Tot de dood ons scheidt

Tot de dood ons scheidt

Gearmd schuifelden ze, als in slow motion, naar de ronde tafel bij de grote, glazen pui. Hij ondersteunde haar, terwijl zij aan haar linkerzijde steun vond op een fraai gesneden, zwarte wandelstok. Aangekomen bij de tafel liet hij haar voorzichtig los. Ze leunde nog iets steviger op haar wandelstok, terwijl hij een stoel naar achteren trok. Hij hielp haar om te gaan zitten. Toen ze zat, schoof hij de stoel aan, zodat ze dicht bij de tafel zat, maar hij was niet tevreden.
De man liep langs verschillende tafels en keek op de stoelen. Hij zocht iets. Een behulpzame gast vroeg hem een twee keer wat hij zocht, maar de afstand was te groot om zijn kennelijke doofheid te overbruggen. Zijn vrouw hoorde het wel en zei vrij luid: “Die meneer vroeg wat je zocht.”
De man die wilde helpen, liep naar de zoekende man en vroeg nogmaals wat hij zocht.
“Een kussen voor mijn vrouw, want die stoel is te hard”, zei de oude, nurks ogende man met een knorrige ondertoon.

De helpende gast ging op zoek naar een kussen. Toen hij die niet kon vinden, vroeg hij een van de medewerkers van het restaurant om een kussen. Even later bracht een jonge bediende een bruin kussen dat qua kleur bij de stoelen en wonderwel precies bij de kleding van de oude man paste. De oude vrouw bedankte het meisje voor het kussen. Haar grijze dunne haar en een paar stille, starende ogen, straalden tevreden gelatenheid uit.
Het meisje liep zonder verder iets te vragen weg. De oude man wilde haar terugroepen, maar bedacht zich.

De man was vermoedelijk ver in de tachtig. Hij had wit doorschijnend haar en een ernstig, doorleefd gezicht. Onrustig en schijnbaar ontevreden keek hij door zijn goudkleurige, grootglazige bril. Hij droeg een donkerbeige broek met daarop een bruin zwart gestreepte trui. Brede en dunnen strepen wisselden elkaar af. Een lichtbruin overhemd kwam met de linkerkraag onder de trui uit.
De man stond moeizaam op om te kijken waar de bediening bleef, struikelde bijna over een stoel en vond net op tijd steun. Hij verbeet de pijn en zei niets, in de valse hoop dat zijn vrouw het niet had gemerkt.
Zijn bril is misschien niet zo goed meer als zou moeten, dacht zijn vrouw.
Af en toe spraken de man en de vrouw met elkaar, maar het merendeel van de tijd was het stil.

Een andere bediende dan die het kussen had gehaald, kwam naar hun tafel en vroeg of ze iets wilden drinken. De oude man zei bits: “We willen iets eten. Kunt u de kaart brengen?”
Ze antwoordde: “Natuurlijk meneer, die zal ik zo brengen. Wilt u alvast iets drinken?”
“Nee”, zei de man, zonder zijn vrouw iets te vragen. “Ik wil eerst de kaart.”
De verbouwereerde, bediende liep weg om twee menukaarten te halen.

De vrouw begon over het ziekbed van haar schoonzus. Die had MS en was zienderogen achteruit gegaan. “Ik denk niet dat ze nog lang heeft”, zei ze. Haar man dacht er anders over en probeerde over iets anders te praten, maar zij hield vol en was van mening dat het beter was voor haar schoonzus als het was afgelopen. Haar man zweeg, omdat het de beste manier was om haar te weerhouden er over door te gaan, maar het liep deze keer anders dan hij had gehoopt.
“Heb je ons graf al geregeld?”, vroeg ze ineens.
Hij draaide zich van haar af, keek naar buiten en zei: “Al meer dan tien jaar geleden.” Je hebt het al honderden keren gevraagd.”
“Fijn”, zei ze zonder op zijn zacht uitgesproken verwijt in te gaan.
Hij had het beter niet kunnen zeggen, want hij kon het haar niet kwalijk nemen en zuchtte in zichzelf zonder het haar te laten merken.

De bediende bracht de menukaarten en vroeg of ze nu iets wilden drinken.
De man zei nogmaals: “Nee, ik wil eerst de kaart bekijken.”
Zijn vrouw zei dat ze wel een kopje thee wilde. “Verse muntthee”, zei ze. “Dat drink ik altijd met mijn kleinzoon.”
De man zuchtte nu opzichtig en keek zonder nog iets te zeggen in de menukaart. De groeven boven zijn wenkbrauwen leken iets dieper te worden.

Toen de bediende was vertrokken vervolgde de vrouw het gesprek over het ziekbed van haar schoonzus. Even later vroeg ze haar man of hij vond dat je beter plotseling kon overlijden, of dat het beter was om zo lang mogelijk te blijven leven, ook als je pijn had. De man reageerde rustig en zei dat hij nu niet over euthanasie wilde praten, al had ze dat helemaal niet genoemd.
Zijn vrouw had zo nu en dan moeite met spreken. De woorden kwamen er dan hortend en stotend uit, terwijl je op andere momenten niets merkte van de sluipende en slopende ziekte waar ze aan leed. Ze zei: “Ik hoef geen euthanasie. Ik wacht wel tot het zover is.” De man knikte, deed nogmaals zijn best om van onderwerp te veranderen en begon daarom over de kleinkinderen.

De bediende kwam de thee brengen en een mandje met breekbrood, aioli, kruidenboter en tapenade. Ze legde voor beiden een hoesje met bestek en een papieren servetje neer en vroeg of ze al iets hadden gevonden.
“Gevonden?”, vroeg de man. “Ik ben niets kwijt.”
“Weet u al wat u wilt eten, bedoel ik”, vroeg de bediende.
“Wat heb je buiten de kaart?”, vroeg hij.
“Sliptong, met garnalen”, zei ze.
De man zei: “Doe ons die tong met garnalen maar en maak er wat moois van met lekkere sausjes.”
“Ik niet hoor”, zei de vrouw. “Ik wil gebakken zalm met asperges.”
“O. Nou, prima”, zei de man, die gewend was geweest leiding te geven, behalve aan zijn vrouw. “Ik wil graag een mooie witte wijn er bij. Wat heb je.”
“Een Riesling, meneer?”, vroeg de jonge vrouw onzeker.
“Heb je niets anders? Een Chardonnay?”
“Die hebben we. Wilt u een glas, of een fles?”
“Voor mij en voor mijn vrouw een glas Chardonnay. Toch?” Hij keek zijn vrouw aan, maar die reageerde niet. De bediende vertrok en het was weer een tijdje stil.

Hij pakte het brood, scheurde er hoofdschuddend een stuk af en probeerde het open te snijden met het botermesje dat er bij lag. “Wat een stom brood en dat mesje is ook niks”, zei hij. “Een echt mes is beter.” Hij voegde de daad bij het woord en pakte een mes uit het hoesje. Hij vroeg zijn vrouw wat ze op haar broodje wilde. Ze wilde wel een broodje met tapenade. Hij smeerde tapenade op een bruin stukje breekbrood en gaf het haar, waarna hij voor zichzelf een broodje met kruidenboter maakte.

Ze waren al lang, heel lang bij elkaar. Meer dan zestig jaar. Ze kenden elkaar van de lagere school met de Bijbel. Later hadden ze een aantal keren verkering gehad met verschillende partners en twee keer met elkaar. Toen zij die tweede keer per ongeluk van hem in verwachting raakte, waren ze getrouwd en ontstond in de loop der jaren hun liefde voor elkaar.
Hij had bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders gewerkt als ingenieur voor de ontwikkeling van Almere en Lelystad. Zij was verpleegster geweest en had in verschillende ziekenhuizen gewerkt.

De man sprak vooral over dingen waaraan hij zich ergerde. Zij luisterde, maar of ze begreep of wilde begrijpen wat hij zei, was maar al te zeer de vraag.
Hij klaagde over hun te grote huis. Zij zei iets over een schilderij dat hij eens van zolder had gehaald. Hij begreep haar niet en praatte verder over de te grote zolder met al die spullen die ze niet meer nodig hadden. Over de kamers in het huis die niet meer werden gebruikt, want kinderen en kleinkinderen kwamen wel langs, maar bleven niet meer overnachten.
“Wat een mooi mes”, zei de vrouw opeens. Er volgde een minuten durend gesprek over het mes en over goede en slechte messen. Een gesprek dat verzandde in een lange stilte. De stiltes waren adembenemend. Soms keek hij langdurig naar buiten en keek zij voor zich uit in een niet te bevatten verte. Hij probeerde op zijn manier alsof alles met haar nog zo was als vroeger, omdat hij dat graag wilde.

De ergernis van de man nam toe. Hij vond dat het te lang duurde voor het eten kwam. Zijn vrouw zei: “Het was een hoofdgerecht. Dat duurt langer.” Hij ging er niet op in, stond twijfelend op en ging even later weer zitten.
Zijn vrouw begon nogmaals over het mes en over de kleur van het bord. Een wit bord. Vervolgens zei ze: “Je hoort niets van die mensen.”
“Altijd hetzelfde”, zei hij. Het was niet duidelijk wie die mensen waren. Zijn irritatie nam zichtbaar toe. Zijn gezicht werd steeds roder. “Niemand komt zijn afspraken nog na en de bediening hier is waardeloos.”
“Ik vind het raar dat we niet teruggebeld zijn door de oogkliniek”, zei ze.
Hij snoof en het was weer even stil, maar niet lang.
“Ze zullen het wel vergeten zijn”, zei hij mompelend.
“Wat zeg je?”, vroeg ze. “Is de oogkliniek het vergeten?”
Hij antwoordde niet, maar stond op en liep weg om vol ongeduld te gaan vragen waar het eten bleef.
De vrouw keek om haar heen, haar handen over elkaar gelegd op de tafel. Er kwam een schip de haven ingevaren. Ze zwaaide naar de opvarenden, maar die zagen haar niet door het getinte glas.

Na enkele minuten kwam haar man terug. Omdat hij niet direct geholpen werd, was hij naar het toilet gegaan.
“Nu ga ik er voor zitten”, zei hij stug en verbolgen.
“De bomen zijn nog kaal”, zei zijn vrouw.
De man zei: “Als het nog lang duurt, gaan we weg.”
“Vind jij die bomen niet te kaal?”, vroeg ze. “Het is al mei.”
“Het is februari”, zei hij. “Ik ben dit niet gewend, moet ik zeggen. Drie kwartier wachten voordat ik iets te eten krijg, dat vind ik te lang.”
Ze zei niets terug. Drie kwartier dacht ze. Zijn we hier al zo lang?

Een bediende kwam het eten brengen. Hij zette de borden op tafel en vertelde in een rap en onnavolgbaar tempo wat er op de borden lag. De oude man stak zijn hand op en somde traag en belerend op wat ze besteld hadden. Hij vroeg  de jongeman of het klopte. Die bevestigde de opsomming van de man, draaide zich om en liep glimlachend weg. Even later bracht hij de wijn.

Ze begonnen aan hun lunch. Het geluid van bestek dat op borden tikte, verdrong het gesprek van het echtpaar niet.
“Ik zie geen garnalen”, zei de man. “Wat een hoop groen zeg. Dat heb ik toch niet besteld. Ik vind het helemaal niks.”
Zij vond het lekker. “Heerlijk die zalm”, zei ze.
De man keek stuurs om zich heen. Met lichte agressie sneed hij het groen op zijn bord, opdat hij het met zijn kunstgebit kon verwerken. Meer dan de helft van de door rucola overheerste salade en groente schoof hij opzij. Hij at, maar genoot er niet van en liet dat blijken. Hij zei met volle mond: “Die vis is hartstikke koud.”
“Wat zeg je?”, vroeg zijn vrouw.
“Dat die vis steenkoud is”, was zijn wrevelige antwoord, waarvan hij onmiddellijk spijt had, want wat kon zij er aan doen?
Ze vroeg: “Wil je een stuk van mij? De zalm is warm.”
Hij schudde zijn hoofd en mopperde verder. “Wat zijn die kleine stukkies toch? Tomaat? Zo doe je dat toch niet?” Daarna was het een tijdje stil en aten ze in schijnbare rust. Zij genoot en hij? Hij at met lange tanden, of deed voorkomen dat dit zo was. Het was soms net een bewegend stilleven met scherpe bij elkaar passende contrasten.

De grimmig kijkende man dacht aan de keren de afgelopen maanden dat hij druk op zijn borst en pijn in zijn linkerarm had gevoeld, maar zoals altijd zweeg hij er over. Hij at gehaast tot alles op was, behalve meer dan de helft van de groente en de sla, want die wilde hij niet. Zij was nog niet uitgegeten en gelet op het tempo waarmee ze at, zou het nog wel even duren voor dat zover was. Zijn misnoegen nam derhalve de ruimte die zo ontstond en hij vatte dat ongenoegen op streng oordelende toon samen: “De vis was veel te koud en ik had teveel groen. Twee zielige garnaaltjes heb ik kunnen vinden, meer niet. Echt, het is ronduit slecht.”
Zijn repetitieve gejeremieer leek zijn vrouw niet meer te bereiken. Ze at haar bord helemaal leeg, zat enige tijd met gesloten ogen na te genieten en was korte tijd helemaal in haar eigen hier en nu.

“Wil jij nog wat hebben?”, vroeg ze haar echtgenoot tien minuten later.
“Neuh.”
“Ik wil die coquilles nog wel”, zei ze.
“Veel te duur”, bromde hij, ondanks het feit dat ze niet op een dubbeltje hoefden te kijken.
“Doe dan mee”, zei ze.
“Nee die coquilles kosten zeventien euro. Zonde van het geld voor zo’n klein beetje eten.”
Als ze de coquilles wilde, kreeg ze ze wel, maar ze hield er over op, pakte haar glas en nam langzaam twee slokjes van de wijn.

De vrouw die hen de menukaart had gebracht kwam kijken en zag dat ze klaar waren met eten.
“Heeft het gesmaakt?”, vroeg ze.
“Nee”, zei de man.
“Ik vond het heel lekker”, zei zijn vrouw.
De man zei: “Dat veel te kleine stukje vis was koud. Dat kwam natuurlijk, omdat het veel te lang duurde voor het eten werd gebracht.” De twee zielige garnaaltjes en het overdadige groen passeerden wederom de revue.
“Vervelend”, zei de bediende. “Ik zal de chef even roepen.” Ze pakte de borden met het bestek en het broodmandje. Terwijl ze wegliep zei ze iets te luid: “Elke zondag wat. Al dat gezeur.” Het was een onprofessionele reactie en het was maar goed dat de oude man het niet hoorde.

De vrouw veegde met haar hand de tafel schoon. Ze keek naar haar man, maar nam ogenschijnlijk niet waar wat onmiskenbaar zichtbaar was. Hij was woedend, maar waarop en waarom? Kon hij zijn echte woede niet kwijt en was de onmacht hem de baas geworden? Het restaurant leek daarvan het slachtoffer te worden.
“Lekkere wijn, hè”, zei zijn lieve, rustige vrouw.
“Mag ook wel voor zes euro”, zei hij.

De eigenaar kwam naar hun tafel en bood zijn excuses aan. “Ze hadden de sliptong later moeten klaarmaken, of warm moeten houden”, zei hij. De oude man draaide het refrein van de koude vis, de twee zielige garnaaltjes en de berg groen weer af. Hij voegde de in zijn ogen keiharde boter er aan toe en het feit dat ze in een bijna leeg restaurant drie kwartier hadden moeten wachten op hun eten. De eigenaar probeerde het nog een keer uit te leggen, maar kreeg weinig kans, want de oude man vertelde hem hoe ze hun werk hadden moeten doen.
Om er vanaf te zijn en omdat de oude man niet geheel ongelijk had, stelde de eigenaar voor om het eten van de man van de rekening te halen en hen een kopje koffie van de zaak aan te bieden.
“Niks er van. We betalen gewoon. Ik heb het immers opgegeten”, zei de man opeens vriendelijk. Hij gaf de eigenaar een hand. Blijkbaar was het de moeite waard om te betalen nu hij zijn gram had gehaald. De oude man zei tot verbazing van de eigenaar: “Rond de rekening maar af op zeventig euro. De wijn was uitstekend.”
De eigenaar liep weg om de rekening te halen.

De man keek naar zijn vrouw vroeg: “Waarom kijk je zo naar me?”
Ze glimlachte, maar zei niets.
Hij vroeg: “Ben je boos op me?”
“Nee hoor”, zei ze.

De eigenaar kwam terug met de rekening en een pinapparaat, maar de oude man pakte zijn portefeuille en betaalde contant en gepast de toegezegde zeventig euro. Daarna stond hij op en pakte de jas van zijn vrouw. Hij wilde haar in haar jas helpen, maar dat lukte niet. Ze zei een paar keer: “Nee, mijn arm zit er niet in.” De eigenaar van het restaurant schoot te hulp en even later had ze haar jas aan. Ze deden hun jas dicht. Hij met zijn shawl om zijn nek, gekruist over de borst onder de jas, zoals hem dat geleerd was. Zij draaide haar shawl drie keer nonchalant om haar nek over haar jas. Er verscheen zowaar een soort van glimlach op het gezicht van de man, toen hij naar zijn vrouw keek.

Het verdriet over het groeiende verlies van het contact met zijn vrouw, uitte zich op vele manieren deze middag. Hij wist dat het tij niet te keren was. Zij berustte in haar lot en leefde het leven zoals het kwam. Op heldere momenten was haar enige zorg dat hij straks achterbleef zonder haar. Hoe moest hij dan verder? Zijn angst was wellicht groter dan die van haar, want hij was er zich voortdurend ten volle bewust van. Als hij zou overlijden, hoe moest het dan met haar?

Hij ondersteunde haar toen ze naar buiten liepen, precies zoals ze waren gekomen.

 

 

Meander

Verhalen van Meander? Klik HIER.

4 gedachten over “Tot de dood ons scheidt

Geef een reactie