Echte dromen (2)

Echte dromen (2)

Het gevecht duurde al uren. Het lukte hem niet om zijn tegenstanders de baas te worden. Zodra er een verslagen was, stonden er twee nieuwe klaar. Hoeveel had hij er intussen vermoord? Honderd? Meer misschien? Hij keek om zich heen. Er waren er nog zeker tweehonderd over. Het was niet duidelijk. Het leek wel of hij niet meer scherp kon zien.
Grote blauwe en groene vogels vlogen hoog in de lucht. Af en toe kwam er eentje krijsend naar beneden. Het leek of ze hem wilden helpen, maar ze werden stuk voor stuk vermoord met een merkwaardig soort pijlen waar een ronde bol op zat die een giftige mist veroorzaakte en zo de vogels, of nee, het waren draken, doodde.

Hij keek of hij nog genoeg ammunitie had en voldoende messen en pijlen. Het gevecht ging onverbiddelijk door en hij vocht voor zijn leven met alles wat hij had. In de verte zag hij een oogverblindend mooie jonge vrouw in een kobaltblauwe, Griekse jurk naar hem kijken. Ze wenkte, maar hij begreep het gevaar en wendde zijn hoofd af. Net op tijd om een slag met een enorm zwaard te pareren. Heel even trokken zijn vijanden zich terug. Het leek alsof ze ergens bang voor waren. Een beangstigende en beklemmende stilte nam bezit van hem en van de omgeving. Af en toe zag hij een glimp van de jonge vrouw, maar nu in felgele gevechtskleding en zwaar bewapend. Ze wenkte hem dringend als ze hem zag. Haar mysterieuze glimlach weerhield hem ervan om naar haar toe te gaan, ondanks de drang die hij voelde om haar te veroveren.

De grond begon te trillen, dreunde op een gegeven moment als een reuzentrommel. Een hevig onweer barstte los, het hagelde grote ijsbrokken en stenen, maar hij voelde ze niet. De wind wakkerde aan en alles scheen weg te waaien, zelfs enkele tegenstanders. Hij stond tot zijn middel in de branding, terwijl zijn opponenten rondom hem op het droge stonden. Dan was het weer bloedheet en zweette hij als een otter, gleden zijn wapens haast uit zijn handen en dan was het weer ijskoud. Soms zag hij niet meer dan abstracte water- of ijspartijen waar zijn belagers achter schuilden, zo vermoedde hij. De golven werden hoger en hoger. Weer zag hij in de verte de mooie jonge vrouw hem wenken. Ze droeg een donkerrood gewaad waarvan het bloed naar beneden golfde en zo de branding veranderde in een bloedende kolkende massa. Op dat moment werd een mes in zijn been gestoken en raakte een pijl zijn schouder. Hij brulde het uit van de pijn en sloeg als een razende om zich heen. Ze vielen bij bosjes, maar bleven komen. De pijn verdween en het eindeloze, zinloze gevecht ging verder.

Was hij dood? Ineens waren ze weg en lag hij op een immens groot bed naar het leek zonder begin of einde. Het licht was helder en alles was wit. Hij keek om zich heen en bekeek zijn naakte lichaam alsof hij naar zichzelf stond te kijken. Geen wondje, geen krasje, helemaal niets.
De jonge vrouw die hij steeds had gezien kwam aanlopen, naakt. Ze was gespierd, had grote borsten en het leek wel of ze steeds donkerder van kleur werd naarmate ze dichterbij kwam. Ze ging naast hem zitten, trok de lakens weg en klom op hem. Hij was verbijsterd en wilde helemaal niet, maar het moest en ze was sterker. Hij probeerde haar weg te duwen, naar ze had hem al in haar gestopt en ging tekeer als een wild dier. Plotseling draaide hij zich om, met alle kracht die hij in zich had, waardoor ze van hem af werd gegooid. Ze gromde als een woedende tijger, stak haar klauwen uit en trok de gordijnen, van wat blijkbaar ineens een hemelbed was, naar beneden. Daar stonden nog eens zes dezelfde vrouwen als de tijgerin. Hij had het idee dat hij ze herkende, het voelde goed en tegelijkertijd bedreigend, maar veel tijd om zich daar om te bekommeren, kreeg hij niet. Ze doken bovenop hem en vochten met elkaar over wie hem mocht hebben en wie als enige met hem mocht vrijen. Hij verzette zich hevig.

Een reus van een kerel kwam de kamer in. De bruut schold hem uit met zo’n luide stem dat zijn oren er pijn van deden. De gladiator gelijkende reus pakte hem in zijn nek vast, tilde hem op en maakte hem duidelijk dat zijn laatste uur had geslagen. De vrouwen waren zijn dochters en hij had hen verkracht. De doodstraf, een afschuwelijke doodstraf werd hem in het vooruitzicht gesteld. Overal verschenen merkwaardig geklede politieagenten die verdacht veel op de strijders van daarstraks leken. Ze wilden hem allemaal grijpen en boeien.

Ineens had hij zijn krachten terug. Hij leek te groeien en torende steeds hoger boven de anderen uit die hem bestookten met pijlen, stokken, kogels. Ze waren met duizenden. Hij begon als een bezetene zijn tegenstanders te vertrappen. Hij hoorde het geratel van machinegeweren en zag dat vreemde vliegers, als waren het vliegtuigen, het op hem gemunt hadden. Ze schoten op hem, maar vlak voordat ze hem raakten, spatten de kogels uiteen in een klein mistig wolkje. Daarna schoten ze raketten af, terwijl zijn tegenstanders op de grond in zijn benen begonnen te klimmen, omdat hij niet overal met zijn hoofd bij kon zijn. Had hij dit niet ergens gelezen? Met een tennisracket dat uit het niets in zijn hand was verschenen, maar voor hem een logisch instrument scheen, sloeg hij de raketten terug en verpulverde zo de vliegers. De in zijn benen klimmende, razende kleine mensjes veranderden in honderden, vervaarlijke, absurd grote wespen, die hij in korte tijd met het inmiddels elektrisch geladen racket om zeep hielp.
Net toen het stil werd zag hij in de verte een paddenstoelwolk en nog een. Atoombommen, dacht hij en hij zag de jonge vrouw weer. Ze was nu in het wit gekleed. Op de achtergrond verschenen steeds meer paddenstoelwolken. Uit die wolken regende het bloemen. De vrouw draaide zich om en liep weg zonder van haar plaats te komen. Tijdloos bleef hij kijken naar haar niet verdwijnen.

Het volgende moment lag hij met een jonge vrouw te vrijen. Nu wilde hij wel en zij nog steeds. Na een tijdje waren ze doodmoe, omdat ze eigenlijk niet wilden stoppen en door bleven gaan. Langzaam soesden ze uitgeput weg in hun omstrengeling en vielen tenslotte in slaap. De zon scheen naar binnen toen hij wakker werd en op zijn borst lag de vrouw van zijn dromen te slapen.

 

Meander

 

Echte dromen (2). Verzinsels gebaseerd op fantasie, of andersom en belevingen en wie weet zelfs gedroomde dromen. Dit keer een (on)geloofwaardig verhaal dat zo (niet) klopt dat je het al dan niet zou kunnen geloven. Is het een droom, werkelijkheid, een sprookje, een nachtmerrie of een wie weet wat?
Het is te lezen en je kunt het je verbeelden, toch?


Heb jij ook een maffe, leuke, lieve, heftige en/of volstrekt abstracte droom en kun je die opschrijven, of heb je dat al gedaan? Stuur je droom naar folkertbuiter@gmail.com en wie weet, wordt dat de volgende droom in een serie van 10 dromen in de vorm van verhaal, of gedicht. Met vermelding van jouw naam, als je dat wilt.


Lees ook: Echte Dromen (1).

 

“Echte Dromen (2)”: © Meander; Almere; 26 augustus 2018.
Foto: © Meander; Zandvoort; 17 augustus 2018.

 

4 gedachten over “Echte dromen (2)

Geef een reactie