Archief van
Categorie: Blogs

Al dan niet verrijkte, geromantiseerde, persoonlijke ervaringen van Meander

Ym, de Roos van de Floriade

Ym, de Roos van de Floriade

YmIn de gele, verweerde, afbladderende zetel van Suburbia zit Ym de Roos te lezen, geduldig wachtend tot ze aan de beurt is. Ze zit, net als wij, liever aan de grote tafel en schuift daarom bij ons aan om hun verhaal over Almere te vertellen. En vertellen kan ze. Gedreven door een groot hart en door de herinnering aan haar man, Obbe de Roos, die twee jaar geleden overleed.

Zodra ze tegenover ons zit, begint ze te vertellen. Het gesprek, of beter gezegd haar verhaal is niet geheel chronologisch. Het is beleving, pure beleving en vertelling. Soms komt ze terug op een onderwerp dat al besproken is, maar dat is onvermijdelijk, want ze heeft een verhaal, nee, meer dan dat, ze heeft een leven te delen. Ze vertelt er met liefde en passie over.

“Mijn man, Obbe, werkte bij de provincie Flevoland. Hij deed veel vrijwilligerswerk in Almere. Zo was hij voorzitter van Woonmere, een vorm van begeleid wonen voor mensen met een beperking in Almere Poort. Van daaruit werd hij initiatiefnemer van Poort Sociaal 1. Poort Sociaal is een jaarlijks evenement dat uitgaat van het principe dat mensen met een handicap die in jouw buurt wonen er bij horen. Ze kunnen en willen jouw buurman en buurvrouw zijn. Poort Sociaal is in vijf jaar uitgegroeid tot een groot en bekend evenement in Almere Poort en daarbuiten.”

Ym is blij verrast als Linda van Suburbia vertelt dat Suburbia dit jaar op Poort Sociaal het stuk “Almere mijn Thuis” zal spelen. Ym zegt er wel bij dat het festival zo hard is gegroeid dat de mensen om wie het eigenlijk ging bijna ondersneeuwden. Ze zegt: “Mensen denken aan pret en plezier, maar de basis van Poort Sociaal is en blijft het sociale karakter. Het doel, het versterken van de sociale contacten van alle bewoners en organisaties in Poort, inclusief mensen met beperkingen, staat voorop.”

We praten nog even door over Poort Sociaal en wat het betekent voor de inwoners van Poort. Dan zegt Ym: “Toen Obbe overleed vroeg hij of ik Poort Sociaal in het oog wilde houden. Ik woon in Almere Buiten, maar ik doe het toch, omdat hij mij dat gevraagd heeft. Inmiddels is voor alle regelingen en subsidies een stichting opgericht. Het was niet mijn plan om zitting te nemen in het bestuur, maar Pieter en Klazien ter Veen zaten in Indonesië. Ik dacht, ik wordt tijdelijk even secretaris, maar ik ben het nu nog en het bevalt me prima.” Ze kijkt ons aan en zegt: “In het Labyrint, een moestuin in het Cascadepark, staat een bankje met Obbe’s naam er op en in de Oostvaardersplassen staat ook zo’n bankje met zijn naam er op.” Een mengeling van trots en emotie is zichtbaar en wordt door ons gevoeld.

Ym
Obbe’s bankje

Ym, al ben je geneigd haar Roos te noemen, gaat regelmatig naar Leeuwarden, omdat de hoofdstad van Friesland dit jaar Culturele hoofdstad van Europa is. Naast al die activiteiten is ze sinds 2016 vrijwilliger bij de Floriade 2. Ze verhaalt enthousiast over hoe leuk het is om mensen rond te leiden op de Floriade in ontwikkeling. Ym vertelt de bezoekers over de locatie, de werkzaamheden en over wat er allemaal op en om de Floriade wordt gerealiseerd.

We schakelen naar het waarom van de verhuizing naar Almere. Ym vertelt dat ze in 2001 uit Delft naar Almere zijn verhuisd en daarvoor samen in Amsterdam woonde. Voordat ze in Amsterdam samen gingen wonen, woonden ze beiden in het buitenland, maar niet bij elkaar.
Ym en Obbe hebben elkaar leren kennen op een feest in Friesland. Hij was tweeëntwintig en zij was zeventien. Niet lang daarna vertrokken ze naar het buitenland. Ym ging als Au Pair naar Engeland en later naar Frankrijk. Ze deed dit werk anderhalf jaar en heeft nog steeds contact met de families waar ze heeft gewerkt.

Ym zegt: “Obbe is na zijn diensttijd door Europa gaan zwerven en later zelfs naar Marokko. Hij is overal geweest. Soms stuurde hij een kaartje. Hij was vaak moeilijk bereikbaar. Als je hem iets wilde sturen dan moest je dat poste restante doen naar plaatsen die hij van te voren aangaf. Toch schreven we elkaar al die tijd brieven en die brieven hebben we allemaal bewaard. Soms zagen we elkaar. Op een gegeven moment kwam Obbe naar mij toe in Engeland en zijn we samen op vakantie gegaan. In die vakantie hebben we onze toekomstplannen gesmeed. Niet lang daarna zijn we gaan samenwonen in de Lomanstraat in Amsterdam Zuid.”

Ym: “Ik werkte bij de Amrobank op de Dam en studeerde sociale pedagogiek. Ik gaf ook voorlichting aan toeristen. Dat deed de bank er in die tijd gewoon bij. Obbe deed effectenresearch op het Rokin en studeerde economie aan de Vrije Universiteit.“ Ze kijkt ons even aan en gaat verder: “Onze zoon, Hidde, werd in 1979 geboren. We konden in Amsterdam geen huis krijgen en zijn daarom naar Delft vertrokken, waar we in Tanthof gingen wonen. Een typische wijk uit die tijd. Bloemkoolhofjes met allemaal jonge gezinnen. Ik was de enige werkende moeder. Er was maar een kinderdagverblijf, maar daar was geen plek meer voor Hidde. Ze zaten vol. We hebben Hidde bij tante Annie op een naastgelegen boerderij kunnen plaatsen. Zij paste op hem en dat was tot onze volle tevredenheid. In 1982 is onze dochter Jelka geboren.”

Er valt een korte stilte. Ym vertelt ons over het project ‘Levensboek.’ Ze zegt dat het voor haar een emotioneel onderwerp is. “Onze dochter vatte het plan op om een levensboek over Obbe te schrijven op basis van de locaties waar haar vader tijdens zijn leven had gewoond en gewerkt. Ze interviewde Obbe en reisde met hem langs zoveel mogelijk plekken waar hij geweest was. Samen zochten ze er foto’s en documenten bij.” Ym kijkt ons aan met een paar vochtige ogen, maar vertelt dapper verder. Ook nu weer, voel je en zie je trots en emotie in één blik.

We wachten even tot ze verder wil gaan. “De drukproeven waren klaar”, zegt Ym en Obbe heeft die nog gezien. Hij is volgens ons langer blijven leven, omdat hij dit samen met Jelka wilde afmaken. Obbe heeft gewacht tot de boeken van de drukkerij kwamen en Jelka onderweg was. Ze had hem een appje gestuurd toen ze wegreed bij de drukkerij. Op dat moment had hij volgens mij het idee dat het wel in orde was en piepte hij er tussenuit. Hij had verschrikkelijke pijn de laatste dagen, dus van mij mocht hij gaan. Het tekent zijn onvoorstelbaar sterke wil dat hij tot het laatste, door hem zelf bepaalde moment, sterk bleef. Obbe had nog graag drie dagen later mijn verjaardag mee willen vieren, maar het ging niet meer. Ik werd toen vijfenzestig. We hebben die verjaardag uiteindelijk pas twee jaar later gevierd.”

Ym heeft een aantal taken van Obbe overgenomen, zoals die voor Poort Sociaal. Daarnaast werkt ze als bestuursondersteuner voor de stichting Mijn Eigen Thuis is Nederland (MET).
In 2006 heeft Ym haar eigen bedrijf opgericht. Onlangs is ze daar mee gestopt. Ze heeft zichzelf gepensioneerd, maar is en blijft actief als vrijwilliger in allerlei organisaties. Een belangrijke en mooie taak die ze met veel plezier vervult, is die van oppas-oma voor haar kleindochter.

We komen terug op de verhuizing naar Almere.
Ym zegt: ‘Mijn gedachte is dat Obbe wellicht al iets mankeerde toen we nog in Delft woonden. Hij werkte in Lelystad bij de provincie Flevoland als hoofd Facilitaire Zaken en was medeverantwoordelijk voor de bouw van het huidige provinciehuis van Flevoland in Lelystad. Ondanks de lange reistijden en het feit dat hij in mijn ogen niet fit was, bleef hij gewoon doorwerken. De reistijden waren te lang. Ik merkte het aan hem als we wandelden. Hij was snel bekaf. Het ging zo niet goed en daarom besloten we dichter bij Lelystad te gaan wonen. Niet in Lelystad, maar in Almere. Een compromis.”

Ze gingen een aantal weekenden naar Almere. Steeds twee dagen en ze namen een picknickmand mee. Ym en Obbe bekeken veel huizen en gingen naar alle stadsdelen en verschillende wijken.
“Haven viel af”, zegt Ym, “want daar komt geen trein. De Noorderplassen vonden we te ver weg, Stad vonden we te stenig en zo kwam onze focus op Buiten te liggen, waar net een BouwRAI was.” De BouwRAI in de Eilandenbuurt van Almere Buiten was de derde BouwRAI in Almere. Architecten kregen in de aanloop naar de BouwRAI de kans om bijzondere ontwerpen te realiseren.

Ym: “Op een gegeven moment waren we de BouwRAI even zat. We wilden weg uit het strijdgewoel. Zo kwamen we terecht bij de Oostvaardersplassen. Toen was het duidelijk. We wisten dat we hier gingen wonen. We moesten eerst ons huis in Delft verkopen, een huis in Almere kopen en een huis in Rotterdam huren voor Hidde. Dat lukte en we kwamen terecht in de Willem Bontekoestraat in de Oostvaardersbuurt. Goed genoeg voor tijdelijk dachten we. Ik woon er nog.”

YmEen bijna vers kopje koffie leidt tot een iets langere pauze, voordat Ym verder gaat: “Toen we naar Almere verhuisden besloten we dat we binnen een jaar honderd mensen wilden kennen en dat zij ons kenden. Er was in die tijd in Almere een programma ‘Verbindend Vernieuwen’  een soort cursus bedoeld om kennis te maken met anderen. We gingen niet in dezelfde werkgroepen, want dan konden we elkaar nog wat vertellen. Zo kwamen we al snel aan honderd mensen. Niet lang daarna gingen we naar de nieuwjaarsreceptie van de gemeente. Je kreeg twee glazen champagne, waarvan je er een aan iemand anders gaf die je nog niet kende. Voor we het wisten, kenden we tweehonderd Almeerders.”

Ym en Obbe raakten bij van alles betrokken, zoals het project Evenaar. Obbe werd lid van de Adviesraad Sociaal Domein. Ym werkte bij een adviesbureau voor het sociaal domein. Ze heeft in dat vakgebied veel gedaan op allerlei plaatsen in het land. Zelfs een tijdje in Rotterdam. Dan overnachtte ze gedurende de week bij haar zoon, Hidde. Dat was niet ideaal voor hun huwelijk. Op een gegeven moment was ze het spuugzat en begon voor zichzelf als organisatieadviseur, als fondsenwerver en deed andere werkzaamheden op gebied van het sociaal domein. Ze heft het bedrijf binnenkort officieel op en is eigenlijk al gestopt, want ze had er geen zin meer in. Teveel zinloze bureaucratie.
Ze zegt: “Ik wilde eigenlijk doorgaan tot mijn bedrijf vijftien jaar bestond, maar dat haal ik niet meer.”

Ym
Ym de Roos

Over ‘Almere mijn thuis’ zegt Ym: “Wij voelden ons thuis en ik voel me thuis in Almere. We hebben zelf van Almere ons thuis gemaakt. In de eerste jaren gingen we een rondje om een kerk, zoals we het toen noemden. We bekeken nieuwbouwprojecten en leerden alle stadsdelen kennen. We zijn altijd betrokken geweest bij culturele activiteiten en projecten. Ik ben van de cultuur.” Cultuur is het onderwerp dat ons vanzelfsprekend even afleidt, maar niet voor lang.

“Obbe’s overlijden had wel een staartje”, zegt Ym, “want er werd aan mij getrokken, ook door de kinderen, die in Rotterdam en Haarlem wonen. Bovendien ben ik inmiddels oma. Ik moest knopen doorhakken en heb mijn kinderen verteld dat ik in Almere wilde blijven, omdat ik daar gelukkig ben. Het is ook beter dat ik hier ben, want dan zien ze niet alles en maken ze zich niet onnodig zorgen. Met een treinabonnement kom je ook een heel eind en ik bezoek ze regelmatig.”

Ym is van mening dat ze haar verhaal wel heeft verteld. Ze zegt dat we ons bij haar kunnen melden als we een rondleiding over het Floriadeterrein willen. Dat typeert deze lieve, sterke vrouw. Doorgaan in en met de stad, die ze tot haar thuis heeft gemaakt.

 

Meander

 

“Ym, de Roos van de Floriade”: © Meander; Almere; 2 maart 2018.

Voetnoten:

1   Festival Poort Sociaal: http://www.poortsociaal.nl
2  Omroep Flevoland. Interview en beeld van Ym de Roos over de Floriade.
     https://www.omroepflevoland.nl/nieuws/154414/almere-ym-de-roos-vindt-floriade-geweldig

Foto’s:
Roos: Internet
Gele Stoel: 
© Suburbia in de Buurt
Champagne: Internet

Ym de Roos: ©Ym de Roos
Bankje Cascadepark (Obbe de Roos); ©Meander; 7 maart 2018

“Ym, de Roos van de Floriade” is het verhaal van Ym en Obbe de Roos over hun Almere, vertelt door Ym de Roos. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Thuis in de Nikéstraat

Thuis in de Nikéstraat

Heemskérk, daar komt Angela van Moorst vandaan. Ze benadrukt de klemtoon op de tweede lettergreep, opdat de toehoorder niet vergeet hoe het behoort te worden uitgesproken. Toch woont ze alweer de helft van haar leven in Almere en voelt ze zich thuis in ’s Neerlands grootste groeikern.
Ze vraagt ons of ze nu een Heemskérker is of een Almeerder. Daar is maar een antwoord op mogelijk. Officieel ben je en blijf je Heemskérker van geboorte, maar Almeerder zijn is een gevoel. Een gevoel dat iedereen toekomt, die Almeerder wil zijn.

Op haar vijfentwintigste kwam Angela naar Almere, samen met haar man Richard. Ze zegt: “Ik hoefde niet weg uit Heemskérk, maar mijn man komt uit Huizen en woonde en werkte daar en ik werkte toen in Amsterdam. We woonden parttime samen in Heemskérk. Op den duur ben je al dat gedoe zat en het is het uiteindelijk fijner en praktischer om samen in de buurt van Huizen te gaan wonen. In onze ogen was de keuze beperkt. Het zou Almere, of Amersfoort worden.”
“Waarom werd het Almere?”, vraag ik.
Angela antwoordt: “In 1992 was er een BouwRAI in Almere in de nieuw aan te leggen Filmwijk. We vonden het een prachtig project en we kochten een huis in de George Formbystraat.”
Als we vragen wie George Formby was, vertelt ze dat het een acteur was in stomme films. Ze neemt een slokje van haar koffie en vervolgt haar verhaal over haar Almere.

“We hebben tien jaar in de Filmwijk gewoond, maar wilden graag  een huis met een garage. Op een dag belde een vriendin, die in de Vrijdagstraat in Almere-Buiten woonde. Ze vertelde in tranen dat haar relatie uit was en dat het huis moest worden verkocht. Een huis mét een garage.” Angela kijkt ons breed lachend aan en vertelt verder: “Ik zei, nou meid, dan kopen wij het toch. Zoek niet verder. Zij opgelucht en wij helemaal blij met ons nieuwe huis. Na een jaar of vijf wilden we verbouwen. Een glazen serre moest er komen. We wilden het vanaf de eerste verdieping doortrekken met een uitbouw beneden. Nou, toen heb ik de gemeente leren kennen, hoor. Heel vaak in het stadhuis geweest, allemaal regeltjes en gedoe en uiteindelijk mocht het niet. Echt onzin, maar ja.”
Het gesprek buigt af naar een cynische beschrijving van de bureaucratie en de onnodige belemmeringen die dat voor hen meebracht. Zoals veelal het geval is, had ook deze medaille twee kanten.

“Omdat we vaak in het stadhuis kwamen”, zegt Angela, “zagen we de kavelwinkel en zijn we een keer binnengelopen. Daar ontdekten we prachtige kavels met houten woningen die in het Homeruskwartier zouden worden gerealiseerd. We waren erg enthousiast, maar tijdens de inschrijving waren we helaas met vakantie. Eenmaal thuisgekomen, schreven we ons alsnog in. We stonden op de derde plaats en geloofden er niet meer in en pakten de verbouwing van onze woning in de Vrijdagstraat weer op. Deze keer binnen de regels en conform eisen van de gemeente Almere.”
De verwachting van een beter vervolg dan wat Angela vertelt, hangt in de lucht, omdat ze nu immers in Almere Poort woont.

“Vlak voordat we de handtekening zouden zetten onder de overeenkomst voor de verbouwing, belde de mevrouw van de kavelwinkel op”, zegt Angela. Ze zei dat de kavel vrij was. Ik reageerde beduusd: ‘Wat zegt u?’ De vrouw aan de andere kant van de lijn moest er wel om lachen. Ik heb de kavel zonder te aarzelen direct vastgelegd, want zo’n optie kost niks. Direct daarna heb ik mijn man gebeld. Nu wonen we alweer zes jaar in de Nikéstraat in een prachtige houten woning, zoals wij dat graag willen. We hebben het huis helemaal zelf ontworpen en laten bouwen. Het is een heel ander huis dan dat in Almere Buiten, maar… we hebben nu wel een grote, glazen pui aan de achterzijde met uitzicht op het Homeruspark.” Zonder dat we het vragen, zegt Angela: “Wij hebben overal in Almere met plezier gewoond en dat geldt zeker voor ons huis in de Nikéstraat.”

Op ons verzoek vertelt Angela iets meer over haar man.
“Richard werkte bij AT&T”, zegt ze. “Hij werkte al die tijd nog steeds in Huizen, maar op een gegeven moment raakte hij zijn baan kwijt en kwam hij in de WW. Dat duurde gelukkig niet lang, want een oud collega belde. Die had een eigen bedrijf opgericht. Daar is Richard toen gaan werken. Het was in het begin een klein bedrijf, maar inmiddels is het veel groter. Het bedrijf zocht een grotere en beter betaalbare locatie. Ze zitten nu in Almere, een paar honderd meter van ons huis in de Vrijdagstraat. Als we daar waren blijven wonen, had hij naar zijn werk kunnen lopen, maar we blijven lekker hier. Bij mooi weer gaat hij op de fiets en als het slecht weer is, pakt hij de auto.”

Zoals een echte Almeerder betaamt, heeft ook Angela kritiek op de gemeente. “Je moet, als je zelf wilt bouwen, je huis binnen drie jaar af hebben en er in wonen”, zegt ze. “Vlakbij ons is een huis waar al zes jaar aan gewerkt wordt. Die mensen kunnen niet bouwen, besteden er geen tijd aan en wonen er nog niet. Het is een rommeltje. Daar doet de gemeente dan niets aan, terwijl de rest er al die jaren op uitkijkt. Onze buren hebben er allemaal hard aan moeten trekken om er binnen drie jaar te wonen en deze mensen worden niet aangepakt.”

nikéstraatAngela is nu fitness- en Spinning®instructrice. Daarvoor werkte ze op kantoor en deed administratief werk voor onder meer verzekeringen. Ze zegt: “Drie-en-een-half jaar geleden was ik opeens boventallig en dat is, achteraf gezien, het beste dat mij ooit is overkomen. Ik woog op dat moment zevenennegentig kilo en ben daarom veel gaan sporten, anders gaan eten en gaan studeren. Ze hebben mij gevraagd als instructrice en zo ben ik de Spinning®ingerold. Daarna ben ik gevraagd als fitness-instructrice. Naast dat werk geef ik ‘Bewegen voor ouderen’ in een buurthuis. Ik ben helemaal happy, vierendertig kilo lichter en topfit.” Dat is zichtbaar. Tegenover ons zit een getrainde, slanke vrouw met een zelfverzekerde blik en een ‘ingetogen’ glimlach. Haar ogen laten ons meegenieten van het geluk in haar leven.

Op de vraag wat ze van Almere vindt, antwoordt Angela: “Ik vind het een geweldig dorp. Je leert gemakkelijk mensen kennen. Ik werk als vrijwilliger in de Bieb in Poort. Angela is bijzonder actief, wat temeer blijkt, als ze vertelt dat ze zich inzet voor de stichting Abri1en het G-kracht-panel2. Een politiek panel voor jongeren met een beperking. Onlangs hebben leden van dit panel gedebatteerd met Almeerse politici. Ze is trots dat ze deze dingen kan en mag doen.

Angela: “Almere is prachtig. Je hoort regelmatig vooroordelen van buiten Almere. Laatst kwamen er oud collega’s op bezoek. Die hadden thuis gezegd dat ze bij kennissen in Almere gingen eten. Hun kinderen vonden het maar zielig voor ons dat wij in Almere woonden. Ze hebben geen idee, zei ik. Laat ze maar eens komen kijken, heb ik gezegd.”

Angela van Moorst is een betrokken Almeerder en voelt zich samen met haar Richard meer dan thuis in de Nikéstraat.

 

Meander

“Thuis in de Nikéstraat”: © Meander; Almere; 2 maart 2018.

Voetnoten:

1               Stichting Abri: http://www.stichtingabri.org
2               Stichting Abri Raadspanel: http://www.stichtingabri.org/activiteiten/raadspanel-politiek/

Foto’s:

Foto Woning: ©Meander; 10 maart 2018
Angela van Moorst: ©Meander, 2 maart 2018

Thuis in de Nikéstraat” is het verhaal van Angela van Moorst over haar Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Mijn kind wordt in Almere geboren en nergens anders!

Mijn kind wordt in Almere geboren en nergens anders!

 

Urmila zat aan een grote, ronde tafel in de bibliotheek van Almere Buiten. Ze had contact opgenomen met Suburbia in de buurt omdat ze haar verhaal over haar Almere wilde vertellen. Ze is een tijd zoekende geweest, tot ze in Almere haar rust en haar thuis vond. Urmila is zakelijk, beheerst en stijlvol gekleed. Een charmante, vrolijke, vriendelijke en brede glimlach, passend bij haar kijk op het leven, is nagenoeg onafgebroken aanwezig. Een levensgenieter, die met beide benen op de grond staat.

geborenUrmila: “Ik ben geboren in Suriname. Mijn moeder wilde met ons naar Nederland, want daar waren betere scholen, vooral voor ons dove zusje. In 1975 vertrokken we uit Suriname en kwamen mijn ouders met zeven kinderen naar Nederland. Eerst woonden we in een hotelletje in Amsterdam in de Van Eeghenstraat. De Van Eeghenstraat lag tegen het Vondelpark aan en zo hadden wij, niet onze eigen, maar wel de grootste tuin van iedereen om in te spelen.”
Urmila vertelde hoe haar ouders na verloop van tijd een huis kochten aan de Valentijnkade in de Indische buurt van Amsterdam. Daar woonden ze zes jaar, waarna ze drie jaar in de Bijlmer gingen wonen. In die tijd ging Urmila naar het vwo.
Haar moeder verhuisde na die drie jaar vanuit de Bijlmer, zonder Urmila’s vader, met haar kinderen naar Diemen, waar ze een huis had gekocht.

Urmila: “Toen ik naar de heao ging, ontmoette ik in Den Haag een leuke jongen. We besloten om samen te gaan wonen in de residentie van Nederland. Ik ben daar gaan werken bij een bank en kwam via die bank in het vastgoed. Voor het vastgoed en de bank volgde ik veel cursussen, zoals bij NVM-SOM voor vastgoed en talloze cursussen voor het bankwezen. Ik heb ruim tien jaar bij banken gewerkt.”
Een bibliotheekbezoeker vroeg ons waar hij thrillers kon vinden. Ik verwees hem naar de balie.

“Na vijf jaar ging ik alleen terug naar Diemen, omdat ik in Amsterdam een baan had gevonden”, vervolgde Urmila haar verhaal. “Ik kon gelukkig een woning huren in Diemen Noord en binnen een jaar kocht ik een woning in Diemen Centrum. Enige tijd later besloten we samen met de familie dat ik bij mijn zus zou gaan wonen, omdat ze alleen woonde. Mijn zus is helaas plotseling overleden. Het was een erg verdrietige tijd voor de familie. Het gevolg was dat ik geen huis meer had, omdat ik mijn eigen huis al verkocht had. Ik heb tijdelijk bij familie ingewoond en wilde graag weer een huis kopen in Diemen, maar dan wel een groter huis dan ik eerst had. Diemen was te duur voor dat type woningen, daarom ben ik in Almere gaan kijken.”
Marijke van Suburbia kwam ons zeggen dat de volgende verteller zat te wachten. “We hebben nog een kwartier nodig”, zei ik.

Urmila ging verder: “We zijn gezellig met de familie in Almere Centrum gaan shoppen. Daarna zijn we in verschillende wijken gaan kijken. Ik vond vooral de Filmwijk leuk en viel min of meer voor een bepaalde straat. In 2000 is het me gelukt om in die straat een huis te kopen. Het was een weloverwogen keus, want een huis is geen pak suiker. Ik heb mijn huis gekocht in de tijd dat ik nog bij een bank werkte. De hypotheek viel daarom een stuk voordeliger uit.”
Urmila’s kinderen, een tweeling, kwamen even kijken, maar gingen al snel weer verder met het zoeken van boeken in de bibliotheek.

“Ik had net verkering met, geheel toevallig, weer iemand uit Den Haag”, zei Urmila. De afstand was geen probleem, want de verbindingen waren goed. We besloten eerst te latten. Hij heeft zijn huis in Den Haag altijd gehouden en ik wilde niet in Den Haag komen wonen. We hebben in Almere en in Den Haag gewoond en kregen drie kinderen.” We praten even over haar kinderen en over mijn kinderen, voordat we weer verder gaan.
“Toen ik weeën kreeg van de eerste, waren we in Den Haag”, zei Urmila. “Ik zei dat ik naar Almere wilde, want ik wilde niet dat ons kind in Den Haag zou worden geboren. ‘Mijn kind wordt in Almere geboren en nergens anders’, zei ik. Dus, wij van Den Haag naar het Flevoziekenhuis in Almere. De tweeling is ook in Almere geboren.”
“Mijn vriend en ik hebben enige tijd geleden onze relatie beëindigd. Het contact is goed en de kinderen kunnen zelf kiezen of ze naar hun vader in Den Haag willen, of bij mij in Almere willen zijn.”

geborenOp een gegeven moment is Urmila voor zichzelf begonnen met de verkoop van zelfbedachte producten en souvenirs met deels een focus op Almere. Een voorbeeld van die souvenirs is een mok met de gecombineerde tekst: ‘FeelAlmere.’ Urmila heeft de PshR (Pusher) uitgevonden. Dat is een apparaatje waarmee je knoppen en andere dingen in kunt drukken zonder je nagels te beschadigen.

Naast haar werk was en is Urmila een actieve Almeerse, bijvoorbeeld in buurtlokaal WD 88, waarbij WD voor Walt Disneyplantsoen stond en 88 voor het huisnummer. WD 88 was het buurtlokaal van de Filmwijk. Urmila werd gevraagd om actief te zijn in WD 88 en heeft tal van activiteiten opgezet. Helaas is het buurtlokaal enige tijd geleden gesloten. Tegenwoordig is Urmila actief in de ondersteuning van de buurtpreventie.
In 2014 stond Urmila op de lijst voor de verkiezingen van de gemeenteraad, omdat ze wat wilde doen en de politiek van de gemeenteraad dichtbij was. De VVD haalde niet genoeg zetels en Urmila haalde onvoldoende voorkeurstemmen om een plaats in de gemeenteraad te bemachtigen. Vanaf de zomer van 2014 is ze zich meer op haar onderneming gaan richten.

“Voel je je thuis in Almere?”, vroeg ik haar, om de finale conclusie, die al in de lucht hing, te laten bevestigen.
Urmila’s antwoord was liefdevol en duidelijk: “Op het moment dat ik kinderen kreeg, begon ik mij hier thuis te voelen. Zij hebben er voor gezorgd dat Almere ons thuis is.”

 

Meander

 
“Mijn kind wordt in Almere geboren en nergens anders!”: © Meander; Almere; 9 maart 2018.

Foto’s

Foto Urmila Jagroep: ©Urmila Jagroep
Foto Beker: © Meander; Almere; 9 maart 2018.

Beker: “Feel Almere”; 
©Urmila Jagroep

“Mijn kind wordt in Almere geboren en nergens anders!” is het verhaal van Katja Urban over haar Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.

 

Behoefte aan onbezield land

Behoefte aan onbezield land

onbezieldJos Arends zit in de goed zittende, gele stoel van Suburbia en bladert door een boek. Hij kijkt op met een vrolijke blik. Ik vraag hem, wat hij leest. Hij draait het boekje om. Het gaat over mensen in de steentijd4. Over mensen die toen al in Almere woonden, waarmee alle ‘pioniers’ van Almere keurig op hun plaats worden gezet.

Jos vertelt dat hij van 1975 tot 1980 is geschoold als kunstenaar en docent aan de Experimentele Lerarenopleiding te Nijmegen. Van 2003 tot 2017 was hij als docent verbonden aan het Helen Parkhurst in Almere.
 Jos zegt: “Sinds een paar maanden ben ik betrokken geraakt bij VINDplaats Zenith1, een archeologische vindplaats aan de Evenaar in Almere Buiten. Een collega en vriend van mij is architect. Die wist dat ik aan het einde van mijn reguliere werkleven zat. ‘Kun jij er iets mee als inspirator?’, vroeg hij aan mij.

Die zevenduizend vierkante meter van VINDplaats Zenith is ingevuld als semi-openbare tuin en veel meer. In een kleiner gedeelte moest een buitentheater komen, maar dat kwam onvoldoende van de grond. Ik ben nog niet zo lang geleden onbevangen begonnen en werd er binnen de kortste keren door gegrepen. We hebben nieuwe plannen gemaakt voor verdere invulling van de VINDplaats. Kort geleden hebben we de eerste voorstellen met de gemeente Almere gedeeld. Het is goed mogelijk om hier iets bijzonders van de grond te trekken, want het is nu al een prachtige plek. Ga maar eens kijken.”

onbezield

VINDplaats Zenit is de markering van een pleisterplaats uit de steentijd4, zo’n tienduizend jaar oud. De nederzetting lag aan de oever van rivier de Eem2. Nu is de Eemnog te vinden op het oude land tussen Amersfoort en het Eemmeer.
Jos vertelt over de spullen die gevonden zijn en hoe de identiteit van het verleden kan worden gekoppeld aan die van de nieuwe stad, de nieuwe nederzetting.

Ik vraag Jos waarom hij mee wilde doen aan het project van Suburbia.
“Omdat ik me hier helemaal thuis voel”, zegt Jos, “wat geheel in strijd is met de vermeende logica van mijn familie en vrienden. Die begrijpen niet hoe wij hier gelukkig kunnen zijn. Mijn vrouw komt uit Leek en ik kom uit Elst. We kwamen in 2002 of 2003 naar Almere, dacht ik.” Hij denkt even na over het juiste jaartal, maar laat het als onbelangrijk gegeven weer los.
Jos: “Onze vrienden zijn daarna maar mondjesmaat op bezoek geweest. Er is blijkbaar een mentale barrière. Ik leid ze rond en laat hen boeken zien van en over de founding fathers van Almere. We rijden met hen door verschillende stadsdelen, bij voorkeur op de fiets. Ze vinden dat Almere geen hart heeft, geen kern. Het is maar hoe je er naar kijkt en hoe lang je de stad wilt en durft te beleven om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen”, zegt Jos.
Het onderwerp van het negatieve stigma van Almere dat bijvoorbeeld jaarlijks wordt opgedist in een bloedstollend verhaal in Trouw, alsof je hier niet kunt wonen, houdt ons even bezig. Waarom zouden hier toch steeds meer mensen komen wonen, vragen we ons af.

“Ik was achtenveertig toen ik in Almere kwam wonen”, zegt Jos. “Elst, de omgeving waar ik vandaan kom is mij door en door bekend. Ik ken alle verhalen en alles was al geclaimd. Als je daar iets nieuws wil beginnen kan dat nauwelijks. Alles is al bezet. Op elke hoek van de straat ligt het verdriet en een glimlach. Je kent al die emoties en je kent de historie die er bij hoort. Zo ook het verdriet dichtbij, want mijn jongste zoon is in die plaats overleden. Ik stelde vast dat ik wat anders wilde en zei tegen mijn vrouw dat ik behoefte had aan onbezield land. Een stuk land dat we konden veroveren. ‘Prima’, zei mijn vrouw.”
We krijgen ondertussen een kopje thee van Marijke weer gaat zitten en meeluistert.

Jos: “Tijdens deze periode van bezinning kwam de onderwijsbevoegdheid weer in beeld. Mijn jongens kwamen in de pubertijd. De een zat boven en de ander onder aan de ladder van kansen, maar ze zijn beiden gelukkig en daar draait het om. De jongste is inmiddels grafisch vormgever en de oudste is begeleider bij ‘Weet hoe je leeft5.’ Hij is daar, ondanks zijn uitstekende opleidingen, begonnen als cliënt, heeft zich kunnen herpakken en is er nu werknemer.” Een kort intermezzo over ‘Weet hoe je leeft’ en de verschillen tussen kinderen, leidt ons geheel terecht af van het verhaal dat Jos aan het vertellen was, maar zoals steeds, pakken we de draad weer op.

“Ik ben dus gaan solliciteren”, zegt Jos. “Alleen in Almere. Het Helen Parkhurst had in 2002 een open dag. ‘Ga je mee’, zei ik tegen mijn vrouw. Op de bewuste dag stapten we in de auto om naar het Helen Parkhurst te gaan en een uur later reden we de Stichtse Brug over. We kregen het beiden warm en raakten opgewonden door wat we zagen. We vroegen ons af wat er aan de hand was. Zouden we in de polder belanden? Het grote water over voor een nieuw leven? Aaltje zei: ‘Het is mij duidelijk, ik ga alvast inpakken.’
Ik werd docent op het Helen Parkhurst, in de volksmond HP. Van te voren ben ik nog een paar keer naar het HP gegaan om me goed voor te bereiden, want ik had nog nooit lesgegeven. Naast mijn baan als kunstdocent was ik later betrokken bij leerwegondersteunend onderwijs. Het was een volledige baan.”
We worden gewaarschuwd dat we moeten afronden, omdat de bibliotheek over tien minuten dichtgaat.

“Mijn zoon ging ook naar het HP”, zegt Jos, “ondanks het feit dat we nog geen woning hadden. Ik had een oude caravan gekocht en die op camping Waterhout geplaatst. Daar hebben hij en ik zolang gewoond. Het was behelpen, maar het was tevens een bijzondere ervaring.”
We praten over het gedonder rond camping Waterhout en de Floriade. We kennen beiden de familie Fokkens en derhalve het verhaal over de verhuizing van de camping van dichtbij en van twee kanten. Tot een conclusie komen we niet.

Jos gaat verder: “In die tijd waren er vestigingspremies voor mensen met bepaalde beroepen, maar met een premie heb je nog geen huis. Uiteindelijk kregen we een huurhuis in de Slauerhoffstraat. Toen mijn betrekking werd omgezet in een vaste baan, hebben we een huis gekocht in de Muziekwijk.”

onbezield

“Pas in 2010 verhuisden we naar onze prachtige woning op de Bonairepier”, zei Jos. “We hadden die woningen al in 2003 gezien, maar toen was het te duur. Door de crisis en het feit dat de balkons waren verwijderd, na een gerechtelijke procedure die was aangespannen door de overburen aan de Antillenweg, waren de woningen in 2010 veel goedkoper.”
Jos blijkt een overbuurman te zijn van Michiel Rijsberman die we ruim een uur daarvoor hebben gesproken. Waar Michiel veel nadelen ondervond en ondervindt van het gedoe met de balkons, heeft zijn buurman Jos er de vruchten van geplukt.

“Op een dag hield Aaltje de laptop voor mijn neus”, zegt Jos. “Ze zei: ‘Hij is te koop.’ Ik reageerde iets te snel en te stoer en zei: ‘Ik ga niet meer verhuizen.’ Maar helaas pindakaas. Aan kosmische liefde zitten geen limieten, dus je begrijpt wat er gebeurde. We kochten het huis. We hebben in het contract een clausule opgenomen dat het balkon voor één euro zou worden herplaatst, indien de eigenaren van de woningen aan de Bonairepier de balkons na jaren procederen toch terug mochten plaatsen. En zo geschiedde. Wij zitten tegenwoordig uitermate comfortabel voor één euro in de zon op ons balkon, boven ons eigen water.”

onbezield“Ga je hier ooit nog weer weg?”, vraag ik Jos.
“Dat denk ik niet. Wij zijn hier meer dan gelukkig en onze zoons blijven in Almere wonen. De een in Poort en de ander kijkt nog waar hij wil wonen. Hier zijn prachtige dingen te doen tijdens ons vervroegd pensioen en lang daarna.

Aaltje en Jos hebben gekregen wat ze wilden, land om te bezielen. Land en mensen bezielen, dat doen ze, zelfs al hebben ze vastgesteld dat er tienduizend jaar geleden al met hart en ziel werd geleefd op Almeerse grond.

 

Meander


“Behoefte aan onbezield land”: © Meander; Almere; 9 maart 2018.

Voetnoten:

1        Vindplaats Zenit:         http://vindplaatszenit.nl
2        De Eem:                         http://rivier.de-eem.nl/eem/eem/lemmaeem.html
3        De Eem:                         https://nl.wikipedia.org/wiki/Eem
4        Steentijd:                       https://nl.wikipedia.org/wiki/Steentijd
5        Weet hoe je leeft:       http://weethoejeleeft.nu

Foto’s:
Tekening VINDplaats Zenith: VINDplaats Zenith
Boek Steentijd: ©Meander
VINDplaats Zenith: Google Earth
Bonairepier: Funda, internet
Jos Arends: Jos Arends
Meer info over archeologie en Almere? Klik HIER.

“Behoefte aan onbezield land” is het verhaal van Jos Arends over zijn Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.

Jos heeft zijn verhaal naar aanleiding van ons gesprek in de bibliotheek ook verteld aan omroep Flevoland. Klik HIER voor het bijzondere interview.

 

Omdat Woorden over Leven…

Omdat Woorden over Leven…

“Ik kom uit een elitair, intellectueel milieu op de Utrechtse Heuvelrug”, zegt Katja Urban. “Ik groeide op in Leersum en later in Amerongen. Van mijn ouders moest ik een instrument leren spelen. Ik koos viool, want dat was het enige instrument waar ik geluid uit kreeg tijdens een open dag van de muziekschool. Mijn eerste vioollerares schoof me door naar haar opvolgster met de boodschap: ‘Totaal geen talent, maar ze oefent braaf.’ De opvolgster liet me weer bij les één beginnen, maar had meer vertrouwen in mij. Ze stuurde me naar het Jeugdorkest Heuvelrug. Dat was een slimme zet, want mijn medeorkestleden lieten me fijntjes weten dat ik niet alleen de noten voor mijn neus moest spelen, maar ook geacht werd om uit te tellen wanneer en hoe snel dat moest. Het kwartje viel en ik schopte het tot concertmeester en voorzitter van het jeugdbestuur. Zo rolde ik het wereldje van de klassieke muziek in.”

over

Katja voltooide eerst een opleiding bedrijfscommunicatie in Utrecht en studeerde vervolgens als bedrijfskundige af aan Nyenrode. Vanzelfsprekend meldde ze zich bij het Utrechts Studenten Concerten werd ze enige tijd later als invaller gevraagd voor een tournee met het Utrechts Studenten Koor en Orkest2. Ze gingen met de Mattheus Passion naar Praag. “Een uitstekende manier om vrienden te maken’, zegt Katja, “en het helpt je om een kamer te vinden. Bovendien krijg je de nodige schnabbels door het groeiende netwerk van muziekliefhebbers waar je in terecht komt.”
Onze passie voor muziek en wat dat met je doet, is enkele minuten onderwerp van gesprek, voordat we verder gaan met Katja, in Utrecht.

“Mijn studentenhuis stond vlak naast de Janskerk, in die tijd een oecumenische studentengemeente. Ik ben opgegroeid bij socialistische ouders. Mijn vader zei altijd dat geloof opium voor het volk was, maar ik liet me bekeren door een katholieke priester. Het was waarschijnlijk zijn bedoeling dat ik mijn doopsel vervolgens zou inleveren bij de Rooms-katholieke kerk, maar dat heb ik niet gedaan. Ik ben niet zo van de kerkelijke dogma’s. Ik voel me een Christen en niets anders. Die kerkgemeente werd wel een ‘thuis’ en daarmee een bron van sociale contacten en activiteiten.” Geloof en onze verschillende beleving daarvan, vraagt onze aandacht en we dwalen wat af.

Ik vraag: “En toen?”
“En toen?”, herhaalt ze de vraag. “Van mijn eerste salaris kocht ik een appartementje in Maarssen. Mijn man woonde boven mij, dus je snapt wel hoe dat is gegaan. In 2007 raakten we zwanger, maar we woonden nog steeds op dat tweekamerflatje, dus gingen we op zoek naar een eengezinswoning met een tuintje. Ik was intussen begonnen als ZZP-er en in de Vechtstreek iets kopen met maar één zeker salaris, was onhaalbaar. Dan ga je zoeken op internet. Mijn man werkte in Amsterdam als IT-er, daarom keken we naar Almere. Op Funda stonden leuke huisjes. We spraken er met familie en vrienden over, maar die verklaarden ons voor gek. ‘Almere?’, zeiden ze, ‘dat is alleen maar nieuwbouw, qua inwoners het afvalputje van Amsterdam en op cultureel gebied is het een woestijn.’ Wij hadden allebei zoiets van, dat kan niet. Zo overdreven. Op een zaterdag deden we onze fietsen in de auto en reden we naar Almere. We zijn overal in Almere geweest en vroegen aan iedereen die we tegenkwamen hoe zij het vonden in Almere. Ze waren allemaal enthousiast en van de dramatische schets van onze naasten bleef niets over. Het was voor ons meer dan voldoende. Hier gaan we wonen, besloten we.”

Katja vertelt verder: “We kochten een huis in Stedenwijk Midden, een van de eerste wijken in Almere Stad. We begrepen dat als we ons hier thuis wilden voelen, we actief mee moesten doen. Lid worden van een kerk, een vereniging en met verjaardagen moesten we alle buren uitnodigen, zo was onze redenering. Mijn man ging computerles geven in het buurthuis en ik werd lid van de oudercommissie van de crèche. Weer later werden we lid van atletiekvereniging Almere ’813. Door mijn werk als verhalenverteller en workshopdocent ‘Creatief Schrijven’ kwam ik vrij snel in contact met kunstenaars en werd ik bij allerlei evenementen en activiteiten betrokken. Zo werd Almere ons thuis. Een thuis dat we grotendeels zelf vormgaven.”

“Ik speel geen viool meer”, zegt Katja. “Een zwaar auto-ongeluk verwoestte mijn fijne motoriek. Ik had geen zin om helemaal opnieuw te beginnen zonder garantie op succes. Opnieuw leren lopen, leren typen en leren autorijden had al veel van me gevraagd. Maar, omdat ik van muziek houd, ben ik op zangles gegaan en kwam ik in de kerkmuziek terecht. Ik heb veel in koren gezongen en verschillende projecten gedaan.

Hier, in Almere, keek ik eerst in de Lichtboog, maar dat vond ik geen echte oecumene. Ik vond het voordeurdelers en was van mening dat beide geloofsgemeenschappen erg dogmatisch waren. Na een paar diensten en gesprekken, keek ik verder. De Goede Rede vond ik toen nog te ver weg, daarom kwamen we terecht bij de doopsgezindenin het buurthuis bij ons om de hoek. Een zeer progressieve gemeente en ze hadden daar ook een fijne kindernevendienst. Ik wil graag bij een kerkgemeenschap horen, want dan leer je gelijkgestemden kennen. Er was daar in het begin nog geen kerkkoor, maar er waren genoeg dames die het wel zagen zitten om samen te zingen. Ik werd een jaar lang dirigent. Na een tijdje ebde de interesse weg. Nu doen we eens per jaar een project en heb ik er warme contacten. En natuurlijk weer geen doopsel ingeleverd, ik sta te boek als belangstellende.”

Katja’s zoon is intussen negen. Hij ging eerst naar de buurtschool, geheel vanuit de wens om je thuis te creëren in de buurt waar je woont, maar inmiddels gaat hij naar Digitalis in de Kruidenwijk. Die school paste uiteindelijk toch beter bij hem. Hij traint graag bij de atletiekvereniging waar zijn ouders ook trainen en waar zijn vader helpt als vrijwilliger om wedstrijdparcoursen uit te zetten.

We praten over Katja’s werk als biografe en verhalenverteller. Ik vind het heerlijk om tegenover een collega te zitten. Marijke van Suburbia, vraagt of Katja niet ook een paar verhalen wil schrijven. Katja knikt en we spreken af om er na het gesprek op terug te komen.

overVanaf 2006 schreef Katja als freelancer de levensverhalen op van ondernemers, ouderen, chronisch zieken en anderen. Die wilden hun verhalen graag vastleggen en delen met familie, vrienden, lotgenoten en klanten. Daarnaast is ze schrijfcoach en geeft ze workshops. Haar bedrijf heet ‘Woorden over leven’4. Woorden over leven is de korte versie van: ‘Omdat woorden over het leven overleven en doen leven.’

Katja: “Voor het Evenaarfestival kwam ik in contact met een beeldend kunstenares uit Almere Buiten die een hoekje voor kunstenaars wilde claimen met creatieve activiteiten rond een thema. We hebben samen met andere kunstenaars een concept uitgedacht en een plan ingediend bij de festivalorganisatie. Dat was erg inspirerend. Ik heb opgetreden als verhalenverteller met een spannend, licht erotisch verhaal, passend bij ons thema.”

“Door mijn Indische achtergrond heb ik veel Indische klanten”, zegt Katja. “Dankzij die contacten kon ik een keer een stand krijgen op een Pasar Malam (Indische Braderie) in Zeewolde, en mocht ik een workshop verzorgen. De organisator veronderstelde dat ik veel mooie verhalen zou horen die ik op kon schrijven. Zo kwam van het een het ander. Ik ging in een sarong (Indische klederdracht) familieverhalen en fabels vertellen op Indische gelegenheden en later ook op scholen in Almere.”
“Een van mijn opdrachtgevers ontdekte mijn achtergrond in de bedrijfscommunicatie en het management. Met een enthousiast team, onder leiding van Amal Abbass-Saal, bouwden we Inspiratie Inc. uit, tot een enthousiasmerende organisatie met een werkend concept om nieuwkomers in Almere een netwerk, talentontwikkeling en perspectief te bieden. Een echt thuis. Ik paste daar als creatieve Indische wonderwel tussen en kwam in het dagelijks bestuur.”

Ik vraag Katja wat haar plannen zijn voor de toekomst.
Katja: “Ik ben nu bezig om mijn bedrijf ‘Woorden over Leven’ weer op te bouwen, nieuw leven in te blazen. Ik heb het een tijdje laten verslonzen door mijn aandacht voor andere dingen. Op een gegeven moment deed ik teveel verschillende dingen om echt ergens goed in te kunnen zijn, bovendien raakte ik er hopeloos overspannen van. Ik promoot mezelf daarom niet meer actief als verhalenverteller en ook de zakelijke communicatie en mijn managementtaken heb ik eraan gegeven. Nu doe ik alleen nog waar mijn hart naar uitgaat, zoals verhalen over het leven van mensen schrijven, anderen helpen schrijven, redigeren van teksten en publiceren. Ik doe dat op verschillende manieren. Voor boeken, in artikelen, op Facebook, verhalenkaarten maken en workshops geven.”
We spreken af om daar nog eens over door te praten. Typisch Almeers dat gemak waarmee we initiatieven nemen, niet te snel belemmeringen zien en weinig sociale barrières kennen. Kansen zien en grijpen.

“Almere is jouw of beter gezegd jullie thuis”, zeg ik. “Wil je ooit weer weg? Verveel je je?”
Katja kijkt me lachend aan en zegt: “Geen denken aan. We hebben er nog geen seconde spijt van gehad dat we hier zijn komen wonen. Je moet in Almere eerder oppassen dat je agenda niet te vol raakt dan dat je je verveelt of vereenzaamt. Het begrip ‘je thuis voelen’”, besluit Katja, “heeft voor ons vooral te maken met je gekend weten en je geliefd voelen. Vrienden hebben.”

 

Meander


“Woorden over Leven…”: © Meander; Almere; 7 maart 2018.

Voetnoten:

1               Utrechts Studenten Concert; https://www.usconcert.nl
2               Utrechts Studenten Koor en Orkest; https://usko.nl
3               Atletiekvereniging Almere ’81; https://www.almere81.nl
4               Katja Urban: “Woorden over leven.”; www.woordenoverleven.nl
5               Doopsgezinde Gemeente Almere; http://www.dgalmere.nl/ 

Foto en tekening:

Foto Katja Urban: ©Katja Urban
Logo Woorden over Leven: ©Katja Urban

“Woorden over Leven…” is het verhaal van Katja Urban over haar Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Wij willen écht meedoen

Wij willen écht meedoen

Drie mannen wandelen de Nieuwe Bibliotheek van Almere binnen. Voorop loopt een vrij lange man met een slank, donker gezicht. Een brede, sterke kerel met een donkere kroesbaard en een brede lach loopt samen met een wat kleinere, serieus kijkende man achter de lange man aan. De kleine man draagt een blauwe muts.
Ze blijven staan bij de banner van Suburbia over ‘Almere mijn Thuis’, lezen wat er op staat, overleggen en kijken daarna in onze richting. We pakken de wellicht onbedoelde uitnodiging om hen uit te nodigen op, stappen op hen af en vragen de drie heren meedoen en hún verhaal over Almere willen vertellen. Ze gaan zitten, krijgen koffie en stellen zich pas voor als we vragen hoe ze heten.

De drie komen uit Somalië. Toen ze nog in Somalië woonden, kenden ze elkaar niet.
De kleinste man met de muts en de man met de brede lach kwamen al in 2008 in Nederland, zijn inmiddels genaturaliseerd en hebben een Nederlands paspoort. Toen ze in Nederland kwamen, moesten ze eerst naar Ter Apel. Daar ontmoetten ze elkaar.
De lange man kijkt me wantrouwend aan en vraagt wat wij met de informatie gaan doen. Ik leg hem uit waar de verhalen voor worden gebruikt en dat de verhalen, indien zij dat wensen, anoniem kunnen worden geschreven. Hij knikt om aan te geven dat hij het begrijpt. Hij vertelt vervolgens dat hij in 2011 naar Nederland is gekomen. Na elf dagen te hebben gewacht op Schiphol, werd hij naar het AZC in Crailo in het Gooi gebracht. Toen Crailo dicht ging moest hij in Dronten wachten op een huis in Almere.

De vrouw van de kleinste man kwam in 2009 naar Nederland. Ze hadden toen nog geen kinderen. Nu hebben ze er vier in de leeftijd van zeven maanden tot zeven jaar. Geboren Almeerders.
De brede man vertelde schouderophalend dat zijn vrouw ziek was en daarom niet naar Nederland mocht komen. Ze is nu voldoende hersteld en is bij de grens van Somalië met Kenia. Hij hoopt dat zijn vrouw dit jaar samen met hun kinderen in Nederland zullen aankomen.
De vrouw van de lange man kwam in 2013 naar Nederland. Hij heeft ze na aankomst drie dagen gezien. Daarna werden zijn vrouw en kinderen naar Ter Apel gebracht en moesten ze een tergend lange procedure doorlopen. Na het verblijf in Ter Apel werden ze naar een AZC in Sint Annaparochie gebracht. Sint Annaparochie is een dorp in het uiterste noorden van Friesland. Hij woonde al die tijd in Almere en zag hen weinig, omdat het reizen naar Sint Annaparochie uren duurde en de reis veel geld kostte. Daar kwam nog bij dat hij daar niet mocht blijven slapen. Maanden later mochten zijn vrouw en kinderen naar Almere komen en werd het gezin definitief herenigd.

De kleine man en de brede, goedlachse man werken beiden bij hetzelfde bedrijf in Almere. Ze werken er steeds twee jaar om vervolgens zes maanden niet te werken. Het werk loopt via een uitzendbureau. Het grote bedrijf, noch het uitzendbureau, willen een contract voor onbepaalde tijd aangaan. In de zes maanden dat ze niet werken krijgen ze een werkloosheidsuitkering via het UWV. Een uitermate merkwaardige constructie waar ze zelf niet voor kiezen. Het is het gevolg van de wetgeving over tijdelijke en vaste arbeidsover-eenkomsten die tot deze werkwijze van bedrijven en uitzendbureaus leidt. Geplande, overbodige werkloosheid.

De kleinste en jongste van de mannen wil graag studeren, maar hij is dertig jaar en komt niet meer in aanmerking voor studiefinanciering. Het bedrijf waar hij werkt wil hem wel een opleiding laten volgen, maar daarvoor moet hij eerst een wiskundecertificaat halen op vmbo-niveau. Hij kan die opleiding niet betalen en wordt niet geholpen om verder te komen.
De vriendelijke collega van de jonge man is eigenlijk automonteur en wil graag een eigen bedrijf beginnen, maar krijgt daar geen kans voor. Opleidingen zijn onbetaalbaar en hij kan nergens aan de slag om te laten zien wat hij kan. Niet eens als stagiaire, of vrijwilliger.
De lange man werkt nog niet. Hij zegt dat hij is opgeleid als apothekersassistent en dat hij dat werk graag in Nederland wil doen. De taal is een belangrijke barrière, daarom doet hij zijn best om zijn Nederlands te verbeteren. Hij heeft die taalkennis nodig om een opleiding voor apotheker of apothekersassistent te volgen in Nederland, al weet hij nog niet hoe hij dat moet betalen.

De kleine en de lange man hebben beiden een huis in Almere waar ze met hun gezin wonen. De immer vrolijk lachende man met de donkere kroesbaard woont op een kamer bij een collega. Hij kan pas een huis huren als zijn vrouw en kinderen in Almere kunnen en mogen komen.
De drie mannen zeggen goed contact met hun buren te hebben. Ze vinden die contacten belangrijk, want dan leren ze de taal sneller. Toch hebben ze vooral contact met andere Somaliërs in Almere. Het thuisgevoel voor hen wordt mede bepaald door het thuisgevoel van Somalië in Almere.

Het valt op dat de twee mannen die al langer in Nederland wonen, goed en nagenoeg accentloos Nederlands spreken. Grammaticaal is het Nederlands van de kleinste man uitstekend. Hij heeft kinderen die naar de basisschool gaan. Dat kan een voordeel zijn.

De jongste man wil graag in Almere blijven wonen en werken, ondanks het feit dat hij veel problemen heeft gehad in Almere. Hij zei: “De mensen praten tegen je en denken dat je alle regels kent en begrijpt. Dat is natuurlijk niet zo. De taal is lastig in het begin en hoe moeten wij al die regels kennen. Er is weinig begeleiding. Ik was drieëntwintig toen ik hier kwam en wilde studeren. Alleen de inburgeringscursus werd betaald. Toen ik zevenentwintig jaar was hoorde ik pas over de studiefinanciering, maar toen was ik te oud. Nu ga ik proberen wiskunde vmbo te halen, maar ik weet nog niet hoe ik dat moet doen en moet betalen.”
Zijn collega met de baard wil voor zichzelf en zijn gezin een toekomst opbouwen in Almere, bij voorkeur als automonteur in een eigen bedrijf. Het maakt hem niet uit wat hij er allemaal voor moet doen. Als het uiteindelijk lukt om een eigen garage te hebben, heeft hij er veel voor over.

De lange, ernstig kijkende man wil er alles voor doen om apotheker, of apothekersassistent te worden. Hij wil wel beginnen als vrijwilliger in een Apotheek. Hij wil graag in Almere blijven met zijn gezin, maar als hij ergens anders werk kan krijgen is hij bereid te verhuizen.
De man wijst ons op een probleem met het onderwijs van kinderen die niet in Nederland zijn geboren. “Ze sturen veel kinderen naar het praktijkonderwijs, omdat de achterstanden te groot zijn. In plaats van ze te helpen de achterstanden weg te werken, dumpen ze de kinderen in onderwijs waar ze niet thuis horen. Op die manier hebben onze kinderen te weinig kans om zich goed te kunnen ontwikkelen.”
Zijn  dochter zit nu in de tweede klas van de Mavo (vmbo-TL) en haalt uitstekende cijfers. Dat is mede te danken aan de directeur van de basisschool. Die heeft haar twee keer groep acht laten doen. Had hij dat niet gedaan, dan was ze ten onrechte naar het praktijkonderwijs verwezen.
“Als je er niet achteraan gaat, hoor je niets, maar deze directeur van de basisschool heeft het goed gedaan”, zegt de lange man met het voorkomen van een Masai-krijger.

Als luisteraar krijg je kromme tenen en een plaatsvervangend schaamtegevoel. Tegenover mij zitten drie mannen, die hard willen werken en studeren. Mannen die écht mee willen doen, een bijdrage willen leveren aan de maatschappij en zich willen inspannen voor hun gezin. Ze zijn gevlucht voor geweld en worden in ons prachtige land, waar ze zo graag aan mee willen werken, behandeld als tweederangs burgers. Mensen die anoniem willen blijven uit angst voor consequenties. Dat kan ons Almere niet zijn, toch?
Als wij willen dat iedereen die van buiten komt, integreert, dan moeten we ze daartoe wel een reële kans geven. Als zij Almere hun thuis vinden, of Almere tot hun thuis willen maken, moet de maatschappij ze eerlijke kansen geven.

 

Meander

“Wij willen écht meedoen”: © Meander; Almere; 4 maart 2018.

Foto Silhouet drie mannen: Internet (vrij gebruik)

“Wij willen écht meedoen”, is het tergende verhaal van drie Somaliërs. 
Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Hoe lang woon jij hier al?

Hoe lang woon jij hier al?

Voor mij zit Michiel Rijsberman, inwoner van Almere en actief politicus. Hij is gedeputeerde voor de provincie Flevoland en heeft het genoegen en de motivatie om vanuit de provincie zijn bijdrage te mogen leveren aan de groei en bloei van de provincie en daarmee aan de ontwikkeling van Almere.

woon

Michiel komt oorspronkelijk uit Amersfoort en studeerde in Delft het vak watermanagement dat destijds nog niet zo heette. Dankzij onze koning is het een bekend vak geworden.
Michiel woonde samen met zijn vriendin in Den Haag, omdat zij een studie deed in Utrecht en daar haar eerste baan had, terwijl Michiel nog in Delft studeerde.

In april 1995 begon Michiel bij Oranjewoud, in het markante betonnen gebouw aan de Wisselweg (zie foto boven het verhaal) op de hoek van de Waddendreef en de Spoordreef in Almere Stad. Het was het eerste grote kantoorgebouw in Almere Stad. In maart 1979 werd het gebouw door Oranjewoud in gebruik genomen. Het werk bij Oranjewoud was Michiels eerste baan na zijn studie.

Samen met zijn vriendin, later zijn echtgenote verhuisden ze naar Almere en kwamen ze te wonen aan de Parkwijklaan. Zijn vrouw deed als lerares eerst invalwerk op scholen en kreeg na enige tijd een baan op een school in de Kruidenwijk. Het was in die tijd niet eenvoudig om een vaste baan in het onderwijs te krijgen.
Enkele jaren later volgde Michiels echtgenote een opleiding tot fotograaf. Voor haar examen deed ze landschapsfotografie. Naast haar werkzaamheden als fotografe organiseert ze kinderfeestjes. Feestjes waar kinderen deelnemen aan een professionele Fotoshoot en hun eigen lijstje versieren.

In 1997 kochten ze een huis in de Literatuurwijk. Ze zouden vier jaar op het Stijn Streuvelshof wonen, voordat ze naar Almere Buiten verhuisden. In 2000 en 2002 werden hun kinderen geboren en precies er tussenin, in 2001, kochten ze een huis op de Bonairepier in de Eilandenbuurt.
Het was een tijd met veel veranderingen voor Michiel. Naast de geboorte van de twee zoons en de verhuizing, startte Michiel in 2000 zijn eigen onderneming op het gebied van watermanagement. Hij werkte vanuit zijn eigen onderneming onder meer voor Urk, Lelystad en Almere. Hij leerde op deze manier de provincie goed kennen.

Het project waar de Bonairepier deel van uitmaakt, ligt in de derde BouwRAI van Almere. Een project met de titel “Gewild Wonen” waar architecten de ruimte kregen en regels minder tot niet van toepassing zouden zijn. Helaas woonden Michiel en zijn gezin net op die ene pier waar door omliggende bewoners moeilijk over werd gedaan. De balkons van de woningen aan de andere kant van de Bonairepier dan die waar Michiel en zijn gezin woonden, moesten worden verwijderd, als gevolg van een fout van een notaris. Deze notaris had het water tussen de woningen van de Bonairepier en de woningen aan de Antillenweg ten onrechte volledig eigendom laten worden van de bewoners aan de Antillenweg. De balkons aan de noordzijde van de Bonairepier hingen dus boven het eigendom van de overburen aan de Antillenweg. Die bewoners zagen hun kans schoon om de balkons te laten verwijderen, opdat zij vrij op hun eigen balkons aan het water konden zitten. Pas enkele jaren geleden, werd het juridische conflict definitief opgelost en werden de balkons teruggeplaatst.

De familie Rijsberman heeft nooit serieus overwogen weer te verhuizen, ook al hadden ze dat misschien wel gewild, maar de waarde van hun huis was al die jaren een stuk lager dan de aankoopprijs door het gedoe met de balkons van de overburen op de Bonairepier. Wat we nog niet weten tijdens dit gesprek, is dat ik ruim een uur later een gesprek heb met een overbuurman van Michiel, die de vruchten van het balkondebacle heeft geplukt.
Michiel: “De huizenprijzen stijgen weer, dus wie weet is er een kans. We hebben nagedacht over een woning in Oosterwold. De kinderen vonden het ook leuk, tot ze ontdekten dat het deel van Oosterwold waar we onze woning wilden ontwikkelen in Zeewolde lag. ‘Dat gaan we echt niet doen’, zeiden ze. ‘We gaan niet in Zeewolde wonen.’ Voor ons was het duidelijk. Almere was en zou het blijven en niet een dorp verderop, zelfs als dat slechts een imaginaire grens betrof.”

“Ik werd lid van D66″, zei Michiel, “omdat D66 uit de Tweede Kamer dreigde te verdwijnen en ik de partij op die manier wilde steunen. Ze vroegen of ik mij actief kon inzetten. Zo kwam ik onder meer op de lijst van gemeenteraad op plek 26 als ‘lijstvulling’. Logischerwijs werd ik niet gekozen, maar ik deed actief mee, ook in de campagne. In 2010 werd ik lijsttrekker namens D66 voor de verkiezingen van de Provinciale Staten. We haalden in 2011 drie zetels en ik werd fractievoorzitter. Vier jaar later haalden we vier zetels en werd ik gedeputeerde.”

Een van de grote projecten waar Michiel Rijsberman vanuit zijn huidige functie aan werkt, is het Nationaal Park Nieuw Land. Hij dringt er bij mij op aan om de website eens te bekijken en dat heb ik inmiddels gedaan. Een project om de Oostvaardersplassen en andere natuurgebieden meer toegankelijk te maken, met behoud van de wilde natuur. Het is een  project dat Lepelaarsplassen, Oostvaardersplassen, een deel van het Markermeer en de Marker Wadden, die in dat Markermeer worden ontwikkeld, tot één groot Nationaal Park om moet vormen. Een schitterend en groots project.

woon
Marker Wadden

Ik vraag Michiel naar zijn beleving bij het begrip: ‘Almere mijn thuis’, ook al is Flevoland als totaal zijn thuis.Michiel zegt: “Hier heb je mentaal en fysiek de ruimte om jezelf te zijn. Als je jouw leven op je eigen manier wil inrichten dan kan dat. In Amersfoort vinden de buren er altijd wel wat van, hier niet. Mensen hoeven het niet samen te doen in Almere, maar je kunt wel veel samen doen. Dat gebeurt in Almere in sterkere mate dan elders.”
Onvermijdelijk gaat het over het imago van Almere, maar dan in de beleving van mensen die er niet wonen. Ten onrechte een negatief imago, want waarom zou Almere 206.000 inwoners hebben, als het er slecht toeven is.

Michiel werkt mee aan een culturele broedplaats in Almere Poort waar velen aan deelnemen. Mooie projecten als ‘Gluren bij de buren’ (mensen toelaten in je woning tijdens een cultureel huiskamerfestival) en theatergezelschappen als Vis à Vis en Suburbia trekken bezoekers en maken deel uit van de samenleving en de buurt.”
Onvermijdelijk praten we over het belang van kunst en cultuur en de bezuinigingen op de vrije en creatieve uiting van kunstenaars. We zijn het er over eens dat het beter kan en dat het slim besteden van beschikbare middelen aan de juiste projecten verstandig en noodzakelijk is.

We komen tot een afronding en Michiel lacht even en zegt dan: “Wat ik mooi vind, is dat Almeerders altijd zeggen hoe lang ze hier al wonen.” Ik deel die ervaring met Michiel en doe er zelf aan mee. Het geldt vooral voor de mensen die hier niet geboren zijn. “Almere is ons thuis”, besluit Michiel.

 

Meander

“Hoe lang woon jij hier al?”: © Meander; Almere; 9 maart 2018.

Foto’s:

Michiel Rijsberman: Flevopost.
Gebouw Oranjewoud: Gemeentearchief Almere.
Marker Wadden: De Ingenieur.

Voetnoot

1               Nationaal Park Nieuwland: https://www.nationaalparknieuwland.nl/nl

“Hoe lang woon jij hier al?” is het verhaal van Michiel Rijsberman over zijn Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
‘t is niet meer wat het geweest is

‘t is niet meer wat het geweest is

Het geluid van een fluitje snerpt over het veld. Het spel valt stil. Het is 1984. De scheidsrechter wijst in de richting van het doel om aan te geven voor wie de vrije trap is. Twee spelers van het andere team zijn het er niet mee eens en lopen op hem af. Ze roepen tegelijkertijd en door elkaar heen, half verstaanbaar commentaar, ondersteund met krachtige verwensingen, bedoeld voor de man die in hun ogen een verkeerde beslissing heeft genomen. De scheidsrechter pakt stoïcijns de bal op en legt hem op de plek waar de vrije trap genomen mag worden. De twee spelers blijven op hem inpraten, maar de scheids neemt negen ruime passen vanaf de bal naar het doel om aan te geven op welke afstand een eventueel muurtje kan worden gevormd. Dan loopt hij weg bij de twee spelers, die inmiddels zijn stilgevallen bij gebrek aan gehoor voor hun zinloze klaagzang. De speler die de vrije trap gaat nemen staat klaar. Het fluitje klinkt en hij neemt een aanloop.

geweestNu, vierendertig jaar later, zit die scheidsrechter tegenover ons om zijn verhaal over zijn Almere te vertellen. Ed Peereboom is een geboren Amsterdammer. Dat kun je en dat mag je horen, al kun je zijn Amsterdamse accent het beste typeren als algemeen, beschaafd, plat Amsterdams.
Ed is vierenzeventig en heeft nog steeds het uiterlijk, zij het met een vriendelijke, brede glimlach, van iemand waar je niet tegenin wilt gaan. Een karakteristieke, krachtige kop, waar het hart van menig tekenaar sneller van gaat kloppen.

Voordat hij scheidsrechter werd, werkte Ed in de horeca. In 1980 floot hij tweede klas KNVB, onder meer op de Veluwe. Daarna kwam hij bij Ajax in dienst als scheidsrechter en grensrechter. Hij is nog steeds betrokken bij Ajax en bij Almere City, al is hij onlangs gestopt met fluiten en vlaggen. Hij vond dat een zware griep, die dit keer enkele weken duurde, aangaf dat het genoeg was geweest. Zijn gezondheid gaat voor, vindt hij.

Ed is geboren in de Pijp en woonde tegenover de zeven jaar jongere André Hazes. Ze stalen samen wel eens een appeltje op de Albert Cuyp.
Op een gegeven moment ontmoette hij Josephien, voor intimi Fien. Binnen de kortste keren woonden ze samen in de Spaarndammerbuurt. In 1963 zijn Ed en Fien getrouwd. Later zijn ze in Buitenveldert gaan wonen en daarna in Gaasperdam. In 1997 verhuisden ze naar Almere, omdat hun zoon hier woonde. Hun dochter woont in Utrecht. Ed is inmiddels de trotse opa van vier kleinkinderen.

Ed: “We dachten dat het lastig was om een hypotheek te krijgen, maar dat lukte toch. We kochten een schitterend huis in de Danswijk, aan de Hoge Vaart, weet je wel? We hadden dat huis ook gekozen voor onze rust. Dat viel ondanks de mooie plek vies tegen. We hadden hele aardige, gezellige buren. Surinamers. Maar…, die maakten veel lawaai. Heel veel lawaai. Ze praten hard, net als jij”, zegt Ed lachend tegen mij. “Er kwamen vaak en meestal veel mensen op visite. Dan kookten ze in de schuur. Lieve mensen hoor, daar niet van, maar wij hadden er last van. We wilden geen ruzie, dus we lieten we het maar zo, tot het echt teveel werd. Na twee jaar in de Danswijk zijn we op zoek gegaan naar een ander huis. We kochten een huis in Tussen de Vaarten. Het was een nieuwe woning in de Johannes Vermeerstraat. Onze zoon woonde verderop in die straat. Hij woont er nog. Het is nog steeds een gezellige buurt.

Ed en Fien werden in 2008, samen met enkele anderen, de eerste bewoners van Almere Poort. Ze hadden het huis in Almere Poort speciaal gekocht voor Fien, omdat zij met haar reuma, suiker en fibromyalgie een gelijkvloerse woning nodig had. Aan de achterzijde heeft het huis een oplopende ingang. Ze heeft er bijna vijf jaar gewoond. In 2013 is Fien helaas overleden.
“Je mist haar natuurlijk, hé”, zegt Ed. “Ik woon hier lekker hoor, maar in principe heb ik hier niet wat ik eigenlijk wil. Ik wil een huis met een tuintje. Dat kan ik dan bijhouden en ik kan er lekker in zitten. Snap je? Als we hadden geweten dat het Arte College voor onze deur zou komen, hadden we het niet gedaan. Het was helemaal niet de bedoeling dat daar een school zou komen, maar ineens kwam de school er toch. Weer geen rust en er is hier niets te doen. Ik vind het niet gezellig in Almere Poort. Ik voel me meer thuis in Tussen de Vaarten.”

geweestEd is met Boomer, zijn hond, een vast element in het straatbeeld van het Europakwartier. Hij komt regelmatig in Artesjok, een familierestaurantje op steenworp afstand van zijn huis.
Ed: “Het is gezellig in Artesjok, maar je mist een echte ‘ouwerwetse’ kroeg. Je weet wel, een bruine kroeg. Ik zou wel wat meer contact willen met andere mensen nu mijn vrouw er niet meer is, maar er is hier niks.” Hij kijkt ons betekenisvol aan in de hoop dat we het begrijpen. Dat doen we.
“Gelukkig ben ik voorzitter van onze vereniging van eigenaren”, zegt Ed. “Daar heb ik best veel werk van. Ik hou de boel in de gaten. Vreemde mensen stuur ik weg. We doen zelf geen onderhoud. Dat besteden we uit, behalve de tuin. Ik verwijder het onkruid en snoei de lage struiken en planten.”

We vragen of Ed zich thuis voelt in Almere.
Ed: “Het was mooi in het begin. Veel groen. We wandelden en fietsten veel, maar het groen is steeds minder geworden en het onderhoud is heel slecht, vooral hier in Poort. Onkruid verwijderen en maaien doen ze te weinig en ze doen het slecht. Als de bestrating of de lampen stuk zijn, duurt het zeker veertien dagen voor ze er wat aan doen. Als je de gemeente belt, hoor je er meestal niks meer van. En dan het parkeren. Wel meer woningen, maar niet meer parkeerplaatsen. Bij ons voor de deur en tot ver in de wijk worden auto’s geparkeerd van mensen die met de trein gaan.”

Ed praat, zoals een goede scheidrechter fluit. Duidelijk, krachtig en tegenspraak is ondenkbaar. De glimlach, die zijn gezicht niet wil verlaten, lijkt paradoxaal daarmee, maar dat is slechts schijn. Ed is goedmoedig, vriendelijk en zoals een recht geaarde Amsterdammer betaamt, geeft hij bevlogen commentaar op wat niet deugt, ook al noemen anderen dat mopperen.
Hij Peereboom neemt de gelegenheid te baat om nog wat onvrede te uiten: “Het is toch schandalig. In Almere betaal je hondenbelasting, maar elders niet. Ik betaal belasting voor mijn hond, maar moet wel alles opruimen. Ik ruim niks op, want ik betaal al. Katten lopen vrij rond. Waarom moet daar geen belasting voor worden betaald?”
De Albert Heijn om de hoek moet het ook ontgelden. “De Appie is om de hoek, maar ze hebben de helft niet op voorraad. Altijd lege schappen, daarom ga ik naar Stad voor de boodschappen. Daar hebben ze een Vomar, een Dirk en een Deen. Alles op voorraad en een stuk goedkoper.”

Ed vat zijn dubbele gevoel over Almere als volgt samen: “Het is hier leuk en het is hier mooi, maar het is niet meer wat het geweest is. Heel misschien ga ik in Spanje wonen, als ik de hond niet meer heb. In Benidorm. Een vriend van mij woont daar. Ik spreek geen woord Spaans, maar dat maakt mij niet uit.”

Meander

“t is niet meer wat het geweest is”: © Meander; Almere; 2 maart 2018.

Foto’s:

Almere Poort: @Meander; 27 september 2018
Ed Peereboom: @Meander; 3 maart 2018
Boomer: 
@Meander; 27 september 2018

‘t is niet meer wat het geweest is, is het verhaal van Ed Peereboom over zijn Almere. 
Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.

Eindelijk Thuis

Eindelijk Thuis

Jacqueline en Henk Heikens zitten te popelen om hun verhaal te vertellen. Ze waren veel eerder aanwezig dan was afgesproken. Een verhaal hebben ze. Je wordt door hun vertellingen en de manier waarop ze vertellen van de ene naar de andere plek en van de ene in de andere beleving geslingerd.
Jacqueline en Henk wonen voor de tweede keer in Almere en willen hier nooit meer weg. Het verhaal is geschreven in de volgorde waarin Jacqueline en Henk het hebben verteld. Levendig en actief, zoals ze zijn.

Jacqueline heeft een vrolijke lach waar haar hele gezicht uitbundig aan meedoet, inclusief haar licht samengeknepen, meelachende ogen. Ze is overduidelijk net als haar man een levensgenieter. Het feit dat ze een stok nodig heeft maakt geen verschil. Sterk en positief. Lachende ogen onder levensrijk en ervaren, blond haar, kijken je aan.
Henk is een grote, stevige, sterke man met een forse sik en een snor, tussen twee gladgeschoren wangen. Zijn glimmende hoofd weerkaatst het licht van de bibliotheek. Uitdagend en breed glimgrijnzend, kijkt hij je aan. Een Amsterdamse en een Groninger, waar heb ik dat meer gehoord?

Het gesprek begint met de mededeling dat Willem Jan Hagens de biografie van Henk heeft geschreven en Carla Prins samen met Jacqueline een boek heeft geschreven over haar zeven jaar op Bonaire. Beide auteurs zijn vrijwilliger bij het project Levensboek van Humanitas. De twee boeken zijn tegelijkertijd gepresenteerd in de gemeenschappelijke ruimte van Woongroep Polter 50+ aan het Mies Deinumplantsoen, waar Jacqueline en Henk sinds 2014 wonen. Ik heb beide boeken gelezen. Het zijn accurate, boeiende levensbeschrijvingen.

Henk vertelt dat hij zijn hele leven in de horeca heeft gewerkt. Later werkte hij als adviseur bij Horeca Nederland en had hij een rayon dat reikte van Texel tot Haarlem en Tiel.
Jacqueline valt in en zegt: “We zijn voor de tweede keer getrouwd.”
Ik vraag iets te gevat “Met elkaar?” We lachen er om, want dat is niet het geval, maar de manier waarop Jacqueline het zei, bood een kans.

“Vroeger heb ik bij hem gewerkt”, zegt Jacqueline. In het AC Restaurant op de kop van de Afsluitdijk. Maar in 1980 ben ik met mijn toenmalige echtgenoot en kinderen naar Bonaire gegaan. In 1987 ben ik teruggekomen en heb ik in Nederland de echtscheiding geregeld. Henk was net als ik alleen, dus zo is het gekomen. Samen hebben we vier kinderen. Drie jongens en een meid, twee van Henk en twee van mij. Een samengesteld gezin. We hebben elf kleinkinderen, die eveneens deel uitmaken van een samengesteld gezin.”

Jacqueline zegt: “Ik stond in mijn eentje met nul centen op Schiphol toen ik terugkwam, daarom ging ik terug naar Leeuwarden, want daar had ik met mijn ex-man gewerkt en daar woonden vrienden.”
Henk: “Ik werkte inmiddels bij Horeca Nederland en woonde in Schraard.”
“We kwamen elkaar tegen in Leeuwarden”, zegt Jacqueline.
“Toevallig”, zegt Henk. “Ik liep op de Passa Gambir in Leeuwarden en ging met vrienden naar een gezellige kroeg waar een bepaald type uitdagende vrouwen kwamen. Laten we het er op houden dat het verstandige vrouwen waren. Voordat we naar die kroeg gingen kwam ik haar tegen”, Henk knikte in de richting van Jacqueline. “Jacqueline stond handdoeken te verkopen op de Passa Gambir.”
“Het was 7 april 1989, de trouwdag van mijn ouders”, zegt Jacqueline. “Hij vroeg, ben jij Jacqueline van Aruba? Ik zei, nee. Ik ben Jacqueline van Bonaire. Drie maanden later woonde hij bij mij en zo verloor het mooie Schraard een van zijn belangrijkste inwoners.”

“Het was een lastige periode,” zegt Henk, “want ik reed honderdduizend kilometer per jaar. Acht uur rijden, acht uur werken en acht uur slapen. Dat hou je niet vol. We zochten daarom een plek in het midden van mijn rayon en kozen voor Almere. In 1990 huurden we een mooi appartement aan de Bankierbaan.”
Jacqueline: “Ik kon onmiddellijk aan de slag bij Amici, een kledingwinkel voor dames en heren, vlakbij ons huis.”
“Het scheelde mij vier uur per dag”, zegt Henk. Ik hield tijd over. We werden lid van D66 en voor we het wisten, was ik voorzitter en Jacqueline bestuurslid. Als jij toen in de gemeenteraad zat”, zegt Henk tegen mij, “dan moeten we elkaar wel ontmoet hebben.”
“Vast”, zeg ik, “maar de aandacht voor jouw partij lag voor mij, als lid van de gemeenteraad bij mensen als Jan de Vletter en bijvoorbeeld Willem Woudenberg.” Ze veren beiden op. “Willem was een goede vriend van ons”, zegt Jacqueline. We dwalen af in gezamenlijke herinneringen, tot we ons verdiepen in andere elementen van het leven van de Heikens.

Toen ze zes jaar op de Bankierbaan woonden, kregen beiden binnen enkele maanden van elkaar ontslag. Enige tijd later kochten ze B&B ‘Eesterburen’ op de Grauwe Kat in Arum, niet ver van de Afsluitdijk in Friesland. In 1997 verhuisden ze naar Arum en gingen in de woning van het toekomstige hotel wonen.
Henk vertelt: “Het was eerst een Bêd & Brochje1, een omgebouwde oude boerderij met vijf kamers. We hebben het volledig verbouwd naar tien kamers en helemaal gemoderniseerd. Architect Oebele Hoekstra uit Almere heeft het ontwerp gedaan en de verbouwing begeleid. De boerderij ligt op een prachtige locatie midden in het boerenland. Het is er oorverdovend stil, zoals een tevreden klant het verwoordde.” Trots zegt Henk: “We hebben zowaar drie jaar in de Michelingids gestaan.”

Jacqueline vertelt dat regelmatig bekenden uit Almere kwamen logeren, waaronder Allard Veldhuis. Allard was er bij toen Henk een aanval van Ménière kreeg. Dat was op oudejaarsavond 1999. Ze waren toen nog bezig met de verbouwing.
Henk: “Daar ben ik gelukkig weer bovenop gekomen. We maakten van alles mee. Zoals het bezoek van leden van de Mossad onder politiebegeleiding en meer van dat soort bijzondere bezoeken. De afgelegen ligging trok nu eenmaal bepaalde mensen aan.”
Jacqueline kreeg een burn-out in 2002. Ze zegt: “Ik vond mezelf terug op het ijs van een sloot en ben er op een of andere manier zelf uitgekropen. In het pikkedonker ben ik naar huis gestrompeld.”
Henk zegt: “De hond stond voor de deur, zonder Jacqueline. Ik maakte me zorgen en wilde net gaan zoeken toen ik haar zag lopen, met één schoen in haar hand.”
“Ik kwam thuis, dat weet ik, maar ik kan me er niets meer van herinneren”, zegt Jacqueline.

Na alle goede en minder goede avonturen en ervaringen, verkochten ze in 2005 het hotel aan de Thomasstichting. Dat was nog net op tijd, want drie jaar later was de financiële crisis met alle gevolgen een feit.
Jacqueline zegt: “Logischerwijs gingen we naar Leeuwarden, want dat was dichtbij en we kenden het goed. Op dat moment dachten we niet aan Almere. We werden weer overal lid van. Zonnebloem, D66, een zangvereniging en vluchtelingenwerk.”

Henk: “Op een gegeven moment vatten we het idee op om te verhuizen naar een woongroep.”
“De aanleiding was dat er voor de zoveelste keer iemand enkele dagen dood in een appartement lag”, zegt Jacqueline. “Ik ben gaan googelen en zo vond ik Woongroep Polter 50+. De woongroep ligt aan het einde van de Evenaar in Almere Buiten. We wonen er sinds 2014. De leeftijden variëren van vlak boven de vijftig tot ver in de tachtig. De Woongroep past prima bij de verhalen van Hendrik Groen al wil niet iedereen in de woongroep dat horen, hahaha.”

eindelijk
Woongroep Polter 50+

Henk is voorzitter van de woongroep en Jacqueline is lid van de commissie werving en selectie. Jacqueline: “Het selectieproces kent drie stappen. Je komt er niet zómaar in, je moet wel in het pulletje vallen.”
Henk vult haar aan: “De woongroep gaat uit van zelfredzaamheid, nabuurschap en zelfstandigheid. We hebben behoefte aan gemotiveerde buren, die goed in de groep vallen. De woongroep moet haar best doen om nieuwe potentiële bewoners te werven, anders vult de woningcorporatie het in.”
Polter 50+ is gehuisvest in een kasteelachtige bouw met Mediterraan ogende bakstenen. Op het meer dan duizend meter grote binnenterrein is een gevarieerde, rijke tuin aangelegd. Een grote spar, fruitbomen, een tuinhuisje, bankjes, een jeu de boulesbaan en nog veel meer. De tuin wordt door de leden van de woongroep onderhouden.

Omdat het uur dat we hebben in de Bibliotheek is verstreken, spreken we af dat Jacqueline en Henk de rest van hun verhaal thuis vertellen. Ze nodigen mij uit om langs te komen.

Als ik op de galerij loop, word ik welkom geheten door tientallen fluitende en kwetterende vogels. De woningen liggen enkele honderden meters van de Oostvaardersplassen en de vogels vinden hier een overvloed aan nestplaatsen, aanvliegpunten en eten.

Jacqueline zegt: “Hoe je je ook went of keert, hoe je je ook voelt en wat er ook gebeurt, je bent hier nooit meer alleen.”Henk is het daar volledig mee eens en zegt: “We zijn er trots op dat we terug zijn gekomen naar Almere. We voelen ons thuis en willen hier nooit meer weg.”

 

Meander


“Eindelijk Thuis”: © Meander; Almere; 4 maart 2018.

Foto’s:

Jacqueline en Henk Heikens: @Meander; 4 maart 2018
Woongroep Polter 50: @Meander; 20 maart 2018

Voetnoot:

1               Bêd & Brochje is Fries voor Bed and Breakfast.

“Eindelijk Thuis” is het verhaal van Jacqueline en Henk Heikens over hun Almere. 
Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Ruimte, Lucht, Water en Groen

Ruimte, Lucht, Water en Groen

Dorrit Gooskens keek voor de derde keer om de hoek van de boekenkast in de bibliotheek van Almere Buiten. Het gesprek met de eerste verteller was uitgelopen. Toen dat gesprek eindelijk was afgerond, kwam Dorrit enthousiast aanlopen. Ze had een aantal kaartjes in haar hand en droeg een tas aan haar arm. Ze bleef bij de tafel staan, legde de kaartjes op tafel en pakte uit haar tas nog meer spullen, die ze op tafel legde. Een tekening of schilderij die ze met de achterkant naar boven neerlegde en een stuk hout dat ze er naast legde. Ze had zich goed voorbereid, zoveel was wel duidelijk, daarom besloot ik haar zelf te laten vertellen, in plaats van vragen te stellen. Dat kon straks nog wel, als dat al nodig was.

Dorrit pakte haar eerste kaartje waarop een lijstje met onderwerpen stond. Ze vertelde dat ze met haar man op de Bahama’s had gewoond en daarvoor in Groningen. Ze begon haar verhaal vanaf haar leven op de Bahama’s.
“Ik hou van dromen”, zei Dorrit. “Ik heb vaak dromen die richtinggevend zijn voor mijn leven. Door die dromen ben ik in Almere terechtgekomen, dat weet ik zeker. Toen ik droomde hoe ik verder wilde met mijn leven, woonde ik op Grand Bahama. Mijn man had daar werk en het was op een bepaalde manier onze enigszins langdurige huwelijksreis. In het begin was ons leven daar een droom, het was prachtig en ik genoot volop, maar sommige dromen zijn, als het er op aan komt, moeilijker te leven dan te dromen.”

ruimte
Grand Bahama en de overige Bahama’s

De betekenis van dromen en wat je gevoel vermag, hield ons even bezig, voor we verder gingen.
Dorrit pakte de draad weer op en zei: ”Ik vond een door de zee afgeslepen en door het zeezout verweerd stuk hout op het strand en heb al mijmerend, zittend in de zon op het strand, met een vergrootglas geduldig onze achternamen in het hout gebrand.” Ze pakte het stuk hout en draaide het om.

ruimte

“Ik twijfelde”, zei Dorrit. “Niet aan ons, maar wel aan de subtropische ‘droom’omgeving. Mijn man is tropisch, agrarisch expert en had het druk. Ik ben psycholoog, maar kon geen werk vinden. Het gevolg was dat ik me verveelde en steeds ongelukkiger werd. We hebben er met elkaar over gesproken en samen besloten we dat ik terug ging naar Nederland.
Hij begreep het, maar wilde niet meteen met mij mee, terug naar Nederland. ‘Als ik werk heb en een huis, dan ben je welkom’, heb ik hem gezegd. Na dat besluit ben ik gaan dromen over wat voor huis ik wilde. Ik heb op Grand Bahama een huis geschilderd in een zelf bedachte omgeving. Een combinatie van daar en van mijn wens in Nederland. Ruimte, lucht, water en groen daar ging het mij om. Ik schilderde de plussen van Grand Bahama deels naar hier. Je kunt het schilderij beschouwen als een gevisualiseerde droom.”

Het schilderij werd omgedraaid en Dorrit vertelde wat ik zou moeten zien. Ik zag het. Ruimte, lucht, water en groen al was het water vooral abstract aanwezig.
“Almere dus”, zei ik.
“Niet direct”, zei Dorrit. Ze pakte het tweede kaartje en legde de eerste weg.

ruimte

Dorrit: “Ik vertrok, kwam aan op Schiphol zonder plannen en dacht: wat nu? Eerst maar eens werk zoeken. Ik deed verschillende sollicitaties, zo ook vlakbij Hoog Catharijne. Daar zag ik dagelijks zwervers. Ik dacht: O jee, straks wordt ik ook zo, want ik had geen eigen woning. Ik kon gelukkig op verschillende plaatsen overnachten, omdat ik op mensen hun huis paste als ze met vakantie waren, maar een eigen thuis had ik niet. Gelukkig vond ik na lang zoeken vast werk in Utrecht bij een ondersteuningsinstituut voor eerstelijnssamenwerking. Na een tijdje werd het een landelijk project over medicatiebeleid voor huisartsen in samenwerking met apothekers.”
We schonken nog een kopje thee in.

Dorrit vervolgde haar verhaal en zei: “Ik had een baan en een inkomen. Nu nog een huis, dacht ik. Dat was niet eenvoudig in Utrecht, daarom ging ik in Lunetten naar een mogelijke woonruimte kijken. Vreselijk. Geen lucht, geen ruimte, geen groen, geen water. Nooit van mijn leven, dacht ik. De volgende dag heb ik een advertentie in de Volkskrant gezet: ‘Zoekt u iemand die voor uw huisraad en huisdieren zorgt, terwijl u in het buitenland bent? Ik kan u de komende twee jaar helpen.’ Binnen een week kreeg ik een aantrekkelijke reactie. Zo kwam ik, geheel onverwacht, in Almere Haven terecht. Ik ging met de trein en met de bus. Het was een nogal omslachtige reis en niet handig voor mijn werk, vond ik op dat moment.”
Dorrit keek even op haar kaartje en zei: “Het huis waar het om ging, stond op de Wilgengriend in Almere Haven. De eigenaren waren opgetogen met mijn komst en dachten dat het al in kannen en kruiken was. Er waren twee poezen die ze niet mee wilden nemen naar China, omdat ze bang waren dat die daar opgegeten zouden worden. Ze hadden iemand nodig om voor hun twee schatten te zorgen, want naar een asiel brengen, of aan een ander geven, was ondenkbaar. Ze waren opgelucht dat ze mij hadden gevonden.”
We over het opeten van poezen. Ik had er nog nooit van gehoord. Honden, ja dat wel, maar poezen, nee. Dorrit ook niet, maar dat kon haar destijds en nu niets schelen.

“Ik had weinig geld”, zei Dorrit ”en het was derhalve erg verleidelijk, een huis met huisraad en al. Vanwege de lastige verbinding met het openbaar vervoer had ik zo mijn twijfels. Ik vertelde het echtpaar over dat bezwaar en even leken ze teleurgesteld, maar de vrouw van het hartelijke stel zei: ‘Pak een fiets en rij eens rond.’ Zo fietste ik even later door Almere Haven, reed ik de dijk aan het Gooimeer, langs de havenkom en verder richting Almere Stad. Ik zag tot mijn verbazing wat ik op Grand Bahama geschilderd had: ‘Ruimte, lucht, water en groen.’ Op dat moment besefte ik, dat ik in ieder geval de komende twee jaar een huis had. Eenmaal weer thuis in Utrecht belde ik mijn man en zei tegen hem: ‘Kom maar gauw naar Nederland.’ Het duurde helaas nog een half jaar voor hij kwam. Gelukkig was dat halve jaar zo voorbij.”

Het derde kaartje werd gepakt en de andere werd op de eerste gelegd. Dorrit greep terug naar haar eerste ontmoeting met Almere. Blijkbaar stond er iets over die eerste keer op dat derde kaartje.
Dorrit: “Eind jaren zeventig ging ik met een bus naar Almere. Het was een rondreis met als doel nieuwe inwoners te trekken. Er was door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders een tuinarchitect ingehuurd. Die had een wervend artikel geschreven in een landelijk dagblad. Ik las het, was nieuwsgierig en schreef me in voor de tour door de nieuwe stad. Eenmaal in Almere werd ik afgeschrikt door het in mijn ogen, uitvergrote Madurodam. Zandstormen en kleine boompjes die allemaal in een strakke, rechte rij waren geplant. Ammenooitniet, dacht ik toen. Nu, vier decennia later, woon ik al bijna dertig jaar in Almere.”

We kwamen terug op het wonen in Almere toen Dorrit en haar man nog op de Wilgengriend wonen.
Dorrit: “Dat huis was puur toeval, maar het paste perfect, net op het moment dat wij een eigen nest wilden bouwen. We wisten dat we er na twee jaar weer uit moesten en zagen op een gegeven moment een leuk huisje in de BouwRAI in de Filmwijk, maar we waren te laat. Die woningen waren allemaal al weg. We hoorden echter dat ze nog meer van die huisjes in Almere Buiten gingen bouwen. Dat leek ons een interessante optie.”
Het bleek niet zo simpel als het leek, want het stel had een woonvergunning nodig en Dorrit moest naar een commissie om te bewijzen dat ze economisch gebonden was aan Almere. Voor haar man was dat veel lastiger, want die werkte vaak in het buitenland. Ze hadden min of meer een zeemanshuwelijk.

”Mijn baas heeft me geholpen”, zei Dorrit. “Ik werkte als ondersteuner en adviseur in Utrecht. In zijn verklaring stond dat ik als adviseur werd ingezet voor advies aan gezondheidscentra in Almere. De leden van de commissie geloofden het en zo kregen wij in 1992 een huurwoning in de Dwergkonijnstraat in Almere Buiten. In 2000 hadden we genoeg geld gespaard en werden we ingeloot voor een prachtig project aan het Bosrandpark. Sinds 2001 wonen we daar in de Zaterdagstraat in de Seizoenenbuurt van Almere Buiten.”
Onze aandacht verlegde zich naar de Almeerse wijken en het Bosrandpark. We spraken over het groene Almere en hoe je simpelweg in een paar minuten fietsen langs de Oostvaarders-plassen rijdt en twintig minuten later op de dijk staat aan het Markermeer.

Dorrit zei na ons gesprekje over de Almeerse natuur: “Het Bosrandpark was de start voor onze actieve bemoeienis met de Almeerse samenleving na jaren van veel reizen voor het werk. We hebben onze bewonersorganisatie Bosrandpark mee helpen opzetten en we besturen mee. Zo kwamen we van actief meedoen, dichtbij in de eigen wijk, tot het lidmaatschap van de WMO-adviesraad van de gemeente Almere. We genieten van de vele initiateven van andere bewoners. Zo heeft een vrijwilliger van de Schoor mij een paar jaar geleden geholpen om mijn levensverhaal op te schrijven en zijn er foto’s van enkele, door mij gemaakte, keramische beelden bij gezet.”

RuimteDorrit pakte een boek van tafel en sloeg het open. Ze liet een foto zien van een beeld dat ze had gemaakt. Een beeld van drie figuren dat in hun tuin staat. Dorrit zei: “Het beeld symboliseert de uitbreiding van ons tweetjes naar ons drieën in Almere. Inmiddels zijn we stevig verankerd in Almere. Onze zoon heeft zijn eigen huis gebouwd in Almere Buiten. Wij genieten van zijn gezin en vooral van onze kleinkinderen. De omgeving is nog steeds uitstekend. Lieve mensen om ons heen, Schiphol en straks Lelystad Airport dichtbij en bovenal ruimte, lucht, water en groen.”

Dorrit zei: “Als je wat wilt in Almere moet je er soms voor vechten en je moet durven doorbijten. Daar staat tegenover dat als je rustig contacten opbouwt, je hier heel prettig oud kunt worden. Het is ons gelukt om van Almere ons thuis te maken door ons eigen, Almeerse nest te bouwen. Nu we met pensioen zijn, kunnen we er nog meer van genieten.”

 

Meander

 

“Ruimte, Lucht, Water en Groen”: © Meander; Almere; 9 maart 2018.
Foto’s en materiaal:
Grand Bahama: ©Meander; bewerking van Google Earth; 14 maart 2018
Houten object: © Dorrit Gooskens
Schilderij: © Dorrit Gooskens
Dorrit Gooskens: © Meander; 9 maart 2018
“Ruimte, Lucht, Water en Groen” is het verhaal van Dorrit Gooskens over haar Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.

 

 

Ik ben een Havenaar

Ik ben een Havenaar

We zochten nog één geïmmigreerde Almeerder die op deze woensdagmiddag zijn of haar verhaal over Almere wilde vertellen. We hadden nog een uur over, maar geen verteller. Ik dacht te weten wie een mooi verhaal zou kunnen vertellen en liep Corrosia uit, sloeg linksaf en liep na een tiental seconden binnen bij mijn kapper. Nou ja, kapper? Laten we zeggen de manager en drijvende kracht achter de zaak de afgelopen twintig jaar. Hij was niet in de kapperszaak, maar thuis. Daar nam ik geen genoegen mee. Zijn zoon, die hem inmiddels grotendeels heeft opgevolgd, belde hem en ging hem halen. Zo kwam het dat de te vroeg wel en niet gepensioneerde Gilbert Gerth twintig minuten later aan kwam lopen en wij gezamenlijk van de bibliotheek naar café Roest liepen.

Havenaar
Grand Café Roest

Roest4 is een grand café in gebouw Corrosia2 in Almere Haven, waar sinds enkele jaren de bibliotheek gevestigd is. Corrosia3 is een gebouw uit 1979, dat in de eerste vier decennia van Almere gebruikt werd en nog steeds gebruikt wordt door diverse organisaties, waaronder de gemeente Almere, een woningbouwvereniging, welzijnsstichtingen en culturele organisaties. De Roestbak, het eerste echte theater in Almere, is onderdeel van Corrosia. Tegenwoordig heet de Roestbak helaas Theaterzaal Corrosia.

Gilbert is groot, breed, nogal afgetraind en heeft een niet aflatende, vrolijke grijns op zijn gezicht onder een goed verzorgd, gemillimeterd kapsel. Hij vertelt dat hij in 1982 met zijn ouders van Uithoorn naar Almere verhuisde. Hij was toen tweeëntwintig. Zijn moeder had, voor ze naar Almere verhuisden, een kapsalonnetje aan huis in Uithoorn en zijn vader werkte in de horeca op Schiphol en bleef dat doen toen ze naar Almere verhuisden.
Toen ze pas in Almere woonden, vatten ze het plan op om een bar bistro over te nemen in Fuengirola in het uiterste zuiden van Spanje.
Gilbert: “Ik deed de hotelschool in Amsterdam. Letterlijk en figuurlijk leek een zonnige toekomst voor ons weggelegd, maar helaas. De cijfers klopten niet. Het was pure oplichterij. Mijn ouders hebben de aanbetaling verloren, maar meer niet. Ze namen hun verlies en zaten niet bij de pakken neer.”

Zoals te doen gebruikelijk maken Gilbert en ik een aantal zinloze, alleen door ons begrepen grappen over oplichters en Spanje, voor we weer verder gaan. Dit type intermezzo komt gedurende het gesprek nog een aantal keren terug en kan voor omstanders nogal verwarrend zijn.

Gilbert zegt: “Mijn moeder was kapster, zoals ik al zei. Ze kon in december 1984 een kapsalon beginnen in Almere Haven. Ze nam drie kapsters aan, wat gedurfd was, maar het liep het zo goed dat ze kappers en kapsters aan kon blijven nemen. Er was in die tijd nog weinig concurrentie. De enige andere, tevens eerste kapper van Almere, zat op de Kerkgracht in het centrum van Almere Haven. Mijn moeder had haar eerste kapsalon in de Houtstraat, tegenover de inmiddels gesloopte school voor moeilijk lerende kinderen, De Haven.”

We praten kort over de ups en downs van het centrum van Almere Haven.
“Er kwam leegstand in het centrum”, zegt Gilbert. “Wij hadden er niet veel last van. Ik kwam in de zaak, omdat mijn moeder wilde blijven knippen en de zaak door bleef groeien. Ze had iemand nodig om haar te helpen. Ik had de hotelschool afgemaakt en werkte als vertegenwoordiger voor cosmetica.”
Als gevolg van dit boeiende beroep, dat zo ‘goed’ bij Gilbert past, rollen er weer wat grappen over tafel, voordat Gilbert verder gaat: “Mijn moeder zei: ‘Kom mij helpen.’ Niet lang daarna werd de zaak een VOF en kwam ik als vennoot in de zaak. Dat was in 1987.” Vanaf dat moment ken ik Gilbert. In die tijd werkten er veel kappers en kapsters in de populairste kapperszaak van Almere. Je kon binnenlopen zonder afspraak, maar het was soms geen doen. Een afspraak maken was wijzer.

“Mijn zus, Nicole, ging na haar middelbare school naar de kappersdagschool in Amsterdam en heeft daar haar eerste kappersdiploma gehaald. Later ging ze naar de kappersacademie in Rotterdam”, zegt Gilbert. “Ze had betaald voor een heel jaar, maar hield het niet vol. Ze liep stage bij ons op de werkvloer sneller beter dan op school. Omdat ze voor een heel jaar betaald had, ging ik er naar toe in de illusie dat ik kapper zou kunnen worden, maar ik hield het nog geen maand vol. Ik heb overigens aan die tijd wel een vreselijk trauma overgehouden. Een trauma waar ik nog iedere dag en vooral ’s ochtends mee geconfronteerd wordt.”
Je voelt de grap aan komen, maar hij blijft leuk, al was het maar om de manier waarop Gilbert het vertelt. Het trauma wordt met een ernstig gezicht ingeleid en de woorden rollen met een sombere stem uit zijn mond, tot en met de clou.
“Daar heb ik mijn vrouw ontmoet”, zegt Gilbert droog. “Ik moet je heel eerlijk zeggen dat ik stikjaloers op haar ben, want ze is met mij getrouwd. Nog steeds. Het is overigens wel fijn dat ze er nu niet bij is, want zij is nog veel cynischer dan ik.”

Jolanda en Gilbert hebben elkaar ontmoet op een feest in Rotterdam en spraken na een bijzonder leuke avond weer af. Die voor het stel allesbepalende date vond plaats in het Americain in Amsterdam. “Kwestie van stijl”, zei Gilbert. “Het was gezellig en we hebben elkaar gezoend. Ik heb tegen haar gezegd: ‘Ik heb je nu gezoend, dan moeten we maar gaan samen wonen.’ Een week later woonden we samen, boven bij mijn ouders.” Mooie stoere praatjes die passen bij Gilbert, een vrije vogel, met zo te horen een echtgenote die hem prima kan hebben.

Gilbert gaat verder: “Na een jaar verhuisden we met zijn tweetjes naar de Korte Promenade in Almere Stad. Zij werkte bij het UWV in Rotterdam. Na ongeveer drie jaar kochten we een huis in de Muziekwijk en raakten we zwanger. Onze zoon Ruben werd geboren. Na de zwangerschap kreeg Jolanda sarcoïdose. Ze kon niets meer. We verhuisden naar een appartement in de Kruisstraat in Almere Haven, omdat het een gelijkvloerse woning was. Ze had anderhalf jaar nodig om te herstellen. Ik heb veel respect voor de manier waarop zij met die ziekte is omgegaan en hoe ze er uit is gekomen. We konden twee jaar later weer een gewoon huis kopen en zagen een prachtige woning op de Nijvergouw. Daar wonen we nog steeds, met veel plezier.”

We praten over Almere als thuis. In plaats van over zijn eigen Almeerse thuis te beginnen vertelt Gilbert over een jonge Syrische kapper, een vluchteling die ze hebben opgevangen. Gilbert: “Zijn gehele gezin is omgekomen. Zijn ouders wonen in Duitsland en zijn broer woont in Australië. Hij is in alle opzichten ver van thuis.” De vergelijking met “Almere mijn Thuis”, is meedogenloos.
“Het was een geweldige kapper”, zegt Gilbert. “Hij knapte helemaal op, ondanks de onvoorstelbare ellende en het grote verdriet. Op een gegeven moment is hij naar Almelo verhuisd. Of hij nog kapper is, weet ik niet, maar hij is in ieder geval tolk voor het COA, misschien doet hij dat naast zijn werk als kapper.”

De kapperszaak van de familie Gerth is net een kat met zeven levens. De zaak is en aantal keren doorgestart. De concurrentie is tegenwoordig heftig en doelgroepen veranderen snel. Het gaat er volgens Gilbert niet om hoe vaak je valt, maar hoe vaak je op weer op staat. Zijn zoon is nu eigenaar van de kapsalon, die nog altijd de naam Gerth Coiffuresdraagt.

“Ben jij een Almeerder?”, vraag ik Gilbert.
“Ik ben meer een Havenaar dan een Almeerder”, antwoordt Gilbert. “Ik voel me ook geen Nederlander. Ons bedrijf is altijd gevestigd geweest in Almere Haven en daar wonen we. In Haven is de altijd al vriendelijke mentaliteit weinig veranderd. Mensen komen regelmatig een kopje koffie drinken in de zaak, omdat het gezellig is. Niet om hun haar te laten doen. Het is etnisch wel veranderd en kleurrijker geworden. Als je je daar voor openstelt, blijkt het  een verrijking te zijn.”
Over het thuisgevoel zegt Gilbert tenslotte: “Mijn vrouw en ik zijn de hele dag onder de mensen en we zijn heel sociaal, maar buiten de werktijden zijn we graag op ons zelf, als gezin. Op onze eigen manier, voelen wij ons thuis in Almere.”

 

Meander

“Ik ben een Havenaar”: © Meander; Almere; 7 maart 2018.

Foto’s:

Gilbert Gerth: © Meander; 8 maart 2018
Grand Café Roest: Grand Café Roest.

Voetnoten:

1  Gerth Coiffures: https://www.gerthcoiffures.nl
2 Corrosia: https://www.corrosia.nl
3 Historie Corrosia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Corrosia_Theater,_Expo_%26_Film

4 Grand Café Roest: http://www.roestalmere.nl

“Ik ben een Havenaar” is het verhaal van Gilbert Gerth over zijn Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
De bus naar later

De bus naar later

Hij pakte zijn tas, liep naar de hal en trok een dun, donkerblauw zomerjasje aan, want het was prachtig lenteweer op deze achtste april. Vijfentwintig graden zou het worden. Hij keek op zijn horloge en zag dat het half twaalf was. Solliciteren in Almere op de rijksscholen-gemeenschap De Meergronden1, dat was de agenda voor vandaag.

Het was snel gegaan. Er had een advertentie gestaan in het blad van de onderwijsbond. Ze zochten een docent economie voor alle economische vakken. Voorlopig voor achttien uur per week, maar dat zou nog toenemen, omdat Almere snel groeide, zo vermeldde de advertentie. Een docent van de lerarenopleiding had gebeld en hem geadviseerd om te solliciteren naar de functie.
Hij werkte nu een jaar op een school in Amsterdam vlakbij het Amstelstation. Dat beviel hem prima. Zestien uur per week lesgeven aan een hoog percentage F-side Ajaxfans. Het vroeg de nodige aandacht, maar het was een snelle, pittige leerschool voor een beginnende leraar.
Omdat zijn vriendin en hij wilden gaan samenwonen en een huis krijgen in de Haarlemmermeer nog jaren kon duren, was een baan in Almere een uitkomst. Als je daar ging werken, kreeg je direct de gelegenheid een huurwoning te kiezen. Het was een voorrangsregel voor een ieder die in Almere kwam werken. De sollicitatie draaide derhalve niet alleen om een baan.

Hij liep richting de Ringvaart, sloeg linksaf en vervolgde zijn weg langs de Nieuwemeerdijk tot hij bij de brug naar Sloten kwam. De bushalte lag vijftig meter over de brug. Hij was ruim op tijd, want pas na een klein kwartier kwam de bus. Op het moment dat hij zijn voet op de treeplank van de bus zette, stapte hij in de consequenties van zijn keuze. Consequenties waarvan hij zich geen voorstelling zou kunnen maken en waarvan hij zich geen voorstelling maakte, omdat hij onbevangen op weg ging.

Over Almere wisten zijn vriendin en hij niet veel. Ze hadden wat gebladerd in magazines en kranten in de bibliotheek. In 1976 waren de eerste inwoners gekomen en nu, vijf jaar later, woonden er al twintigduizend mensen.
De Meergronden stond in Almere Haven, het eerste stadsdeel van Almere. In Almere Stad was men onlangs begonnen met een nieuwe wijk, de Stedenwijk. Het eerste deel daarvan, Stedenwijk Noord, was in aanbouw. Na de sollicitatie wilde hij daar nog even gaan kijken. Hij wilde in ieder geval naar het Winschotenpad, omdat hij van zijn achtste tot zijn veertiende in Winschoten had gewoond.

Bij het Amstelstation stapte hij na twee keer overstappen in bus 57 naar Almere Haven. Tot zijn verrassing zat een collega studente van de lerarenopleiding in de bus. Die was niet zo blij met zijn aanwezigheid. Ze zei: ‘Ga jij ook solliciteren in Almere?’ Hij knikte. ‘Dan kan ik het wel vergeten’, zei ze. Hij was het niet met haar eens en dacht dat ze evenveel kans hadden, al hoopte hij wel dat hij de baan en daarmee een woning zou krijgen.

De zon scheen fel en het was warm in de bus. Af en toe praatten ze even met elkaar, maar het was vooral stil en benauwd. De competitieve spanning was tastbaar. Ze hadden in dezelfde jaargroep gezeten tijdens de studie, maar hij was een jaar eerder afgestudeerd dan zij en had al een jaar ervaring. Dat besefte hij terdege, maar zij ook. Ze zagen elkaar af en toe bij gemeenschappelijke vrienden en op feesten, die met of zonder reden werden gehouden, maar dat telde nu even niet. Wie kreeg de baan, daar draaide het om. Zijn shirt kleefde aan zijn lijf door de warmte. Het jasje had hij in zijn tas gestopt.

De bus reed de Hollandse brug op die het oude en het nieuwe land met elkaar verbond, maar evenzo van elkaar scheidde. Hij kende de brug, omdat ze er twee keer per jaar langs kwamen met zijn ouders op weg naar familie in Emmeloord. Je sloeg dan meestal bij de rotonde onderaan de brug linksaf om daarna over de dijk van Flevoland aan het Markermeer en langs Lelystad naar de Ketelbrug te rijden.
Bovenop de Hollandse brug zagen ze een uitgestrekt niemandsland voor zich met in de verte aan de rechterkant gebouwen, deels aan het water en nog verder weg aan de linkerzijde een enkel gebouw. De bus reed de brug af en nam op de rotonde de tweede afslag. Rechts lag een groot park in wording en links een vlakte vol donkergroene en geelgroene planten en bloemen. Na tien minuten sloeg de bus rechtsaf af en reed Almere Haven binnen.

Ze stapten uit in het centrum van Almere Haven, na voor het eerst in hun leven met de bus over een vrije busbaante zijn gereden. Almere was de eerste plaats in Nederland waar in 1980 de vrije busbaan werd geïntroduceerd als vast element in het totale verkeersplan. De busbaan was gescheiden van ander verkeer. Waar fietspaden en wegen de busbaan kruisten, stonden verkeerslichten.

Ze waren te vroeg. De twee sollicitanten, studiegenoten, concurrenten wandelden een tijdje door het compacte centrum van Almere Haven. Grappige nieuwbouwwoningen waren als Amsterdamse grachtenpandjes neergezet langs een smalle gracht. Trapgeveltjes en andere vormen bekend van de Amsterdamse grachten waren toegepast. Vlakbij een kerk stonden twee opvallende woningen. Ze waren qua vorm gelijk, maar bij de ene waren de houten panelen bordeauxrood geverfd en bij de andere roze. Opvallend afwijkend ten opzicht van de andere woningen.

bus
De Meergronden

Ze kwamen op een plein met de naam Markt. Daar stond een aan de buitenzijde volledig verroest gebouw, hetgeen de nodige verbazing wekte bij de twee economen. Ze vroegen zich af hoe lang dit gebouw zou blijven staan. Een onzinnige vraag die het gevolg was van hun gebrek aan materiaalkennis.

Na nog wat rond te hebben gelopen, liepen ze de Marktgracht op. Aan het einde van de gracht zagen ze De Meergronden liggen. Het tweetal liep de school binnen en meldde zich bij de conciërge. De conciërge gaf telefonisch door dat de sollicitanten waren gearriveerd. Jan, een stevig gebouwde, enigszins rommelige, goedlachse docent van de lerarenopleiding, die ze kenden van de handelsvakken, kwam hen even later halen. Hij was verantwoordelijk voor de opbouw van de sectie economie op De Meergronden nog voor deze was begonnen.

De jongeman was het eerst aan de beurt. Het gesprek met de rector van de school en docent Jan verliep gemoedelijk. In de ogen van de solliciterende leraar verliep het gesprek zelfs goed, maar je wist maar nooit. Toen hij tevreden naar buiten liep, wenste hij zijn studiegenoot succes. Buiten zette hij zich op de Markt op een bankje in de zon. Na verloop van tijd liep hij terug naar de school. Na enige tijd kwam zijn concurrente naar buiten gevolgd door de docent van de lerarenopleiding. Hij zei dat ze vanavond zouden horen wat ze hadden besloten. In die tijd waren er geen mobiele telefoons, dus eerst naar huis en dan maar afwachten. Ze namen afscheid van Jan en besloten naar Almere Stad te gaan om te kijken hoe het er daar uit zag.

busNa een korte busreis stapten ze uit bij een groot, rood, bakstenen gebouw met daarachter een aantal winkels. De Zoetelaarpassage. Ze liepen door de passage, terug langs een gracht aan de achterzijde van het gebouw en kwamen zo in Stedenwijk Noord. De bouw in die wijk was in verschillende stadia van ontwikkeling. Hier en daar werd al gewoond, elders was men aan het inrichten, maar de meeste woningen waren nog niet gereed. Het Winschotenpad was een smal, nog onverhard straatje. Ze liepen door het zand langs woningen waar nog geen deuren in zaten. Veel te kleine woningen was beider oordeel, alsof ze er samen zouden moeten wonen.

Tegen vijven reden ze samen terug naar het Amstelstation en namen daar afscheid van elkaar. Zij reed door naar haar kamer in Amsterdam en hij ging terug naar zijn vriendin in Badhoevedorp. Ze woonden daar op kamers bij haar moeder. Hij vertelde hen over de sollicitatie en dat het volgens hem een goed gesprek was geweest. In de reacties hoorde en voelde hij gemengde gevoelens. Zijn vriendin zou het ouderlijk huis moeten verlaten en nog maar zien of ze een baan kreeg in het basisonderwijs in Almere. De banen in het basisonderwijs lagen bepaald niet voor het oprapen. Aan de andere kant was het tijd om samen zelfstandig elders een leven op te bouwen. De moeder van zijn vriendin wilde haar dochter niet kwijt raken, maar liet haar met een gerust hart gaan en dat zei ze ook.

Even na achten die avond belde de rector van De Meergronden hem met de mededeling dat ze hem wilden benoemen als docent economie, voorlopig voor achttien uur. Ze wilden de andere sollicitant ook benoemen, omdat het aantal uren waarschijnlijk zou toenemen. De rector vroeg hem wat hij daar van vond. Zijn reactie was dat je beter met twee docenten de sectie economie kon opbouwen dan alleen. De rector vroeg of hij met twaalf uur per week rond kon komen. Dat leek op dat moment een relevante vraag, maar toen de school enkele maanden later begon, speelde het geen rol meer, omdat het aantal uren economie en handel was verdubbeld. De oorzaak was een aanzienlijk hoger aantal leerlingen dan men had verwacht. Steeds meer kinderen gingen niet meer naar het oude land op school. Blijkbaar had de nieuwe, Almeerse docent economie hier al rekening mee gehouden. Of…, had hij per ongeluk goed gegokt? Met economen weet je dat nooit zeker.

De collega studente was onbereikbaar die avond. De rector had haar vader weten te bereiken. Die reed vervolgens naar Amsterdam en daarna naar alle plekken waar ze maar zou kunnen zijn. Ze was onvindbaar tot vlak na twaalven die nacht. Ze werkt sinds augustus 1981 in het Almeerse en Flevolandse onderwijs.

In augustus zouden de twee leraren beginnen op de eerste middelbare school van Almere. Voor die tijd wilden de sollicitant en zijn vriendin een huis hebben, dan konden ze in de zomer klussen en verhuizen. Zijn collega bleef in Amsterdam wonen.
Eind juni was er nog niets bekend over een woning en wilde hij naar Almere om te vragen hoe het zat met die toegezegde woning. Het nuttige werd met het aangename verenigd en samen met zijn vriendin ging hij al vroeg, wederom met de bus, naar Almere. Ze bekeken Almere Haven en het beetje Almere Stad dat er al was.

Tegen één uur ’s middags stonden ze voor het roestige gebouw op de Markt in Almere Haven. Daar zat de dienst woonruimteverdeling. Hij stapte alleen naar binnen en liep, de borden volgend, de trap op. Hij zag een deur waar woonruimteverdeling op stond en klopte op de deur. Nog voor hij die kon openen vroeg een jongedame, die achter een veel te krap bureautje zat, of hij een afspraak had. Zijn antwoord was bevestigend, alhoewel dat in strijd met de waarheid was. Hij draaide zich om, opende de deur en liep naar binnen. Een grote man stond op, gaf hem een hand en stelde zich voor. De man vroeg of ze een afspraak hadden. De aankomend docent zei dat hij geen afspraak met de man had, maar wel met De Meergronden en met de gemeente Almere. Over minder dan twee maanden zou hij beginnen op De Meergronden, maar hij had nog geen huis. Dat was hem wel beloofd. Hij zei tegen het opperhoofd woonruimteverdeling dat hij niet op De Meergronden zou komen werken als hij geen huis had en nog niet in Almere woonde. Dat vond de woonruimteverdeler te gortig. Wat hij precies te gortig vond, is nooit duidelijk geworden, maar de door de jonge leraar op de Amsterdamse school vlot aangeleerde bluf had het gewenste effect. Enkele dagen later kon de docent economie met zijn vriendin kiezen uit drie woningen. Het werd de Jaagmeent, waar ze de eerste negen jaar van hun Almeerse bestaan zouden wonen.

Meer dan tien jaar later pasten twee dochters van de woonruimteverdeler om de beurt op de kinderen van de docent economie, die toen allang geen docent economie meer was. En de woonruimteverdeler zelf? Die werd in 1986 een politieke collega van de inmiddels weer studerende jongeman, toen ze voor verschillende partijen in de gemeenteraad van Almere kwamen. Naast het destijds negenentwintigjarige raadslid en namens dezelfde partij zat de man uit het roze huis dat aan de Kerkgracht in Almere Haven stond. Met diens buurman uit het rode huis zou de econoom in 1992 de eerste bioscoop in Almere uitlokken. ’t Kan verkeren.

In 1985 stopte de docent economie met zijn docentschap. Hij studeerde inmiddels aan de Universiteit van Amsterdam, zat ruim zeven jaar in de gemeenteraad, richtte zijn eigen bedrijf op en deed van alles met en in Almere tot op de dag van vandaag.
Nu, na zevenendertig jaar, beseft hij dat hij op acht april 1981 in de bus naar later was gestapt. Een onbekend later, waar hij in opperste onnozelheid en volkomen zorgeloos naar op weg was gegaan.
Later is nu en Almere is zijn thuis, mede omdat het voor zijn kinderen hun thuis is, al zou hij zich bijna overal ter wereld thuis kunnen voelen, vooral aan zee. Almere is twee derde van zijn leven. Hier heeft hij zich ontwikkeld, zich genesteld, werden zijn kinderen geboren en heeft hij tal van pieken en dalen ervaren.
“Ik ben een Almeerder”, kan hij zeggen, al is hij er niet geboren en zal hij ooit vertrekken om aan de kust te gaan wonen.

Meander

 

“De bus naar later”: © Meander; Almere; 14 april 2018.

Foto’s:

Tegel De Meergronden: Almere Walk of Fame
Foto De Meergronden (1977): Jos Jongerius
Foto Bus 62: Gemeentearchief Almere

Voetnoten:

1               De Meergronden: https://www.meergronden.nl 
2               Vrije busbaan: http://canonvanalmere.nl/vrije_busbaan

“De bus naar later” is het verhaal van een Almeerder over zijn kennismaking met Almere, hoe hij er kwam te wonen en hoe hij er na 37 jaar op terugkijkt. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
Er heerste enthousiasme

Er heerste enthousiasme

Het verhaal van Arnold Trampe en Monique Lapidaire. Monique een actieve Almeerse overleed helaas en veel te jong in januari 2017.

Arnold Trampe en Monique Lapidaire woonden eind jaren zeventig in de Dapperbuurt. Ze hadden elkaar leren kennen op de toneelschool in Maastricht en niet lang daarna verhuisden ze naar Amsterdam. Arnold is ruimtelijke ordening gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam.
De Dapperbuurt werd gesaneerd en veel woningen werden gesloopt. Monique en Arnold hadden drie opties. Terug in dezelfde wijk, elders in Amsterdam gaan wonen, of naar Almere verhuizen. Er was een overeenkomst gesloten tussen Amsterdam en de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders waar Almere onder viel. Almere was toen nog geen gemeente. De overeenkomst betrof Amsterdammers en mensen die voor hun werk in Almere kwamen wonen. Zij konden met voorrang een woning krijgen.

“We zijn in 1979 in Almere gaan kijken”, zei Arnold. “We vonden het van meet af aan aantrekkelijk. Het was Monique en mij al snel duidelijk dat er voor ons veel mogelijkheden lagen. Wat ons mede overtuigde, was het feit dat er bijzonder veel enthousiasme heerste, voelbare pioniersgeest. Het waren mensen die er wat van wilden maken. We kochten een huis op de Schapenmeent. Het moest nog wel gebouwd worden, maar dat hoorde er bij in die tijd.”
“In het land was de stemming deprimerend”, zei Arnold, “want de werkloosheid was hoog en zware bezuinigingen dreigden aan de politieke horizon. Maar van een pessimistische stemming was in Almere geen sprake. Groeien, bouwen en ontwikkelen was het motto, zowel fysiek, als maatschappelijk.”

Arnold en ik hadden afgesproken in Strandbrasserie De Jutter om daar het verhaal van Monique en Arnold op te schrijven en tevens gezamenlijk een hapje te eten. We bladerden in de menukaart en na enig zoeken, kozen we beiden een hoofdgerecht en bestelden we een drankje.

Arnold ging verder: “Er kon veel in die tijd in Almere, omdat er geld was en omdat er faciliteiten waren. Je moest het vervolgens wel zelf doen. Zo had Monique vanaf het begin contact met de Almeerse Toneelvereniging. Ze kon direct als regisseur aan de slag, een van de vakken waarop ze was afgestudeerd in Maastricht. Nog voor we hier echt woonden, was ze al actief, zodat we al een aantal mensen kenden toen we op zestien oktober 1980 in Almere Haven kwamen wonen. Elders dacht men, als je naar Almere gaat, dan ben je niet goed wijs. Onze familie en vrienden begrepen er niets van. Ze hadden en hebben ongelijk, zoals je zelf weet.”

Het eten werd opgediend en we wachtten even. We haalden oude herinneringen op, vooral aan onze gezamenlijke tijd in de Almeerse gemeenteraad.
“Ik kwam in 1982 in de adviesraad”, zei Arnold, “en daarna in de gemeenteraad. In 1986 toen jij ook in de fractie kwam, werd ik fractievoorzitter. Het was een boeiende tijd.” De meest frappante anekdotes passeerden de revue tot we ons weer richten op de keuze van Arnold en Monique voor Almere.

Arnold zei: “Wat ik persoonlijk heel belangrijk heb gevonden, is dat je niet mee moet gaan in de mainstream. Je had hier kans op uniciteit. Mogelijkheden die er zijn, moest je zien en je moest ze pakken. Het ging niet vanzelf, maar veel nieuwe Almeerders hebben er wat van gemaakt.”

enthousiasme
Poldergeest, het eerste theaterstuk van Theater na Water

“Wij hebben kunnen doen wat we wilden” zei Arnold. “Monique en ik hebben de eerste professionele Almeerse en tevens Flevolandse Theatergroep van de grond getrokken.”
Arnold: “We deden met ‘Theater na Water’1veel locatie-voorstellingen, want er waren te weinig zalen beschikbaar. Bovendien wilde Monique ander publiek trekken dan het standaard theaterpubliek. We hebben in boerderijen gespeeld, op Schokland, ergens in Emmeloord, onder een viaduct van de A6 en ga zo maar door. We hebben zelfs op het Binnenhof gespeeld. Het archief van Theater na Water is in het Gemeentearchief van Almere opgenomen. Daar ben ik trots op.”

We waren uitgegeten en de borden en schalen werden weggehaald. Op de vraag of we een dessert wilden, schudden we eensgezind ons hoofd. Arnold wilde een koffie en ik vroeg om een cappuccino. Daarna kwamen we terug op de begintijd van Arnold en Monique in Almere en op hun verhuizing naar de Kerkgracht.

“Ik studeerde nog toen we in Almere kwamen wonen”, zei Arnold. “In 1986 ben ik bij de provincie Flevoland gaan werken op het gebied van ruimtelijke ordening. In 1990 ging ik halve dagen werken en ben ik een bureau begonnen voor Europees advieswerk. Iemand anders die het werk al deed, had mij gevraagd. Ondertussen waren wij verhuisd naar een flink pand aan de Kerkgracht. We hebben het voor een redelijke prijs gekocht en gebruikten het voor zowel het adviesbureau, als voor het theater. We woonden op de bovenste verdieping in een ruim appartement. Ik woon er nog, al ben ik, als dat enigszins mogelijk is, vaak in Kroatië. Daar hebben we een tijd geleden een huis gekocht in het plaatsje Motovun.”

De wederopbouw in Kroatië is vergelijkbaar met de ontwikkeling van Almere, vond Arnold. Eerst “die Wende”, daarna de oorlog en toen de wederopbouw. Een nieuwe situatie met nieuwe kansen. Vanaf 2000 was er weer van alles mogelijk, volgens Arnold.

Arnold vertelde dat hij in 2003 uit het adviesbureau is gestapt. Hij was toen vijftig jaar. “Ik heb veel mensen horen vertellen wat ze gingen doen als ze vijfenzestig werden, maar velen van hen haalden dat niet. Dat ging mij niet gebeuren.”
De panden die ze hadden in Almere verhuurden ze, behalve het appartement waar ze bleven wonen. Arnold startte een onderneming voor de projectontwikkeling van woningbouw in Kroatië. Ze bleven de dingen doen die ze leuk vonden, ook als ze in Kroatië waren. Monique en Arnold voelden zich vrij en onbezorgd, want wat er ook zou gebeuren, ze hadden altijd nog hun huis in Almere.

enthousiasme
Motovun, Istrië, Kroatië

Arnold zei: “We deden theater in Kroatië, maar ik had ook projecten voor woningbouw. We waren er zo’n vier tot vijf maanden per jaar. Ik heb daar twee documentaires gemaakt over Kroatië en overweeg om nog een documentaire te maken. Het maken van een documentaire is fantastisch om te doen. Het kost het je bakken energie, maar dan heb je ook wat. Het leukste werk vind ik het editen.”

Op mijn verzoek vertelt Arnold iets over de twee documentaires die hij gemaakt heeft.
Hij zei: “De eerste documentaire ging over de verschillende bevolkingsgroepen die in Motovun te vinden zijn. Tot de Tweede Wereldoorlog was Istrië, het deel waar ik woon, onderdeel van Italië. Toen dat bij Joegoslavië werd ingedeeld, zijn veel mensen uit Istrië vertrokken. Vanuit de steden is zeker tachtig procent van de bevolking weggetrokken naar elders. De bevolking is daarna onder Tito’s regering vanuit andere delen van Joegoslavië aangevuld. Na 2000 zijn er veel buitenlanders komen wonen. Die laatste groep heeft veel gerenoveerd. De vraag die we middels de film stelden, was of die verschillende groepen een gemeenschap konden vormen.”
Ik zei: “Het is een boeiende vergelijking met Almere. Er is verschil in historie en in de uitgangssituatie, maar uiteindelijk moeten mensen de kansen grijpen die er liggen en er zelf wat van maken, samen met andere nieuwkomers.” Arnold knikte instemmend en zei op zijn kenmerkende manier: “Precies, Folkert. Dat zag ik ook.”

De tweede documentaire gaat over de geschiedenis van Istrië, die nogal turbulent is geweest. Veel strijd, verschillende overheersers en diverse culturele invloeden. Nu moet de bevolking zich opnieuw aanpassen aan de economische situatie met een markteconomie en groeiend toerisme. Deze documentaire is gemaakt in samenwerking met de Universiteit van Pula.

Er viel een korte pauze en we babbelden nog wat door over de documentaires en creatieve processen. Vanuit die onderwerpen kwamen we op de relatie en samenwerking van Monique en Arnold.
Arnold keek me aan en zei: “Tegen 2010 is Monique gestopt met werken, omdat het qua gezondheid niet meer ging. Een moeilijke periode brak aan en helaas is Monique in januari 2017 overleden. Als je veertig jaar bij elkaar bent, komt dat hard aan. We zijn nooit echt teruggekomen naar Almere, want wij waren thuis op beide plaatsen, maar na Monique’s overlijden was het toch anders in Kroatië. Op een gegeven moment mis je je roots. Je Nederlandse roots en je zelf ontwikkelde, Almeerse roots.”

We schakelden over naar het hier en nu.
“Ik ben de laatste tijd meer in Almere”, zei Arnold, “en sinds enige tijd ben ik voorzitter van de raad van toezicht van Theatergezelschap Vis à Vis2. Het bloedt kruipt nu eenmaal waar het schijnbaar niet kan gaan.”
Op de vraag of Almere zijn thuis nog is, antwoordde Arnold, zoals dat bij hem past, afgewogen en genuanceerd: “In de eerste vijfentwintig jaar hebben wij veel geïnvesteerd in Almere en veel gedaan in en voor Almere. Almere hield na verloop van tijd op met ons en wij met Almere. Dat betrof ook het theatergezelschap. Subsidiegevers willen na verloop van tijd weer eens wat anders.”

“Is Almere jouw ideale thuis”, vroeg ik hem.
Arnold zei: “Ik hoef niet weg. Ik vind het hier aangenaam wonen. Wonen is in veel opzichten een compromis. Misschien wil ik wel op de Herengracht in Amsterdam wonen, maar afgezien van het feit dat het financieel niet haalbaar is, heeft het ook veel nadelen. Almere-Haven biedt veel, zoals een leuk centrum op loopafstand, verschillende gezellige terrasjes, een haven, strand en natuur. Amsterdam is slechts twintig minuten rijden. Daar ga ik naar toe als ik er zin in heb. Zo’n heerlijk appartement van tweehonderd vierkante meter kan ik nergens voor de zelfde prijs in deze regio krijgen. Almere is een mooi compromis van veel aspecten.”

 

Meander

“Er heerste enthousiasme”: © Meander; Almere; 5 maart 2018.

Foto’s:

Almere
Poster Theater na Water: Gemeentearchief Almere.
Motovun: @Meander. Bewerking op basis van Google Earth.

Voetnoten:

1               Theater na Water: zie stadsarchief Almere.
2               Vis à Vis  https://www.visavis.nl

“Er heerste enthousiasme” is het verhaal van Monique Lapidaire en Arnold Trampe over hun Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
 

 

Wonderlijk

Wonderlijk


lijk leek verder te leven                      


kadaverinsecten                              


wonder der natuur                              

 

 

Meander

“Wonderlijk”: © Meander; Almere; 14 september 2018.                        

Foto: Internet, maker onbekend.                                          


“Wonderlijk” is e
en absurdijn over het woord wonderlijk.

Het absurdijn is een door Meander bedachte dichtvorm. Drie regels. Zeven, zes en vijf lettergrepen.
Het absurdijn heeft een betekenis die anders is dan u normaal gesproken zou verwachten.

Wilt u meer absurdijnen lezen? Klik dan HIER.

Parallel

Parallel

oude herinneringen dwarrelen gestaag                      

als bonte, verkleurende herfst naar het eind                        

in stille levenswinter telkens weer géén vraag                     

omdat jouw wereld zich ongeremd verkleint                       


ongedachte vragen zonder enig antwoord                        

vullen de leegte van een niet gevoerd gesprek                    

niet weten wat de een zegt en de ander hoort                      

slechts historie bestaat nog op jouw eigen plek


vervliegend verdriet ontsnapt het verlies voorbij

als serene rust verholen afstand verteert

parallel in samenzijn, zijn we samen vrij

pure liefde is het geluk dat ons resteert

 

 

Meander

“Parallel”: © Meander; Almere; 19 september 2018.
Foto: © Meander bewerking; Almere 20 september 2018.

Voor meer informatie over de ziekte van Alzheimer (Dementie), klik HIER.

Zuiver

Zuiver

rimpelingen                   

van stervend goud                    

kleurrijk afscheid                  

seizoenen oud                        


herfsttinten vloeien                       

in- en uiteen                   

edele nuances            

brengen bijeen             


alle schakeringen

tonen hun pracht

zuiver spiegelend

jouw vrouwelijke kracht

 

 

Meander

“Zuiver”: © Meander; Almere; 1 september 2018.
Foto: Internet.

Gedicht geschreven voor Maryam Aftab bij de verkoop van haar Herfst-Beauté et Vogue Box.
Klik HIER voor meer informatie over de Beauté et Vogue Box.

Reizen in de tijd, sneller dan het licht?

Reizen in de tijd, sneller dan het licht?

Opmerkingen en vragen over de lichtsnelheid

 

Wat zijn uw antwoorden, meningen, ervaringen, belevingen?
Welke aanvullende vragen kunt u stellen, voordat we onze vragen doorzetten naar een deskundige?
Alle vragen en opmerkingen zal ik ook sturen naar een erkend astronoom.
Mijn invalshoek is: “Waarom zou het niet anders kunnen zijn?”
Wat betekent dit voor reizen in de tijd?


Sneller of langzamer?

De snelheid van het licht is constant, zo beweren standvastige natuurwetenschappers, maar… is dat zo?

Is de lichtsnelheid wellicht afhankelijk van de fase waarin het heelal zich bevindt?
Sneller en/of langzamer?

Is de lichtsnelheid die wij kennen, zoals wij het meten en afhankelijk van hoe we meten?
Is de lichtsnelheid elders in het ruimte, de tijd of de ruimtetijd wellicht sneller of langzamer?

Het gaat om de lichtsnelheid in een vacuüm, maar waar is het vacuüm volledig?
Waarom is lichtsnelheid het snelste dat er is en waarom is die constant?
Welke twijfels hebben astronomen zelf?

De stelsels die verder van ons vandaan zijn verwijderen zich steeds sneller. Als ze op termijn sneller bij ons vandaan gaan dan de lichtsnelheid, verdwijnen ze dan uit beeld? Is het heelal dan groter dan we denken, of is het juist kleiner?

Stel dat veel donkere materie en veel zwarte gaten met veel zwaartekracht in een deel van de ruimtetijd actief zijn, wordt de lichtsnelheid daar dan vertraagd? Als licht door donkere materie moet gaan, komt het er dan doorheen en zo ja, wordt het dan afgeremd of versneld? Als het er niet door heen gaat, wordt het dan geabsorbeerd, of gereflecteerd?

Dat het licht wordt omgebogen door zwaartekracht is bekend. Het gevolg is dat het licht er langer over doet. Een ander gevolg is dat als het licht ons bereikt, we de zendende ster niet eens zien op de plaats waar hij was toen het licht daar vertrok. We zien die ster op een plek voor of na het moment waarop het licht vertrok. Deze afwijking bestaat ongeacht het feit dat de lichtsnelheid constant is, toch doet het licht er langer over om die “heelalbrede” afstand af te leggen.

Stel dat de lichtsnelheid variabel is, afhankelijk van lokale zwaartekrachtvelden, wat is dan de bandbreedte van de lichtsnelheid? Zijn er minimale afwijkingen mogelijk of zijn die gemeten, zoals de minimale verschillen in de achtergrondstraling?

Vlak na de Big Bang ontwikkelde het heelal zich sneller dan het licht en was er nog geen licht, zeggen de meeste astronomen. Als dat zo was, waarom kunnen die snelheden nu dan niet bereikt worden? Is het licht door zijn snelheidsbeperking de remmende factor van de werkelijkheid, of van de waarneming? Of was het licht met zijn “constante” snelheid pas waarneembaar toen de snelheid van de Big Bang niet meer sneller was dan het licht?


Leugens of geschiedenissen?

Alles wat we zien is geschiedenis. Alles wat we zien is op een verschillende manier, of in een verschillende periode geschiedenis. Zelfs wat we zien op tien meter afstand, doet er 0,0000000333564095 seconden over om door ons te worden gezien en is dus geschiedenis.
Alles wat we zien aan de sterrenhemel is min of meer een grote leugen en per stipje verschillend niet waar. De aardige variant van deze leugen is dat je naar het verleden kijkt, maar dat ieder verleden op een ander moment heeft plaatsgevonden in de tijdruimte van dat moment. Alles dat te zien is, staat ergens anders dan je ziet. Staat op een verschillende manier ergens anders dan je ziet.

Als de lichtsnelheid inderdaad overal gelijk is en niet gehinderd wordt, dan zijn de onderstaande voorbeelden illustratief voor het “valse” beeld, of anders gezegd de verschillende geschiedenissen die we zien aan het firmament.

Het licht van de zon doet er gemiddeld 8 minuten en 19 seconden over om bij ons te komen. We kijken naar een ondergaande zon, die ruim 8 minuten geleden is ondergegaan, als wij het laatste stukje achter de horizon zien verdwijnen. Het licht van de maan doet er ongeveer 1 seconde over om door ons te worden waargenomen.

Het licht van Jupiter doet er gemiddeld 37 minuten over om ons te bereiken en het licht van Saturnus maar liefst gemiddeld 71 minuten. Deze planeten staan dus ergens anders dan waar wij ze zien. Ze staan op het moment dat we ze zien eigenlijk al op de plek waar wij ze 37 minuten of 71 minuten later zien. En dat is nog maar het gemiddelde.
De kleinste afstand tussen Aarde en Jupiter is ongeveer 588 miljoen kilometer, of bijna 33 minuten in lichtsnelheid. De grootste afstand tussen Aarde en Jupiter is ongeveer 968 miljoen kilometer, of bijna 54 minuten in lichtsnelheid. Het verleden van Jupiter, zoals wij dat waarnemen, varieert in de loop van de tijd in ouderdom.


Kijken en reizen in de tijd

We kijken in de tijd, in de verleden tijd. Astronomen kunnen door de wetmatigheden voorspellingen doen over de toekomende tijd. Komen die voorspellingen ook uit als we ze over een periode van 1 miljoen of 1 miljard jaar zouden kunnen beschouwen en controleren achteraf?
Zo ja, hoe wordt dat bewezen?

Kunnen we reizen in de tijd? Volgens de natuurwetten kan dat niet, omdat we niet sneller kunnen dan het licht. Maar…
we reizen continue in de tijd, het verleden achterlatend en onderweg naar de toekomst. Nu is niet meetbaar klein, maar toch ben je continu in het nu dat nooit hetzelfde is.
Ons hele leven is een reis in tijd en ruimte, of de ruimtetijd. Het is maar hoe je er naar kijkt.

 

 

Meander

 

Informatie:

Lichtsnelheid:
299.792.458 meter per seconde
9.460.730.472.580.800 meter per jaar

http://hemel.waarnemen.com/FAQ/Licht/001.html

 

Even Altijd

Even Altijd

jouw zijn                  

voor even                 

in het zand                    

maar…                   

wassend water                          

wist impressie                

van het strand                     


waar ben je?                      

ben je nog?


jouw zijn          

voor altijd        

in mijn ziel              

waar…            

blijvend voelen        

levend houdt              

wat ons ontviel                


waar ben je nog?

 

Meander

 

 

“Even Altijd”: © Meander; Terschellling; 30 augustus 2018.
Foto: © Meander; Noordzeekust; 9 juli 2018.

Echte dromen (2)

Echte dromen (2)

Het gevecht duurde al uren. Het lukte hem niet om zijn tegenstanders de baas te worden. Zodra er een verslagen was, stonden er twee nieuwe klaar. Hoeveel had hij er intussen vermoord? Honderd? Meer misschien? Hij keek om zich heen. Er waren er nog zeker tweehonderd over. Het was niet duidelijk. Het leek wel of hij niet meer scherp kon zien.
Grote blauwe en groene vogels vlogen hoog in de lucht. Af en toe kwam er eentje krijsend naar beneden. Het leek of ze hem wilden helpen, maar ze werden stuk voor stuk vermoord met een merkwaardig soort pijlen waar een ronde bol op zat die een giftige mist veroorzaakte en zo de vogels, of nee, het waren draken, doodde.

Hij keek of hij nog genoeg ammunitie had en voldoende messen en pijlen. Het gevecht ging onverbiddelijk door en hij vocht voor zijn leven met alles wat hij had. In de verte zag hij een oogverblindend mooie jonge vrouw in een kobaltblauwe, Griekse jurk naar hem kijken. Ze wenkte, maar hij begreep het gevaar en wendde zijn hoofd af. Net op tijd om een slag met een enorm zwaard te pareren. Heel even trokken zijn vijanden zich terug. Het leek alsof ze ergens bang voor waren. Een beangstigende en beklemmende stilte nam bezit van hem en van de omgeving. Af en toe zag hij een glimp van de jonge vrouw, maar nu in felgele gevechtskleding en zwaar bewapend. Ze wenkte hem dringend als ze hem zag. Haar mysterieuze glimlach weerhield hem ervan om naar haar toe te gaan, ondanks de drang die hij voelde om haar te veroveren.

De grond begon te trillen, dreunde op een gegeven moment als een reuzentrommel. Een hevig onweer barstte los, het hagelde grote ijsbrokken en stenen, maar hij voelde ze niet. De wind wakkerde aan en alles scheen weg te waaien, zelfs enkele tegenstanders. Hij stond tot zijn middel in de branding, terwijl zijn opponenten rondom hem op het droge stonden. Dan was het weer bloedheet en zweette hij als een otter, gleden zijn wapens haast uit zijn handen en dan was het weer ijskoud. Soms zag hij niet meer dan abstracte water- of ijspartijen waar zijn belagers achter schuilden, zo vermoedde hij. De golven werden hoger en hoger. Weer zag hij in de verte de mooie jonge vrouw hem wenken. Ze droeg een donkerrood gewaad waarvan het bloed naar beneden golfde en zo de branding veranderde in een bloedende kolkende massa. Op dat moment werd een mes in zijn been gestoken en raakte een pijl zijn schouder. Hij brulde het uit van de pijn en sloeg als een razende om zich heen. Ze vielen bij bosjes, maar bleven komen. De pijn verdween en het eindeloze, zinloze gevecht ging verder.

Was hij dood? Ineens waren ze weg en lag hij op een immens groot bed naar het leek zonder begin of einde. Het licht was helder en alles was wit. Hij keek om zich heen en bekeek zijn naakte lichaam alsof hij naar zichzelf stond te kijken. Geen wondje, geen krasje, helemaal niets.
De jonge vrouw die hij steeds had gezien kwam aanlopen, naakt. Ze was gespierd, had grote borsten en het leek wel of ze steeds donkerder van kleur werd naarmate ze dichterbij kwam. Ze ging naast hem zitten, trok de lakens weg en klom op hem. Hij was verbijsterd en wilde helemaal niet, maar het moest en ze was sterker. Hij probeerde haar weg te duwen, naar ze had hem al in haar gestopt en ging tekeer als een wild dier. Plotseling draaide hij zich om, met alle kracht die hij in zich had, waardoor ze van hem af werd gegooid. Ze gromde als een woedende tijger, stak haar klauwen uit en trok de gordijnen, van wat blijkbaar ineens een hemelbed was, naar beneden. Daar stonden nog eens zes dezelfde vrouwen als de tijgerin. Hij had het idee dat hij ze herkende, het voelde goed en tegelijkertijd bedreigend, maar veel tijd om zich daar om te bekommeren, kreeg hij niet. Ze doken bovenop hem en vochten met elkaar over wie hem mocht hebben en wie als enige met hem mocht vrijen. Hij verzette zich hevig.

Een reus van een kerel kwam de kamer in. De bruut schold hem uit met zo’n luide stem dat zijn oren er pijn van deden. De gladiator gelijkende reus pakte hem in zijn nek vast, tilde hem op en maakte hem duidelijk dat zijn laatste uur had geslagen. De vrouwen waren zijn dochters en hij had hen verkracht. De doodstraf, een afschuwelijke doodstraf werd hem in het vooruitzicht gesteld. Overal verschenen merkwaardig geklede politieagenten die verdacht veel op de strijders van daarstraks leken. Ze wilden hem allemaal grijpen en boeien.

Ineens had hij zijn krachten terug. Hij leek te groeien en torende steeds hoger boven de anderen uit die hem bestookten met pijlen, stokken, kogels. Ze waren met duizenden. Hij begon als een bezetene zijn tegenstanders te vertrappen. Hij hoorde het geratel van machinegeweren en zag dat vreemde vliegers, als waren het vliegtuigen, het op hem gemunt hadden. Ze schoten op hem, maar vlak voordat ze hem raakten, spatten de kogels uiteen in een klein mistig wolkje. Daarna schoten ze raketten af, terwijl zijn tegenstanders op de grond in zijn benen begonnen te klimmen, omdat hij niet overal met zijn hoofd bij kon zijn. Had hij dit niet ergens gelezen? Met een tennisracket dat uit het niets in zijn hand was verschenen, maar voor hem een logisch instrument scheen, sloeg hij de raketten terug en verpulverde zo de vliegers. De in zijn benen klimmende, razende kleine mensjes veranderden in honderden, vervaarlijke, absurd grote wespen, die hij in korte tijd met het inmiddels elektrisch geladen racket om zeep hielp.
Net toen het stil werd zag hij in de verte een paddenstoelwolk en nog een. Atoombommen, dacht hij en hij zag de jonge vrouw weer. Ze was nu in het wit gekleed. Op de achtergrond verschenen steeds meer paddenstoelwolken. Uit die wolken regende het bloemen. De vrouw draaide zich om en liep weg zonder van haar plaats te komen. Tijdloos bleef hij kijken naar haar niet verdwijnen.

Het volgende moment lag hij met een jonge vrouw te vrijen. Nu wilde hij wel en zij nog steeds. Na een tijdje waren ze doodmoe, omdat ze eigenlijk niet wilden stoppen en door bleven gaan. Langzaam soesden ze uitgeput weg in hun omstrengeling en vielen tenslotte in slaap. De zon scheen naar binnen toen hij wakker werd en op zijn borst lag de vrouw van zijn dromen te slapen.

 

Meander

 

Echte dromen (2). Verzinsels gebaseerd op fantasie, of andersom en belevingen en wie weet zelfs gedroomde dromen. Dit keer een (on)geloofwaardig verhaal dat zo (niet) klopt dat je het al dan niet zou kunnen geloven. Is het een droom, werkelijkheid, een sprookje, een nachtmerrie of een wie weet wat?
Het is te lezen en je kunt het je verbeelden, toch?


Heb jij ook een maffe, leuke, lieve, heftige en/of volstrekt abstracte droom en kun je die opschrijven, of heb je dat al gedaan? Stuur je droom naar folkertbuiter@gmail.com en wie weet, wordt dat de volgende droom in een serie van 10 dromen in de vorm van verhaal, of gedicht. Met vermelding van jouw naam, als je dat wilt.


Lees ook: Echte Dromen (1).

 

“Echte Dromen (2)”: © Meander; Almere; 26 augustus 2018.
Foto: © Meander; Zandvoort; 17 augustus 2018.

 

Zien

Zien

je kunt het zien
als je wilt
kijk dan
met aandacht
met plezier
geniet
van groot
van klein
en leg het vast
voor altijd
in je gevoel

de schaduw
van de meeuw
die vliegt
de zon die door
zijn snavel schijnt
het licht dat
de branding
laat branden
het water
dat in miljarden
druppels uiteen spat
de door eb en vloed

geslepen ribbels
in het zand
op het strand
het stromende water
terug vluchtend
naar zee
zelfs damherten
op het duin
voordat de zon
op zoek gaat
naar morgen

 

Zien

 

Meander

Foto’s Meander.

 

 

Zien  

Echte Dromen (1)

Echte Dromen (1)

gedachten verwagen                                     

ontworde bedingen                                       

als ware ijsregen verkwijnd                                


in ondiep doorwaken                                       

ontstoord vervaren

om prismatisch tellen                                              


wie ontloopt waar

achter grazige slingers

uit gesluierde putten                                       


ontdwaald aanzocht

maan verbrandende zon

grillende fladders                                      


bevalste chromatiek

omlicht aanbroken beelding

waar wanneer waarom wordt


ontdacht verwagen

verdane papilaties

als ommezien uitsterft

 

 

Meander

 

“Dromen”, waar woorden de onmogelijkheden van echte dromen verbeelden en je toch wilt weten wat het verhaal is. Het is jouw verhaal, het verhaal dat jij er van maakt. Het is jouw droom.

 

Schiere Rivièra

Schiere Rivièra

aan onze Schiere Rivièra
op het veelvermogend Wad
is beleven zoveel extra
vaak in eb en vloed vervat                                                

velen gaan er met de veerboot
stappen op een dag aan boord
samen naar dit fraaie kleinood
als ware het een pelgrimsoord                                         

omsloten door het water
veilig op een monument
rust omhelst en je laat er,
los,
ver weg van turbulent                                        

onafzienbaar zijn de stranden
indrukwekkende sereniteit
zo verdampen laatste banden
in onvoltooid voltooide tijd                                       

jonge duinen beschutten
dromend zweef je even weg
hier bestaat slechts het jutten
laat het op er vóór…,
maar weg                                        

‘s avonds wandel je uitgerust
alleen of samen op het Wad
of langs de branding aan de kust
terug over een schelpenpad

naar huis?
maar je kunt niet zonder
verslaafd aan even geen controle
diep bewogen door het wonder
van het nobele Lytje Pole

 

Meander

Foto: Meander 6 augustus 2018

 

Schiere Rivièra behoort tot een serie gedichten over de Wadden en over Zee en Kust.
Meer gedichten over de Waddeneilanden lezen?

Klik op “Schier”, of “Zonnewacht”, of Wachter van het Wad.
Meer weten over De Jutter? Klik op “Jutter Zonder Spijt”

Kijk voor meer informatie over Schiermonnikoog op www.schierweb.nl.

Dromedaris lacht zich een bult

Dromedaris lacht zich een bult


een dromedaris keek bijna scheel
                                     


humor werd het mooie dier te veel                                             


flauwe grappen waren de schuld                                  


het beestje lachte zich een bult                                            


zo werd de dromedaris kameel

 

 

Meander

De Serieverkrachter

De Serieverkrachter

Roxanne pakte haar tas in, liep naar de kapstok en deed haar jas aan. Ze zei haar collega achter de balie gedag en trok de deur naar buiten open. Ze merkte dat haar maag protesteerde en dat ze stevige trek had. Eigen schuld, besefte ze. Had ik tussendoor maar moeten eten.
Roxanne werkte in het ziekenhuis op de afdeling neurologie. Haar dienst was eigenlijk al om zes uur geëindigd, maar zieke collega’s en een spoedgeval hadden haar nog een paar uur bezig gehouden.
Kwart over negen zag ze op haar horloge en het was al bijna donker. Snel naar huis fietsen en dan een lekkere kop groentesoep, dacht ze.

De man reed van het fietspad rechtsaf het zandpad op. Vijftig meter verder zette hij de gestolen fiets tegen een boom, net voorbij een bocht. Zijn zwarte kleding maakte hem nagenoeg onzichtbaar, maar voor de zekerheid trok hij zijn capuchon over zijn hoofd.
Voorzichtig liep hij terug naar het fietspad dat door het park liep. Rechts van het zandpad verschool hij zich in de struiken die langs het fietspad stonden. Vanuit zijn schuilplaats keek hij voorzichtig of de kust veilig was. Toen hij niemand zag, ging hij aan de rand van het fietspad staan om aankomend fietsverkeer op tijd te zien.

Roxanne fietste door het hek van het ziekenhuis en sloeg linksaf het fietspad op. Ze reed stevig door, want acht kilometer was een flink eind fietsen zo laat op de avond. Het fietspad lag naast een drukke weg en verderop bij de rotonde wilde ze rechtsaf slaan om door het park te rijden. Het fietspad door het park verkortte haar route met ruim een kilometer. Ze had gehoord over de serieverkrachter die in het park actief zou zijn geweest. De afgelopen maanden waren verschillende vrouwen aangerand of verkracht, maar dat zou haar niet overkomen. Dat wist ze zeker.

Er kwam iemand aanrijden, zag de man, waarop hij zich terugtrok in de struiken. De fietser kwam steeds dichterbij. Het was een jongen van een jaar of zestien zag de teleurgestelde smeerlap. Hij liet hem rijden, want hij had het niet op mannen of jongens voorzien. Zijn prooi was steevast een jonge vrouw.

De man schrok, omdat hij stemmen naderbij hoorde komen. Een man en een vrouw kwamen met twee Rottweilers het zandpad aflopen. Ze waren zo druk in gesprek dat ze geen acht sloegen op het aanzwellende gegrom van de honden die de verborgen verkrachter hadden geroken. De man was doodsbang voor honden en hield zich muisstil. Tot zijn grote opluchting liepen het tweetal door, maar de honden bleven grommen. De vrouw riep de honden en ze trokken beiden hard aan de riemen. De Rottweilers liepen onwillig met hen mee.
Vlak daarna zag de verstopte aanrander een vrouw voorbij rijden. Hij wilde er achteraan rennen, maar realiseerde zich dat het stel met de honden nog te dichtbij was.

Groentesoep

Roxanne reed het park in. Het fietspad was redelijk verlicht, maar toch verhoogde ze haar snelheid, want het leek er op dat het mistig begon te worden. Stom, dacht ze, was ik hier maar niet langs gegaan. Ze overwoog even of ze terug zou gaan. Ze verhoogde haar tempo nog een beetje en reed zo snel mogelijk verder. Ik rijd zo hard als een kerel, dus niemand doet me wat, maakte ze zichzelf wijs. Ver voor haar reed nog iemand.

Weer kwam er iemand aan fietsen en de geduldige jager stond klaar om toe te slaan. Hij trok zich net op tijd terug. Een oudere vrouw op een elektrische fiets kwam voorbij rijden. Zo’n ouwe taart, daar had hij geen zin in. Hij keek in de richting waar de vrouw vandaan kwam en zag het licht van de volgende fiets.

Roxanne voelde zich steeds ongemakkelijker zo alleen. “Ach”, zei ze tegen zichzelf, “doorrijden. Op naar de groentesoep.”
Op dat moment sprong er een donkere, lange, slungelige gedaante op het fietspad. In plaats van te stoppen, probeerde ze te versnellen, maar eenmaal naast haar belager, kreeg ze een harde duw. Roxanne viel op de grond, krabbelde snel overeind en zei: “Rot op.” Tegenover haar stond een man, dat kon ze aan zijn stem wel horen.
“Doe wat ik zeg, anders steek ik je overhoop”, schreeuwde de man. Hij had een groot, roestvrijstalen slagersmes in zijn hand. “Loop voor mij uit tot ik zeg dat je kunt stoppen. Maak je kleren alvast maar los. Ik beloof je dat je het lekker gaat vinden.”
Roxanne merkte dat haar angst plaats maakte voor iets anders. Ze trilde over haar hele lichaam van woede. “Laat mij gaan, gek”, riep ze.
De man kwam met geheven mes dichterbij. “Luisteren, kreng. Uitkleden. Je krijgt wat je verdient, kutwijf.” Hij stond vlakbij haar, pakte haar beet en probeerde haar jas open te trekken. Zijn capuchon schoof daarbij van zijn hoofd. Hij vloekte, want nu had ze hem gezien al was het donker.
Na enige tijd reed een fiets weg. Eerst langzaam, maar uiteindelijk steeds sneller. Het rode achterlicht vervaagde en verdween definitief uit zicht toen de fietser rechtsaf sloeg.

Tegen elf uur zat Roxanne half opgerold op haar bank met een warme, geurige bak groentesoep volgens oma’s recept. Dikke vermicelli, doorgekookte groenten, veel tuinkruiden, zacht rundvlees en oversized gehaktballetjes, precies zoals haar oma haar dat geleerd had. Ze had eerst gedoucht en daarna haar jas, broek en shirt in de allesbrander gegooid, omdat die hufter ze had aangeraakt.
Roxanne nam nog een half kommetje omasoep en vroeg zich af wanneer de klap kwam. Na een half uur, stond ze op, deed het licht in de woonkamer uit en liep naar de douche om haar tanden te poetsen. Ze hoopte maar dat ze kon slapen.

In het park, op het zandpad, zo’n twintig meter van het fietspad, lag een donkere, vormeloze figuur. Het glimmende, schoongepoetste heft van een slagersmes stak uit zijn borst. Verderop langs het zandpad stond een fiets.

 

Meander

Blutmond

Blutmond

der Mond wird rot
länger als oft
röter als rot                                     

der Mond weint
für was er weiß
um was er fühlt                                   

der Mond heult
von Schmerz
und Traurigkeit                            

der Mond blutet
aus Scham
weil er sieht                               

Mutter Erdens
Partner
klagt uns
Menschen an                                  

wir sehen zu
voller Bewunderung
und verstehen nicht
was er sagt                         

es ist so schön
so besonders
ein Märchen, aber…
was wird gefragt                                   

die Erde rötet
den Mond
blutendes Zeichen
am Firmament                                   

die Menschen
drängen zusammen
offene Münder
man bestaunt, gespannt                               

Blutmond
lässt uns wissen
Mutter Erde
ist so,
ja so,
schrecklich abgebrannt

 

Meander

 

Danke Doris Wagner für die Liebe und Hilfe beim korrigieren.