook gebeurt, je bent hier nooit meer alleen.”Henk is het daar volledig mee eens en zegt: “We zijn er trots op dat we terug zijn gekomen naar Almere. We voelen ons thuis en willen hier nooit meer weg.”

 

Meander


“Eindelijk Thuis”: © Meander; Almere; 4 maart 2018.

Foto’s:

Jacqueline en Henk Heikens: @Meander; 4 maart 2018
Woongroep Polter 50: @Meander; 20 maart 2018

Voetnoot:

1               Bêd & Brochje is Fries voor Bed and Breakfast.

“Eindelijk Thuis” is het verhaal van Jacqueline en Henk Heikens over hun Almere. 
Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Ruimte, Lucht, Water en Groen

Ruimte, Lucht, Water en Groen

Dorrit Gooskens keek voor de derde keer om de hoek van de boekenkast in de bibliotheek van Almere Buiten. Het gesprek met de eerste verteller was uitgelopen. Toen dat gesprek eindelijk was afgerond, kwam Dorrit enthousiast aanlopen. Ze had een aantal kaartjes in haar hand en droeg een tas aan haar arm. Ze bleef bij de tafel staan, legde de kaartjes op tafel en pakte uit haar tas nog meer spullen, die ze op tafel legde. Een tekening of schilderij die ze met de achterkant naar boven neerlegde en een stuk hout dat ze er naast legde. Ze had zich goed voorbereid, zoveel was wel duidelijk, daarom besloot ik haar zelf te laten vertellen, in plaats van vragen te stellen. Dat kon straks nog wel, als dat al nodig was.

Dorrit pakte haar eerste kaartje waarop een lijstje met onderwerpen stond. Ze vertelde dat ze met haar man op de Bahama’s had gewoond en daarvoor in Groningen. Ze begon haar verhaal vanaf haar leven op de Bahama’s.
“Ik hou van dromen”, zei Dorrit. “Ik heb vaak dromen die richtinggevend zijn voor mijn leven. Door die dromen ben ik in Almere terechtgekomen, dat weet ik zeker. Toen ik droomde hoe ik verder wilde met mijn leven, woonde ik op Grand Bahama. Mijn man had daar werk en het was op een bepaalde manier onze enigszins langdurige huwelijksreis. In het begin was ons leven daar een droom, het was prachtig en ik genoot volop, maar sommige dromen zijn, als het er op aan komt, moeilijker te leven dan te dromen.”

ruimte
Grand Bahama en de overige Bahama’s

De betekenis van dromen en wat je gevoel vermag, hield ons even bezig, voor we verder gingen.
Dorrit pakte de draad weer op en zei: ”Ik vond een door de zee afgeslepen en door het zeezout verweerd stuk hout op het strand en heb al mijmerend, zittend in de zon op het strand, met een vergrootglas geduldig onze achternamen in het hout gebrand.” Ze pakte het stuk hout en draaide het om.

ruimte

“Ik twijfelde”, zei Dorrit. “Niet aan ons, maar wel aan de subtropische ‘droom’omgeving. Mijn man is tropisch, agrarisch expert en had het druk. Ik ben psycholoog, maar kon geen werk vinden. Het gevolg was dat ik me verveelde en steeds ongelukkiger werd. We hebben er met elkaar over gesproken en samen besloten we dat ik terug ging naar Nederland.
Hij begreep het, maar wilde niet meteen met mij mee, terug naar Nederland. ‘Als ik werk heb en een huis, dan ben je welkom’, heb ik hem gezegd. Na dat besluit ben ik gaan dromen over wat voor huis ik wilde. Ik heb op Grand Bahama een huis geschilderd in een zelf bedachte omgeving. Een combinatie van daar en van mijn wens in Nederland. Ruimte, lucht, water en groen daar ging het mij om. Ik schilderde de plussen van Grand Bahama deels naar hier. Je kunt het schilderij beschouwen als een gevisualiseerde droom.”

Het schilderij werd omgedraaid en Dorrit vertelde wat ik zou moeten zien. Ik zag het. Ruimte, lucht, water en groen al was het water vooral abstract aanwezig.
“Almere dus”, zei ik.
“Niet direct”, zei Dorrit. Ze pakte het tweede kaartje en legde de eerste weg.

ruimte

Dorrit: “Ik vertrok, kwam aan op Schiphol zonder plannen en dacht: wat nu? Eerst maar eens werk zoeken. Ik deed verschillende sollicitaties, zo ook vlakbij Hoog Catharijne. Daar zag ik dagelijks zwervers. Ik dacht: O jee, straks wordt ik ook zo, want ik had geen eigen woning. Ik kon gelukkig op verschillende plaatsen overnachten, omdat ik op mensen hun huis paste als ze met vakantie waren, maar een eigen thuis had ik niet. Gelukkig vond ik na lang zoeken vast werk in Utrecht bij een ondersteuningsinstituut voor eerstelijnssamenwerking. Na een tijdje werd het een landelijk project over medicatiebeleid voor huisartsen in samenwerking met apothekers.”
We schonken nog een kopje thee in.

Dorrit vervolgde haar verhaal en zei: “Ik had een baan en een inkomen. Nu nog een huis, dacht ik. Dat was niet eenvoudig in Utrecht, daarom ging ik in Lunetten naar een mogelijke woonruimte kijken. Vreselijk. Geen lucht, geen ruimte, geen groen, geen water. Nooit van mijn leven, dacht ik. De volgende dag heb ik een advertentie in de Volkskrant gezet: ‘Zoekt u iemand die voor uw huisraad en huisdieren zorgt, terwijl u in het buitenland bent? Ik kan u de komende twee jaar helpen.’ Binnen een week kreeg ik een aantrekkelijke reactie. Zo kwam ik, geheel onverwacht, in Almere Haven terecht. Ik ging met de trein en met de bus. Het was een nogal omslachtige reis en niet handig voor mijn werk, vond ik op dat moment.”
Dorrit keek even op haar kaartje en zei: “Het huis waar het om ging, stond op de Wilgengriend in Almere Haven. De eigenaren waren opgetogen met mijn komst en dachten dat het al in kannen en kruiken was. Er waren twee poezen die ze niet mee wilden nemen naar China, omdat ze bang waren dat die daar opgegeten zouden worden. Ze hadden iemand nodig om voor hun twee schatten te zorgen, want naar een asiel brengen, of aan een ander geven, was ondenkbaar. Ze waren opgelucht dat ze mij hadden gevonden.”
We over het opeten van poezen. Ik had er nog nooit van gehoord. Honden, ja dat wel, maar poezen, nee. Dorrit ook niet, maar dat kon haar destijds en nu niets schelen.

“Ik had weinig geld”, zei Dorrit ”en het was derhalve erg verleidelijk, een huis met huisraad en al. Vanwege de lastige verbinding met het openbaar vervoer had ik zo mijn twijfels. Ik vertelde het echtpaar over dat bezwaar en even leken ze teleurgesteld, maar de vrouw van het hartelijke stel zei: ‘Pak een fiets en rij eens rond.’ Zo fietste ik even later door Almere Haven, reed ik de dijk aan het Gooimeer, langs de havenkom en verder richting Almere Stad. Ik zag tot mijn verbazing wat ik op Grand Bahama geschilderd had: ‘Ruimte, lucht, water en groen.’ Op dat moment besefte ik, dat ik in ieder geval de komende twee jaar een huis had. Eenmaal weer thuis in Utrecht belde ik mijn man en zei tegen hem: ‘Kom maar gauw naar Nederland.’ Het duurde helaas nog een half jaar voor hij kwam. Gelukkig was dat halve jaar zo voorbij.”

Het derde kaartje werd gepakt en de andere werd op de eerste gelegd. Dorrit greep terug naar haar eerste ontmoeting met Almere. Blijkbaar stond er iets over die eerste keer op dat derde kaartje.
Dorrit: “Eind jaren zeventig ging ik met een bus naar Almere. Het was een rondreis met als doel nieuwe inwoners te trekken. Er was door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders een tuinarchitect ingehuurd. Die had een wervend artikel geschreven in een landelijk dagblad. Ik las het, was nieuwsgierig en schreef me in voor de tour door de nieuwe stad. Eenmaal in Almere werd ik afgeschrikt door het in mijn ogen, uitvergrote Madurodam. Zandstormen en kleine boompjes die allemaal in een strakke, rechte rij waren geplant. Ammenooitniet, dacht ik toen. Nu, vier decennia later, woon ik al bijna dertig jaar in Almere.”

We kwamen terug op het wonen in Almere toen Dorrit en haar man nog op de Wilgengriend wonen.
Dorrit: “Dat huis was puur toeval, maar het paste perfect, net op het moment dat wij een eigen nest wilden bouwen. We wisten dat we er na twee jaar weer uit moesten en zagen op een gegeven moment een leuk huisje in de BouwRAI in de Filmwijk, maar we waren te laat. Die woningen waren allemaal al weg. We hoorden echter dat ze nog meer van die huisjes in Almere Buiten gingen bouwen. Dat leek ons een interessante optie.”
Het bleek niet zo simpel als het leek, want het stel had een woonvergunning nodig en Dorrit moest naar een commissie om te bewijzen dat ze economisch gebonden was aan Almere. Voor haar man was dat veel lastiger, want die werkte vaak in het buitenland. Ze hadden min of meer een zeemanshuwelijk.

”Mijn baas heeft me geholpen”, zei Dorrit. “Ik werkte als ondersteuner en adviseur in Utrecht. In zijn verklaring stond dat ik als adviseur werd ingezet voor advies aan gezondheidscentra in Almere. De leden van de commissie geloofden het en zo kregen wij in 1992 een huurwoning in de Dwergkonijnstraat in Almere Buiten. In 2000 hadden we genoeg geld gespaard en werden we ingeloot voor een prachtig project aan het Bosrandpark. Sinds 2001 wonen we daar in de Zaterdagstraat in de Seizoenenbuurt van Almere Buiten.”
Onze aandacht verlegde zich naar de Almeerse wijken en het Bosrandpark. We spraken over het groene Almere en hoe je simpelweg in een paar minuten fietsen langs de Oostvaarders-plassen rijdt en twintig minuten later op de dijk staat aan het Markermeer.

Dorrit zei na ons gesprekje over de Almeerse natuur: “Het Bosrandpark was de start voor onze actieve bemoeienis met de Almeerse samenleving na jaren van veel reizen voor het werk. We hebben onze bewonersorganisatie Bosrandpark mee helpen opzetten en we besturen mee. Zo kwamen we van actief meedoen, dichtbij in de eigen wijk, tot het lidmaatschap van de WMO-adviesraad van de gemeente Almere. We genieten van de vele initiateven van andere bewoners. Zo heeft een vrijwilliger van de Schoor mij een paar jaar geleden geholpen om mijn levensverhaal op te schrijven en zijn er foto’s van enkele, door mij gemaakte, keramische beelden bij gezet.”

RuimteDorrit pakte een boek van tafel en sloeg het open. Ze liet een foto zien van een beeld dat ze had gemaakt. Een beeld van drie figuren dat in hun tuin staat. Dorrit zei: “Het beeld symboliseert de uitbreiding van ons tweetjes naar ons drieën in Almere. Inmiddels zijn we stevig verankerd in Almere. Onze zoon heeft zijn eigen huis gebouwd in Almere Buiten. Wij genieten van zijn gezin en vooral van onze kleinkinderen. De omgeving is nog steeds uitstekend. Lieve mensen om ons heen, Schiphol en straks Lelystad Airport dichtbij en bovenal ruimte, lucht, water en groen.”

Dorrit zei: “Als je wat wilt in Almere moet je er soms voor vechten en je moet durven doorbijten. Daar staat tegenover dat als je rustig contacten opbouwt, je hier heel prettig oud kunt worden. Het is ons gelukt om van Almere ons thuis te maken door ons eigen, Almeerse nest te bouwen. Nu we met pensioen zijn, kunnen we er nog meer van genieten.”

 

Meander

 

“Ruimte, Lucht, Water en Groen”: © Meander; Almere; 9 maart 2018.
Foto’s en materiaal:
Grand Bahama: ©Meander; bewerking van Google Earth; 14 maart 2018
Houten object: © Dorrit Gooskens
Schilderij: © Dorrit Gooskens
Dorrit Gooskens: © Meander; 9 maart 2018
“Ruimte, Lucht, Water en Groen” is het verhaal van Dorrit Gooskens over haar Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.

 

 

Ik ben een Havenaar

Ik ben een Havenaar

We zochten nog één geïmmigreerde Almeerder die op deze woensdagmiddag zijn of haar verhaal over Almere wilde vertellen. We hadden nog een uur over, maar geen verteller. Ik dacht te weten wie een mooi verhaal zou kunnen vertellen en liep Corrosia uit, sloeg linksaf en liep na een tiental seconden binnen bij mijn kapper. Nou ja, kapper? Laten we zeggen de manager en drijvende kracht achter de zaak de afgelopen twintig jaar. Hij was niet in de kapperszaak, maar thuis. Daar nam ik geen genoegen mee. Zijn zoon, die hem inmiddels grotendeels heeft opgevolgd, belde hem en ging hem halen. Zo kwam het dat de te vroeg wel en niet gepensioneerde Gilbert Gerth twintig minuten later aan kwam lopen en wij gezamenlijk van de bibliotheek naar café Roest liepen.

Havenaar
Grand Café Roest

Roest4 is een grand café in gebouw Corrosia2 in Almere Haven, waar sinds enkele jaren de bibliotheek gevestigd is. Corrosia3 is een gebouw uit 1979, dat in de eerste vier decennia van Almere gebruikt werd en nog steeds gebruikt wordt door diverse organisaties, waaronder de gemeente Almere, een woningbouwvereniging, welzijnsstichtingen en culturele organisaties. De Roestbak, het eerste echte theater in Almere, is onderdeel van Corrosia. Tegenwoordig heet de Roestbak helaas Theaterzaal Corrosia.

Gilbert is groot, breed, nogal afgetraind en heeft een niet aflatende, vrolijke grijns op zijn gezicht onder een goed verzorgd, gemillimeterd kapsel. Hij vertelt dat hij in 1982 met zijn ouders van Uithoorn naar Almere verhuisde. Hij was toen tweeëntwintig. Zijn moeder had, voor ze naar Almere verhuisden, een kapsalonnetje aan huis in Uithoorn en zijn vader werkte in de horeca op Schiphol en bleef dat doen toen ze naar Almere verhuisden.
Toen ze pas in Almere woonden, vatten ze het plan op om een bar bistro over te nemen in Fuengirola in het uiterste zuiden van Spanje.
Gilbert: “Ik deed de hotelschool in Amsterdam. Letterlijk en figuurlijk leek een zonnige toekomst voor ons weggelegd, maar helaas. De cijfers klopten niet. Het was pure oplichterij. Mijn ouders hebben de aanbetaling verloren, maar meer niet. Ze namen hun verlies en zaten niet bij de pakken neer.”

Zoals te doen gebruikelijk maken Gilbert en ik een aantal zinloze, alleen door ons begrepen grappen over oplichters en Spanje, voor we weer verder gaan. Dit type intermezzo komt gedurende het gesprek nog een aantal keren terug en kan voor omstanders nogal verwarrend zijn.

Gilbert zegt: “Mijn moeder was kapster, zoals ik al zei. Ze kon in december 1984 een kapsalon beginnen in Almere Haven. Ze nam drie kapsters aan, wat gedurfd was, maar het liep het zo goed dat ze kappers en kapsters aan kon blijven nemen. Er was in die tijd nog weinig concurrentie. De enige andere, tevens eerste kapper van Almere, zat op de Kerkgracht in het centrum van Almere Haven. Mijn moeder had haar eerste kapsalon in de Houtstraat, tegenover de inmiddels gesloopte school voor moeilijk lerende kinderen, De Haven.”

We praten kort over de ups en downs van het centrum van Almere Haven.
“Er kwam leegstand in het centrum”, zegt Gilbert. “Wij hadden er niet veel last van. Ik kwam in de zaak, omdat mijn moeder wilde blijven knippen en de zaak door bleef groeien. Ze had iemand nodig om haar te helpen. Ik had de hotelschool afgemaakt en werkte als vertegenwoordiger voor cosmetica.”
Als gevolg van dit boeiende beroep, dat zo ‘goed’ bij Gilbert past, rollen er weer wat grappen over tafel, voordat Gilbert verder gaat: “Mijn moeder zei: ‘Kom mij helpen.’ Niet lang daarna werd de zaak een VOF en kwam ik als vennoot in de zaak. Dat was in 1987.” Vanaf dat moment ken ik Gilbert. In die tijd werkten er veel kappers en kapsters in de populairste kapperszaak van Almere. Je kon binnenlopen zonder afspraak, maar het was soms geen doen. Een afspraak maken was wijzer.

“Mijn zus, Nicole, ging na haar middelbare school naar de kappersdagschool in Amsterdam en heeft daar haar eerste kappersdiploma gehaald. Later ging ze naar de kappersacademie in Rotterdam”, zegt Gilbert. “Ze had betaald voor een heel jaar, maar hield het niet vol. Ze liep stage bij ons op de werkvloer sneller beter dan op school. Omdat ze voor een heel jaar betaald had, ging ik er naar toe in de illusie dat ik kapper zou kunnen worden, maar ik hield het nog geen maand vol. Ik heb overigens aan die tijd wel een vreselijk trauma overgehouden. Een trauma waar ik nog iedere dag en vooral ’s ochtends mee geconfronteerd wordt.”
Je voelt de grap aan komen, maar hij blijft leuk, al was het maar om de manier waarop Gilbert het vertelt. Het trauma wordt met een ernstig gezicht ingeleid en de woorden rollen met een sombere stem uit zijn mond, tot en met de clou.
“Daar heb ik mijn vrouw ontmoet”, zegt Gilbert droog. “Ik moet je heel eerlijk zeggen dat ik stikjaloers op haar ben, want ze is met mij getrouwd. Nog steeds. Het is overigens wel fijn dat ze er nu niet bij is, want zij is nog veel cynischer dan ik.”

Jolanda en Gilbert hebben elkaar ontmoet op een feest in Rotterdam en spraken na een bijzonder leuke avond weer af. Die voor het stel allesbepalende date vond plaats in het Americain in Amsterdam. “Kwestie van stijl”, zei Gilbert. “Het was gezellig en we hebben elkaar gezoend. Ik heb tegen haar gezegd: ‘Ik heb je nu gezoend, dan moeten we maar gaan samen wonen.’ Een week later woonden we samen, boven bij mijn ouders.” Mooie stoere praatjes die passen bij Gilbert, een vrije vogel, met zo te horen een echtgenote die hem prima kan hebben.

Gilbert gaat verder: “Na een jaar verhuisden we met zijn tweetjes naar de Korte Promenade in Almere Stad. Zij werkte bij het UWV in Rotterdam. Na ongeveer drie jaar kochten we een huis in de Muziekwijk en raakten we zwanger. Onze zoon Ruben werd geboren. Na de zwangerschap kreeg Jolanda sarcoïdose. Ze kon niets meer. We verhuisden naar een appartement in de Kruisstraat in Almere Haven, omdat het een gelijkvloerse woning was. Ze had anderhalf jaar nodig om te herstellen. Ik heb veel respect voor de manier waarop zij met die ziekte is omgegaan en hoe ze er uit is gekomen. We konden twee jaar later weer een gewoon huis kopen en zagen een prachtige woning op de Nijvergouw. Daar wonen we nog steeds, met veel plezier.”

We praten over Almere als thuis. In plaats van over zijn eigen Almeerse thuis te beginnen vertelt Gilbert over een jonge Syrische kapper, een vluchteling die ze hebben opgevangen. Gilbert: “Zijn gehele gezin is omgekomen. Zijn ouders wonen in Duitsland en zijn broer woont in Australië. Hij is in alle opzichten ver van thuis.” De vergelijking met “Almere mijn Thuis”, is meedogenloos.
“Het was een geweldige kapper”, zegt Gilbert. “Hij knapte helemaal op, ondanks de onvoorstelbare ellende en het grote verdriet. Op een gegeven moment is hij naar Almelo verhuisd. Of hij nog kapper is, weet ik niet, maar hij is in ieder geval tolk voor het COA, misschien doet hij dat naast zijn werk als kapper.”

De kapperszaak van de familie Gerth is net een kat met zeven levens. De zaak is en aantal keren doorgestart. De concurrentie is tegenwoordig heftig en doelgroepen veranderen snel. Het gaat er volgens Gilbert niet om hoe vaak je valt, maar hoe vaak je op weer op staat. Zijn zoon is nu eigenaar van de kapsalon, die nog altijd de naam Gerth Coiffuresdraagt.

“Ben jij een Almeerder?”, vraag ik Gilbert.
“Ik ben meer een Havenaar dan een Almeerder”, antwoordt Gilbert. “Ik voel me ook geen Nederlander. Ons bedrijf is altijd gevestigd geweest in Almere Haven en daar wonen we. In Haven is de altijd al vriendelijke mentaliteit weinig veranderd. Mensen komen regelmatig een kopje koffie drinken in de zaak, omdat het gezellig is. Niet om hun haar te laten doen. Het is etnisch wel veranderd en kleurrijker geworden. Als je je daar voor openstelt, blijkt het  een verrijking te zijn.”
Over het thuisgevoel zegt Gilbert tenslotte: “Mijn vrouw en ik zijn de hele dag onder de mensen en we zijn heel sociaal, maar buiten de werktijden zijn we graag op ons zelf, als gezin. Op onze eigen manier, voelen wij ons thuis in Almere.”

 

Meander

“Ik ben een Havenaar”: © Meander; Almere; 7 maart 2018.

Foto’s:

Gilbert Gerth: © Meander; 8 maart 2018
Grand Café Roest: Grand Café Roest.

Voetnoten:

1  Gerth Coiffures: https://www.gerthcoiffures.nl
2 Corrosia: https://www.corrosia.nl
3 Historie Corrosia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Corrosia_Theater,_Expo_%26_Film

4 Grand Café Roest: http://www.roestalmere.nl

“Ik ben een Havenaar” is het verhaal van Gilbert Gerth over zijn Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
De bus naar later

De bus naar later

Hij pakte zijn tas, liep naar de hal en trok een dun, donkerblauw zomerjasje aan, want het was prachtig lenteweer op deze achtste april. Vijfentwintig graden zou het worden. Hij keek op zijn horloge en zag dat het half twaalf was. Solliciteren in Almere op de rijksscholen-gemeenschap De Meergronden1, dat was de agenda voor vandaag.

Het was snel gegaan. Er had een advertentie gestaan in het blad van de onderwijsbond. Ze zochten een docent economie voor alle economische vakken. Voorlopig voor achttien uur per week, maar dat zou nog toenemen, omdat Almere snel groeide, zo vermeldde de advertentie. Een docent van de lerarenopleiding had gebeld en hem geadviseerd om te solliciteren naar de functie.
Hij werkte nu een jaar op een school in Amsterdam vlakbij het Amstelstation. Dat beviel hem prima. Zestien uur per week lesgeven aan een hoog percentage F-side Ajaxfans. Het vroeg de nodige aandacht, maar het was een snelle, pittige leerschool voor een beginnende leraar.
Omdat zijn vriendin en hij wilden gaan samenwonen en een huis krijgen in de Haarlemmermeer nog jaren kon duren, was een baan in Almere een uitkomst. Als je daar ging werken, kreeg je direct de gelegenheid een huurwoning te kiezen. Het was een voorrangsregel voor een ieder die in Almere kwam werken. De sollicitatie draaide derhalve niet alleen om een baan.

Hij liep richting de Ringvaart, sloeg linksaf en vervolgde zijn weg langs de Nieuwemeerdijk tot hij bij de brug naar Sloten kwam. De bushalte lag vijftig meter over de brug. Hij was ruim op tijd, want pas na een klein kwartier kwam de bus. Op het moment dat hij zijn voet op de treeplank van de bus zette, stapte hij in de consequenties van zijn keuze. Consequenties waarvan hij zich geen voorstelling zou kunnen maken en waarvan hij zich geen voorstelling maakte, omdat hij onbevangen op weg ging.

Over Almere wisten zijn vriendin en hij niet veel. Ze hadden wat gebladerd in magazines en kranten in de bibliotheek. In 1976 waren de eerste inwoners gekomen en nu, vijf jaar later, woonden er al twintigduizend mensen.
De Meergronden stond in Almere Haven, het eerste stadsdeel van Almere. In Almere Stad was men onlangs begonnen met een nieuwe wijk, de Stedenwijk. Het eerste deel daarvan, Stedenwijk Noord, was in aanbouw. Na de sollicitatie wilde hij daar nog even gaan kijken. Hij wilde in ieder geval naar het Winschotenpad, omdat hij van zijn achtste tot zijn veertiende in Winschoten had gewoond.

Bij het Amstelstation stapte hij na twee keer overstappen in bus 57 naar Almere Haven. Tot zijn verrassing zat een collega studente van de lerarenopleiding in de bus. Die was niet zo blij met zijn aanwezigheid. Ze zei: ‘Ga jij ook solliciteren in Almere?’ Hij knikte. ‘Dan kan ik het wel vergeten’, zei ze. Hij was het niet met haar eens en dacht dat ze evenveel kans hadden, al hoopte hij wel dat hij de baan en daarmee een woning zou krijgen.

De zon scheen fel en het was warm in de bus. Af en toe praatten ze even met elkaar, maar het was vooral stil en benauwd. De competitieve spanning was tastbaar. Ze hadden in dezelfde jaargroep gezeten tijdens de studie, maar hij was een jaar eerder afgestudeerd dan zij en had al een jaar ervaring. Dat besefte hij terdege, maar zij ook. Ze zagen elkaar af en toe bij gemeenschappelijke vrienden en op feesten, die met of zonder reden werden gehouden, maar dat telde nu even niet. Wie kreeg de baan, daar draaide het om. Zijn shirt kleefde aan zijn lijf door de warmte. Het jasje had hij in zijn tas gestopt.

De bus reed de Hollandse brug op die het oude en het nieuwe land met elkaar verbond, maar evenzo van elkaar scheidde. Hij kende de brug, omdat ze er twee keer per jaar langs kwamen met zijn ouders op weg naar familie in Emmeloord. Je sloeg dan meestal bij de rotonde onderaan de brug linksaf om daarna over de dijk van Flevoland aan het Markermeer en langs Lelystad naar de Ketelbrug te rijden.
Bovenop de Hollandse brug zagen ze een uitgestrekt niemandsland voor zich met in de verte aan de rechterkant gebouwen, deels aan het water en nog verder weg aan de linkerzijde een enkel gebouw. De bus reed de brug af en nam op de rotonde de tweede afslag. Rechts lag een groot park in wording en links een vlakte vol donkergroene en geelgroene planten en bloemen. Na tien minuten sloeg de bus rechtsaf af en reed Almere Haven binnen.

Ze stapten uit in het centrum van Almere Haven, na voor het eerst in hun leven met de bus over een vrije busbaante zijn gereden. Almere was de eerste plaats in Nederland waar in 1980 de vrije busbaan werd geïntroduceerd als vast element in het totale verkeersplan. De busbaan was gescheiden van ander verkeer. Waar fietspaden en wegen de busbaan kruisten, stonden verkeerslichten.

Ze waren te vroeg. De twee sollicitanten, studiegenoten, concurrenten wandelden een tijdje door het compacte centrum van Almere Haven. Grappige nieuwbouwwoningen waren als Amsterdamse grachtenpandjes neergezet langs een smalle gracht. Trapgeveltjes en andere vormen bekend van de Amsterdamse grachten waren toegepast. Vlakbij een kerk stonden twee opvallende woningen. Ze waren qua vorm gelijk, maar bij de ene waren de houten panelen bordeauxrood geverfd en bij de andere roze. Opvallend afwijkend ten opzicht van de andere woningen.

bus
De Meergronden

Ze kwamen op een plein met de naam Markt. Daar stond een aan de buitenzijde volledig verroest gebouw, hetgeen de nodige verbazing wekte bij de twee economen. Ze vroegen zich af hoe lang dit gebouw zou blijven staan. Een onzinnige vraag die het gevolg was van hun gebrek aan materiaalkennis.

Na nog wat rond te hebben gelopen, liepen ze de Marktgracht op. Aan het einde van de gracht zagen ze De Meergronden liggen. Het tweetal liep de school binnen en meldde zich bij de conciërge. De conciërge gaf telefonisch door dat de sollicitanten waren gearriveerd. Jan, een stevig gebouwde, enigszins rommelige, goedlachse docent van de lerarenopleiding, die ze kenden van de handelsvakken, kwam hen even later halen. Hij was verantwoordelijk voor de opbouw van de sectie economie op De Meergronden nog voor deze was begonnen.

De jongeman was het eerst aan de beurt. Het gesprek met de rector van de school en docent Jan verliep gemoedelijk. In de ogen van de solliciterende leraar verliep het gesprek zelfs goed, maar je wist maar nooit. Toen hij tevreden naar buiten liep, wenste hij zijn studiegenoot succes. Buiten zette hij zich op de Markt op een bankje in de zon. Na verloop van tijd liep hij terug naar de school. Na enige tijd kwam zijn concurrente naar buiten gevolgd door de docent van de lerarenopleiding. Hij zei dat ze vanavond zouden horen wat ze hadden besloten. In die tijd waren er geen mobiele telefoons, dus eerst naar huis en dan maar afwachten. Ze namen afscheid van Jan en besloten naar Almere Stad te gaan om te kijken hoe het er daar uit zag.

busNa een korte busreis stapten ze uit bij een groot, rood, bakstenen gebouw met daarachter een aantal winkels. De Zoetelaarpassage. Ze liepen door de passage, terug langs een gracht aan de achterzijde van het gebouw en kwamen zo in Stedenwijk Noord. De bouw in die wijk was in verschillende stadia van ontwikkeling. Hier en daar werd al gewoond, elders was men aan het inrichten, maar de meeste woningen waren nog niet gereed. Het Winschotenpad was een smal, nog onverhard straatje. Ze liepen door het zand langs woningen waar nog geen deuren in zaten. Veel te kleine woningen was beider oordeel, alsof ze er samen zouden moeten wonen.

Tegen vijven reden ze samen terug naar het Amstelstation en namen daar afscheid van elkaar. Zij reed door naar haar kamer in Amsterdam en hij ging terug naar zijn vriendin in Badhoevedorp. Ze woonden daar op kamers bij haar moeder. Hij vertelde hen over de sollicitatie en dat het volgens hem een goed gesprek was geweest. In de reacties hoorde en voelde hij gemengde gevoelens. Zijn vriendin zou het ouderlijk huis moeten verlaten en nog maar zien of ze een baan kreeg in het basisonderwijs in Almere. De banen in het basisonderwijs lagen bepaald niet voor het oprapen. Aan de andere kant was het tijd om samen zelfstandig elders een leven op te bouwen. De moeder van zijn vriendin wilde haar dochter niet kwijt raken, maar liet haar met een gerust hart gaan en dat zei ze ook.

Even na achten die avond belde de rector van De Meergronden hem met de mededeling dat ze hem wilden benoemen als docent economie, voorlopig voor achttien uur. Ze wilden de andere sollicitant ook benoemen, omdat het aantal uren waarschijnlijk zou toenemen. De rector vroeg hem wat hij daar van vond. Zijn reactie was dat je beter met twee docenten de sectie economie kon opbouwen dan alleen. De rector vroeg of hij met twaalf uur per week rond kon komen. Dat leek op dat moment een relevante vraag, maar toen de school enkele maanden later begon, speelde het geen rol meer, omdat het aantal uren economie en handel was verdubbeld. De oorzaak was een aanzienlijk hoger aantal leerlingen dan men had verwacht. Steeds meer kinderen gingen niet meer naar het oude land op school. Blijkbaar had de nieuwe, Almeerse docent economie hier al rekening mee gehouden. Of…, had hij per ongeluk goed gegokt? Met economen weet je dat nooit zeker.

De collega studente was onbereikbaar die avond. De rector had haar vader weten te bereiken. Die reed vervolgens naar Amsterdam en daarna naar alle plekken waar ze maar zou kunnen zijn. Ze was onvindbaar tot vlak na twaalven die nacht. Ze werkt sinds augustus 1981 in het Almeerse en Flevolandse onderwijs.

In augustus zouden de twee leraren beginnen op de eerste middelbare school van Almere. Voor die tijd wilden de sollicitant en zijn vriendin een huis hebben, dan konden ze in de zomer klussen en verhuizen. Zijn collega bleef in Amsterdam wonen.
Eind juni was er nog niets bekend over een woning en wilde hij naar Almere om te vragen hoe het zat met die toegezegde woning. Het nuttige werd met het aangename verenigd en samen met zijn vriendin ging hij al vroeg, wederom met de bus, naar Almere. Ze bekeken Almere Haven en het beetje Almere Stad dat er al was.

Tegen één uur ’s middags stonden ze voor het roestige gebouw op de Markt in Almere Haven. Daar zat de dienst woonruimteverdeling. Hij stapte alleen naar binnen en liep, de borden volgend, de trap op. Hij zag een deur waar woonruimteverdeling op stond en klopte op de deur. Nog voor hij die kon openen vroeg een jongedame, die achter een veel te krap bureautje zat, of hij een afspraak had. Zijn antwoord was bevestigend, alhoewel dat in strijd met de waarheid was. Hij draaide zich om, opende de deur en liep naar binnen. Een grote man stond op, gaf hem een hand en stelde zich voor. De man vroeg of ze een afspraak hadden. De aankomend docent zei dat hij geen afspraak met de man had, maar wel met De Meergronden en met de gemeente Almere. Over minder dan twee maanden zou hij beginnen op De Meergronden, maar hij had nog geen huis. Dat was hem wel beloofd. Hij zei tegen het opperhoofd woonruimteverdeling dat hij niet op De Meergronden zou komen werken als hij geen huis had en nog niet in Almere woonde. Dat vond de woonruimteverdeler te gortig. Wat hij precies te gortig vond, is nooit duidelijk geworden, maar de door de jonge leraar op de Amsterdamse school vlot aangeleerde bluf had het gewenste effect. Enkele dagen later kon de docent economie met zijn vriendin kiezen uit drie woningen. Het werd de Jaagmeent, waar ze de eerste negen jaar van hun Almeerse bestaan zouden wonen.

Meer dan tien jaar later pasten twee dochters van de woonruimteverdeler om de beurt op de kinderen van de docent economie, die toen allang geen docent economie meer was. En de woonruimteverdeler zelf? Die werd in 1986 een politieke collega van de inmiddels weer studerende jongeman, toen ze voor verschillende partijen in de gemeenteraad van Almere kwamen. Naast het destijds negenentwintigjarige raadslid en namens dezelfde partij zat de man uit het roze huis dat aan de Kerkgracht in Almere Haven stond. Met diens buurman uit het rode huis zou de econoom in 1992 de eerste bioscoop in Almere uitlokken. ’t Kan verkeren.

In 1985 stopte de docent economie met zijn docentschap. Hij studeerde inmiddels aan de Universiteit van Amsterdam, zat ruim zeven jaar in de gemeenteraad, richtte zijn eigen bedrijf op en deed van alles met en in Almere tot op de dag van vandaag.
Nu, na zevenendertig jaar, beseft hij dat hij op acht april 1981 in de bus naar later was gestapt. Een onbekend later, waar hij in opperste onnozelheid en volkomen zorgeloos naar op weg was gegaan.
Later is nu en Almere is zijn thuis, mede omdat het voor zijn kinderen hun thuis is, al zou hij zich bijna overal ter wereld thuis kunnen voelen, vooral aan zee. Almere is twee derde van zijn leven. Hier heeft hij zich ontwikkeld, zich genesteld, werden zijn kinderen geboren en heeft hij tal van pieken en dalen ervaren.
“Ik ben een Almeerder”, kan hij zeggen, al is hij er niet geboren en zal hij ooit vertrekken om aan de kust te gaan wonen.

Meander

 

“De bus naar later”: © Meander; Almere; 14 april 2018.

Foto’s:

Tegel De Meergronden: Almere Walk of Fame
Foto De Meergronden (1977): Jos Jongerius
Foto Bus 62: Gemeentearchief Almere

Voetnoten:

1               De Meergronden: https://www.meergronden.nl 
2               Vrije busbaan: http://canonvanalmere.nl/vrije_busbaan

“De bus naar later” is het verhaal van een Almeerder over zijn kennismaking met Almere, hoe hij er kwam te wonen en hoe hij er na 37 jaar op terugkijkt. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Er heerste enthousiasme

Er heerste enthousiasme

Het verhaal van Arnold Trampe en Monique Lapidaire. Monique een actieve Almeerse overleed helaas en veel te jong in januari 2017.

Arnold Trampe en Monique Lapidaire woonden eind jaren zeventig in de Dapperbuurt. Ze hadden elkaar leren kennen op de toneelschool in Maastricht en niet lang daarna verhuisden ze naar Amsterdam. Arnold is ruimtelijke ordening gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam.
De Dapperbuurt werd gesaneerd en veel woningen werden gesloopt. Monique en Arnold hadden drie opties. Terug in dezelfde wijk, elders in Amsterdam gaan wonen, of naar Almere verhuizen. Er was een overeenkomst gesloten tussen Amsterdam en de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders waar Almere onder viel. Almere was toen nog geen gemeente. De overeenkomst betrof Amsterdammers en mensen die voor hun werk in Almere kwamen wonen. Zij konden met voorrang een woning krijgen.

“We zijn in 1979 in Almere gaan kijken”, zei Arnold. “We vonden het van meet af aan aantrekkelijk. Het was Monique en mij al snel duidelijk dat er voor ons veel mogelijkheden lagen. Wat ons mede overtuigde, was het feit dat er bijzonder veel enthousiasme heerste, voelbare pioniersgeest. Het waren mensen die er wat van wilden maken. We kochten een huis op de Schapenmeent. Het moest nog wel gebouwd worden, maar dat hoorde er bij in die tijd.”
“In het land was de stemming deprimerend”, zei Arnold, “want de werkloosheid was hoog en zware bezuinigingen dreigden aan de politieke horizon. Maar van een pessimistische stemming was in Almere geen sprake. Groeien, bouwen en ontwikkelen was het motto, zowel fysiek, als maatschappelijk.”

Arnold en ik hadden afgesproken in Strandbrasserie De Jutter om daar het verhaal van Monique en Arnold op te schrijven en tevens gezamenlijk een hapje te eten. We bladerden in de menukaart en na enig zoeken, kozen we beiden een hoofdgerecht en bestelden we een drankje.

Arnold ging verder: “Er kon veel in die tijd in Almere, omdat er geld was en omdat er faciliteiten waren. Je moest het vervolgens wel zelf doen. Zo had Monique vanaf het begin contact met de Almeerse Toneelvereniging. Ze kon direct als regisseur aan de slag, een van de vakken waarop ze was afgestudeerd in Maastricht. Nog voor we hier echt woonden, was ze al actief, zodat we al een aantal mensen kenden toen we op zestien oktober 1980 in Almere Haven kwamen wonen. Elders dacht men, als je naar Almere gaat, dan ben je niet goed wijs. Onze familie en vrienden begrepen er niets van. Ze hadden en hebben ongelijk, zoals je zelf weet.”

Het eten werd opgediend en we wachtten even. We haalden oude herinneringen op, vooral aan onze gezamenlijke tijd in de Almeerse gemeenteraad.
“Ik kwam in 1982 in de adviesraad”, zei Arnold, “en daarna in de gemeenteraad. In 1986 toen jij ook in de fractie kwam, werd ik fractievoorzitter. Het was een boeiende tijd.” De meest frappante anekdotes passeerden de revue tot we ons weer richten op de keuze van Arnold en Monique voor Almere.

Arnold zei: “Wat ik persoonlijk heel belangrijk heb gevonden, is dat je niet mee moet gaan in de mainstream. Je had hier kans op uniciteit. Mogelijkheden die er zijn, moest je zien en je moest ze pakken. Het ging niet vanzelf, maar veel nieuwe Almeerders hebben er wat van gemaakt.”

enthousiasme
Poldergeest, het eerste theaterstuk van Theater na Water

“Wij hebben kunnen doen wat we wilden” zei Arnold. “Monique en ik hebben de eerste professionele Almeerse en tevens Flevolandse Theatergroep van de grond getrokken.”
Arnold: “We deden met ‘Theater na Water’1veel locatie-voorstellingen, want er waren te weinig zalen beschikbaar. Bovendien wilde Monique ander publiek trekken dan het standaard theaterpubliek. We hebben in boerderijen gespeeld, op Schokland, ergens in Emmeloord, onder een viaduct van de A6 en ga zo maar door. We hebben zelfs op het Binnenhof gespeeld. Het archief van Theater na Water is in het Gemeentearchief van Almere opgenomen. Daar ben ik trots op.”

We waren uitgegeten en de borden en schalen werden weggehaald. Op de vraag of we een dessert wilden, schudden we eensgezind ons hoofd. Arnold wilde een koffie en ik vroeg om een cappuccino. Daarna kwamen we terug op de begintijd van Arnold en Monique in Almere en op hun verhuizing naar de Kerkgracht.

“Ik studeerde nog toen we in Almere kwamen wonen”, zei Arnold. “In 1986 ben ik bij de provincie Flevoland gaan werken op het gebied van ruimtelijke ordening. In 1990 ging ik halve dagen werken en ben ik een bureau begonnen voor Europees advieswerk. Iemand anders die het werk al deed, had mij gevraagd. Ondertussen waren wij verhuisd naar een flink pand aan de Kerkgracht. We hebben het voor een redelijke prijs gekocht en gebruikten het voor zowel het adviesbureau, als voor het theater. We woonden op de bovenste verdieping in een ruim appartement. Ik woon er nog, al ben ik, als dat enigszins mogelijk is, vaak in Kroatië. Daar hebben we een tijd geleden een huis gekocht in het plaatsje Motovun.”

De wederopbouw in Kroatië is vergelijkbaar met de ontwikkeling van Almere, vond Arnold. Eerst “die Wende”, daarna de oorlog en toen de wederopbouw. Een nieuwe situatie met nieuwe kansen. Vanaf 2000 was er weer van alles mogelijk, volgens Arnold.

Arnold vertelde dat hij in 2003 uit het adviesbureau is gestapt. Hij was toen vijftig jaar. “Ik heb veel mensen horen vertellen wat ze gingen doen als ze vijfenzestig werden, maar velen van hen haalden dat niet. Dat ging mij niet gebeuren.”
De panden die ze hadden in Almere verhuurden ze, behalve het appartement waar ze bleven wonen. Arnold startte een onderneming voor de projectontwikkeling van woningbouw in Kroatië. Ze bleven de dingen doen die ze leuk vonden, ook als ze in Kroatië waren. Monique en Arnold voelden zich vrij en onbezorgd, want wat er ook zou gebeuren, ze hadden altijd nog hun huis in Almere.

enthousiasme
Motovun, Istrië, Kroatië

Arnold zei: “We deden theater in Kroatië, maar ik had ook projecten voor woningbouw. We waren er zo’n vier tot vijf maanden per jaar. Ik heb daar twee documentaires gemaakt over Kroatië en overweeg om nog een documentaire te maken. Het maken van een documentaire is fantastisch om te doen. Het kost het je bakken energie, maar dan heb je ook wat. Het leukste werk vind ik het editen.”

Op mijn verzoek vertelt Arnold iets over de twee documentaires die hij gemaakt heeft.
Hij zei: “De eerste documentaire ging over de verschillende bevolkingsgroepen die in Motovun te vinden zijn. Tot de Tweede Wereldoorlog was Istrië, het deel waar ik woon, onderdeel van Italië. Toen dat bij Joegoslavië werd ingedeeld, zijn veel mensen uit Istrië vertrokken. Vanuit de steden is zeker tachtig procent van de bevolking weggetrokken naar elders. De bevolking is daarna onder Tito’s regering vanuit andere delen van Joegoslavië aangevuld. Na 2000 zijn er veel buitenlanders komen wonen. Die laatste groep heeft veel gerenoveerd. De vraag die we middels de film stelden, was of die verschillende groepen een gemeenschap konden vormen.”
Ik zei: “Het is een boeiende vergelijking met Almere. Er is verschil in historie en in de uitgangssituatie, maar uiteindelijk moeten mensen de kansen grijpen die er liggen en er zelf wat van maken, samen met andere nieuwkomers.” Arnold knikte instemmend en zei op zijn kenmerkende manier: “Precies, Folkert. Dat zag ik ook.”

De tweede documentaire gaat over de geschiedenis van Istrië, die nogal turbulent is geweest. Veel strijd, verschillende overheersers en diverse culturele invloeden. Nu moet de bevolking zich opnieuw aanpassen aan de economische situatie met een markteconomie en groeiend toerisme. Deze documentaire is gemaakt in samenwerking met de Universiteit van Pula.

Er viel een korte pauze en we babbelden nog wat door over de documentaires en creatieve processen. Vanuit die onderwerpen kwamen we op de relatie en samenwerking van Monique en Arnold.
Arnold keek me aan en zei: “Tegen 2010 is Monique gestopt met werken, omdat het qua gezondheid niet meer ging. Een moeilijke periode brak aan en helaas is Monique in januari 2017 overleden. Als je veertig jaar bij elkaar bent, komt dat hard aan. We zijn nooit echt teruggekomen naar Almere, want wij waren thuis op beide plaatsen, maar na Monique’s overlijden was het toch anders in Kroatië. Op een gegeven moment mis je je roots. Je Nederlandse roots en je zelf ontwikkelde, Almeerse roots.”

We schakelden over naar het hier en nu.
“Ik ben de laatste tijd meer in Almere”, zei Arnold, “en sinds enige tijd ben ik voorzitter van de raad van toezicht van Theatergezelschap Vis à Vis2. Het bloedt kruipt nu eenmaal waar het schijnbaar niet kan gaan.”
Op de vraag of Almere zijn thuis nog is, antwoordde Arnold, zoals dat bij hem past, afgewogen en genuanceerd: “In de eerste vijfentwintig jaar hebben wij veel geïnvesteerd in Almere en veel gedaan in en voor Almere. Almere hield na verloop van tijd op met ons en wij met Almere. Dat betrof ook het theatergezelschap. Subsidiegevers willen na verloop van tijd weer eens wat anders.”

“Is Almere jouw ideale thuis”, vroeg ik hem.
Arnold zei: “Ik hoef niet weg. Ik vind het hier aangenaam wonen. Wonen is in veel opzichten een compromis. Misschien wil ik wel op de Herengracht in Amsterdam wonen, maar afgezien van het feit dat het financieel niet haalbaar is, heeft het ook veel nadelen. Almere-Haven biedt veel, zoals een leuk centrum op loopafstand, verschillende gezellige terrasjes, een haven, strand en natuur. Amsterdam is slechts twintig minuten rijden. Daar ga ik naar toe als ik er zin in heb. Zo’n heerlijk appartement van tweehonderd vierkante meter kan ik nergens voor de zelfde prijs in deze regio krijgen. Almere is een mooi compromis van veel aspecten.”

 

Meander

“Er heerste enthousiasme”: © Meander; Almere; 5 maart 2018.

Foto’s:

Almere
Poster Theater na Water: Gemeentearchief Almere.
Motovun: @Meander. Bewerking op basis van Google Earth.

Voetnoten:

1               Theater na Water: zie stadsarchief Almere.
2               Vis à Vis  https://www.visavis.nl

“Er heerste enthousiasme” is het verhaal van Monique Lapidaire en Arnold Trampe over hun Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
 

 

Wonderlijk

Wonderlijk


lijk leek verder te leven                      


kadaverinsecten                              


wonder der natuur                              

 

 

Meander

“Wonderlijk”: © Meander; Almere; 14 september 2018.                        

Foto: Internet, maker onbekend.                                          


“Wonderlijk” is e
en absurdijn over het woord wonderlijk.

Het absurdijn is een door Meander bedachte dichtvorm. Drie regels. Zeven, zes en vijf lettergrepen.
Het absurdijn heeft een betekenis die anders is dan u normaal gesproken zou verwachten.

Wilt u meer absurdijnen lezen? Klik dan HIER.

Parallel

Parallel

oude herinneringen dwarrelen gestaag                      

als bonte, verkleurende herfst naar het eind                        

in stille levenswinter telkens weer géén vraag                     

omdat jouw wereld zich ongeremd verkleint                       


ongedachte vragen zonder enig antwoord                        

vullen de leegte van een niet gevoerd gesprek                    

niet weten wat de een zegt en de ander hoort                      

slechts historie bestaat nog op jouw eigen plek


vervliegend verdriet ontsnapt het verlies voorbij

als serene rust verholen afstand verteert

parallel in samenzijn, zijn we samen vrij

pure liefde is het geluk dat ons resteert

 

 

Meander

“Parallel”: © Meander; Almere; 19 september 2018.
Foto: © Meander bewerking; Almere 20 september 2018.

Voor meer informatie over de ziekte van Alzheimer (Dementie), klik HIER.

Zuiver

Zuiver

rimpelingen                   

van stervend goud                    

kleurrijk afscheid                  

seizoenen oud                        


herfsttinten vloeien                       

in- en uiteen                   

edele nuances            

brengen bijeen             


alle schakeringen

tonen hun pracht

zuiver spiegelend

jouw vrouwelijke kracht

 

 

Meander

“Zuiver”: © Meander; Almere; 1 september 2018.
Foto: Internet.

Gedicht geschreven voor Maryam Aftab bij de verkoop van haar Herfst-Beauté et Vogue Box.
Klik HIER voor meer informatie over de Beauté et Vogue Box.