Archief van
Maand: september 2018

Er heerste enthousiasme

Er heerste enthousiasme

Het verhaal van Arnold Trampe en Monique Lapidaire. Monique een actieve Almeerse overleed helaas en veel te jong in januari 2017.

Arnold Trampe en Monique Lapidaire woonden eind jaren zeventig in de Dapperbuurt. Ze hadden elkaar leren kennen op de toneelschool in Maastricht en niet lang daarna verhuisden ze naar Amsterdam. Arnold is ruimtelijke ordening gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam.
De Dapperbuurt werd gesaneerd en veel woningen werden gesloopt. Monique en Arnold hadden drie opties. Terug in dezelfde wijk, elders in Amsterdam gaan wonen, of naar Almere verhuizen. Er was een overeenkomst gesloten tussen Amsterdam en de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders waar Almere onder viel. Almere was toen nog geen gemeente. De overeenkomst betrof Amsterdammers en mensen die voor hun werk in Almere kwamen wonen. Zij konden met voorrang een woning krijgen.

“We zijn in 1979 in Almere gaan kijken”, zei Arnold. “We vonden het van meet af aan aantrekkelijk. Het was Monique en mij al snel duidelijk dat er voor ons veel mogelijkheden lagen. Wat ons mede overtuigde, was het feit dat er bijzonder veel enthousiasme heerste, voelbare pioniersgeest. Het waren mensen die er wat van wilden maken. We kochten een huis op de Schapenmeent. Het moest nog wel gebouwd worden, maar dat hoorde er bij in die tijd.”
“In het land was de stemming deprimerend”, zei Arnold, “want de werkloosheid was hoog en zware bezuinigingen dreigden aan de politieke horizon. Maar van een pessimistische stemming was in Almere geen sprake. Groeien, bouwen en ontwikkelen was het motto, zowel fysiek, als maatschappelijk.”

Arnold en ik hadden afgesproken in Strandbrasserie De Jutter om daar het verhaal van Monique en Arnold op te schrijven en tevens gezamenlijk een hapje te eten. We bladerden in de menukaart en na enig zoeken, kozen we beiden een hoofdgerecht en bestelden we een drankje.

Arnold ging verder: “Er kon veel in die tijd in Almere, omdat er geld was en omdat er faciliteiten waren. Je moest het vervolgens wel zelf doen. Zo had Monique vanaf het begin contact met de Almeerse Toneelvereniging. Ze kon direct als regisseur aan de slag, een van de vakken waarop ze was afgestudeerd in Maastricht. Nog voor we hier echt woonden, was ze al actief, zodat we al een aantal mensen kenden toen we op zestien oktober 1980 in Almere Haven kwamen wonen. Elders dacht men, als je naar Almere gaat, dan ben je niet goed wijs. Onze familie en vrienden begrepen er niets van. Ze hadden en hebben ongelijk, zoals je zelf weet.”

Het eten werd opgediend en we wachtten even. We haalden oude herinneringen op, vooral aan onze gezamenlijke tijd in de Almeerse gemeenteraad.
“Ik kwam in 1982 in de adviesraad”, zei Arnold, “en daarna in de gemeenteraad. In 1986 toen jij ook in de fractie kwam, werd ik fractievoorzitter. Het was een boeiende tijd.” De meest frappante anekdotes passeerden de revue tot we ons weer richten op de keuze van Arnold en Monique voor Almere.

Arnold zei: “Wat ik persoonlijk heel belangrijk heb gevonden, is dat je niet mee moet gaan in de mainstream. Je had hier kans op uniciteit. Mogelijkheden die er zijn, moest je zien en je moest ze pakken. Het ging niet vanzelf, maar veel nieuwe Almeerders hebben er wat van gemaakt.”

enthousiasme
Poldergeest, het eerste theaterstuk van Theater na Water

“Wij hebben kunnen doen wat we wilden” zei Arnold. “Monique en ik hebben de eerste professionele Almeerse en tevens Flevolandse Theatergroep van de grond getrokken.”
Arnold: “We deden met ‘Theater na Water’1veel locatie-voorstellingen, want er waren te weinig zalen beschikbaar. Bovendien wilde Monique ander publiek trekken dan het standaard theaterpubliek. We hebben in boerderijen gespeeld, op Schokland, ergens in Emmeloord, onder een viaduct van de A6 en ga zo maar door. We hebben zelfs op het Binnenhof gespeeld. Het archief van Theater na Water is in het Gemeentearchief van Almere opgenomen. Daar ben ik trots op.”

We waren uitgegeten en de borden en schalen werden weggehaald. Op de vraag of we een dessert wilden, schudden we eensgezind ons hoofd. Arnold wilde een koffie en ik vroeg om een cappuccino. Daarna kwamen we terug op de begintijd van Arnold en Monique in Almere en op hun verhuizing naar de Kerkgracht.

“Ik studeerde nog toen we in Almere kwamen wonen”, zei Arnold. “In 1986 ben ik bij de provincie Flevoland gaan werken op het gebied van ruimtelijke ordening. In 1990 ging ik halve dagen werken en ben ik een bureau begonnen voor Europees advieswerk. Iemand anders die het werk al deed, had mij gevraagd. Ondertussen waren wij verhuisd naar een flink pand aan de Kerkgracht. We hebben het voor een redelijke prijs gekocht en gebruikten het voor zowel het adviesbureau, als voor het theater. We woonden op de bovenste verdieping in een ruim appartement. Ik woon er nog, al ben ik, als dat enigszins mogelijk is, vaak in Kroatië. Daar hebben we een tijd geleden een huis gekocht in het plaatsje Motovun.”

De wederopbouw in Kroatië is vergelijkbaar met de ontwikkeling van Almere, vond Arnold. Eerst “die Wende”, daarna de oorlog en toen de wederopbouw. Een nieuwe situatie met nieuwe kansen. Vanaf 2000 was er weer van alles mogelijk, volgens Arnold.

Arnold vertelde dat hij in 2003 uit het adviesbureau is gestapt. Hij was toen vijftig jaar. “Ik heb veel mensen horen vertellen wat ze gingen doen als ze vijfenzestig werden, maar velen van hen haalden dat niet. Dat ging mij niet gebeuren.”
De panden die ze hadden in Almere verhuurden ze, behalve het appartement waar ze bleven wonen. Arnold startte een onderneming voor de projectontwikkeling van woningbouw in Kroatië. Ze bleven de dingen doen die ze leuk vonden, ook als ze in Kroatië waren. Monique en Arnold voelden zich vrij en onbezorgd, want wat er ook zou gebeuren, ze hadden altijd nog hun huis in Almere.

enthousiasme
Motovun, Istrië, Kroatië

Arnold zei: “We deden theater in Kroatië, maar ik had ook projecten voor woningbouw. We waren er zo’n vier tot vijf maanden per jaar. Ik heb daar twee documentaires gemaakt over Kroatië en overweeg om nog een documentaire te maken. Het maken van een documentaire is fantastisch om te doen. Het kost het je bakken energie, maar dan heb je ook wat. Het leukste werk vind ik het editen.”

Op mijn verzoek vertelt Arnold iets over de twee documentaires die hij gemaakt heeft.
Hij zei: “De eerste documentaire ging over de verschillende bevolkingsgroepen die in Motovun te vinden zijn. Tot de Tweede Wereldoorlog was Istrië, het deel waar ik woon, onderdeel van Italië. Toen dat bij Joegoslavië werd ingedeeld, zijn veel mensen uit Istrië vertrokken. Vanuit de steden is zeker tachtig procent van de bevolking weggetrokken naar elders. De bevolking is daarna onder Tito’s regering vanuit andere delen van Joegoslavië aangevuld. Na 2000 zijn er veel buitenlanders komen wonen. Die laatste groep heeft veel gerenoveerd. De vraag die we middels de film stelden, was of die verschillende groepen een gemeenschap konden vormen.”
Ik zei: “Het is een boeiende vergelijking met Almere. Er is verschil in historie en in de uitgangssituatie, maar uiteindelijk moeten mensen de kansen grijpen die er liggen en er zelf wat van maken, samen met andere nieuwkomers.” Arnold knikte instemmend en zei op zijn kenmerkende manier: “Precies, Folkert. Dat zag ik ook.”

De tweede documentaire gaat over de geschiedenis van Istrië, die nogal turbulent is geweest. Veel strijd, verschillende overheersers en diverse culturele invloeden. Nu moet de bevolking zich opnieuw aanpassen aan de economische situatie met een markteconomie en groeiend toerisme. Deze documentaire is gemaakt in samenwerking met de Universiteit van Pula.

Er viel een korte pauze en we babbelden nog wat door over de documentaires en creatieve processen. Vanuit die onderwerpen kwamen we op de relatie en samenwerking van Monique en Arnold.
Arnold keek me aan en zei: “Tegen 2010 is Monique gestopt met werken, omdat het qua gezondheid niet meer ging. Een moeilijke periode brak aan en helaas is Monique in januari 2017 overleden. Als je veertig jaar bij elkaar bent, komt dat hard aan. We zijn nooit echt teruggekomen naar Almere, want wij waren thuis op beide plaatsen, maar na Monique’s overlijden was het toch anders in Kroatië. Op een gegeven moment mis je je roots. Je Nederlandse roots en je zelf ontwikkelde, Almeerse roots.”

We schakelden over naar het hier en nu.
“Ik ben de laatste tijd meer in Almere”, zei Arnold, “en sinds enige tijd ben ik voorzitter van de raad van toezicht van Theatergezelschap Vis à Vis2. Het bloedt kruipt nu eenmaal waar het schijnbaar niet kan gaan.”
Op de vraag of Almere zijn thuis nog is, antwoordde Arnold, zoals dat bij hem past, afgewogen en genuanceerd: “In de eerste vijfentwintig jaar hebben wij veel geïnvesteerd in Almere en veel gedaan in en voor Almere. Almere hield na verloop van tijd op met ons en wij met Almere. Dat betrof ook het theatergezelschap. Subsidiegevers willen na verloop van tijd weer eens wat anders.”

“Is Almere jouw ideale thuis”, vroeg ik hem.
Arnold zei: “Ik hoef niet weg. Ik vind het hier aangenaam wonen. Wonen is in veel opzichten een compromis. Misschien wil ik wel op de Herengracht in Amsterdam wonen, maar afgezien van het feit dat het financieel niet haalbaar is, heeft het ook veel nadelen. Almere-Haven biedt veel, zoals een leuk centrum op loopafstand, verschillende gezellige terrasjes, een haven, strand en natuur. Amsterdam is slechts twintig minuten rijden. Daar ga ik naar toe als ik er zin in heb. Zo’n heerlijk appartement van tweehonderd vierkante meter kan ik nergens voor de zelfde prijs in deze regio krijgen. Almere is een mooi compromis van veel aspecten.”

 

Meander

“Er heerste enthousiasme”: © Meander; Almere; 5 maart 2018.

Foto’s:

Almere
Poster Theater na Water: Gemeentearchief Almere.
Motovun: @Meander. Bewerking op basis van Google Earth.

Voetnoten:

1               Theater na Water: zie stadsarchief Almere.
2               Vis à Vis  https://www.visavis.nl

“Er heerste enthousiasme” is het verhaal van Monique Lapidaire en Arnold Trampe over hun Almere. Een verhaal in het kader van Almere mijn Thuis”, het thema van “Suburbia in de Buurt”, een project van theatergroep Suburbia.
 

 

Wasdom

Wasdom


hij of zij was snel volgroeid                             


wilde niet studeren                        


jammer, dat was dom

 

 

 

Meander

 

“Wasdom”: © Meander; Almere; 28 september 2018.                        


“Wasdom” is een absurdijn over het woord wasdom.                           


Het absurdijn is een door Meander bedachte dichtvorm. Drie regels. Zeven, zes en vijf lettergrepen. 
Het absurdijn geeft de titel een betekenis die anders is dan je zou verwachten.


Wilt u meer absurdijnen lezen? Klik dan HIER.

Voor betekenis en herkomst van het woord wasdom, klik HIER.

Wonderlijk

Wonderlijk


lijk leek verder te leven                      


kadaverinsecten                              


wonder der natuur                              

 

 

Meander

“Wonderlijk”: © Meander; Almere; 14 september 2018.                        

Foto: Internet, maker onbekend.                                          


“Wonderlijk” is e
en absurdijn over het woord wonderlijk.

Het absurdijn is een door Meander bedachte dichtvorm. Drie regels. Zeven, zes en vijf lettergrepen.
Het absurdijn heeft een betekenis die anders is dan u normaal gesproken zou verwachten.

Wilt u meer absurdijnen lezen? Klik dan HIER.

Schier genoeg

Schier genoeg

Froukje deed de deur dicht, draaide de sleutel twee keer om, pakte haar blauwe rolkoffer en liep naar de auto. Nadat ze de rolkoffer in de achterbak had gelegd en de rugzak op de achterbank, startte ze de auto. Ze zag dat er nog genoeg benzine in de tank zat en reed met een gerust hart weg.
Het was negentien september, de dag waarop ze jaarlijks met Sjoerd op Schiermonnikoog verbleef, omdat het de datum was waarop ze elkaar hadden ontmoet. Het was tevens de dag waarop Sjoerd twee jaar geleden was overleden na een kort ziekbed van twee weken. Froukje was sindsdien niet meer op Schier geweest, maar vandaag en morgen wilde ze op hun eiland zijn. Een eiland dat ze zich eigen hadden gemaakt. Sjoerd en Froukje hadden er gekampeerd in de zomer en huisjes gehuurd in het najaar. Op Schiermonnikoog hadden ze genoten van de vrijheid, de natuur en van elkaar. “Daar ligt ons schiere Schier”, zei Sjoerd altijd als ze het eiland vanaf de veerboot zagen liggen.

Na lang in haar verdriet te hebben geleefd, besefte Froukje enkele weken geleden dat ze verder moest en dat ze verder wilde. Terwijl ze in de vroege morgen van Lemmer naar Lauwersoog reed, overdacht ze het gemis en de ontelbare, vaak onvoorstelbaar mooie herinneringen. Haar ogen werden vochtig en ze twijfelde heel even of ze het wel aankon. Ze vermande zich en wist dat Sjoerd wilde dat ze dit deed. Hij had het haar gezegd in de spaarzame momenten die hen overbleven tijdens die twee alles overrompelende, verdrietige weken.

Al meer dan twintig jaar werkte Froukje als docent geschiedenis op een school in Emmeloord. Daarvoor had ze geschiedenis en kunstgeschiedenis gestudeerd en een aantal jaren een galerie gehad met een atelier, waar ze wekelijks workshops en schilderlessen gaf. Ze was altijd blijven schilderen, maar wilde toen ze zwanger werd een vaste baan en verlegde haar aandacht naar haar gezin. Ze werkten beiden drie dagen en waren twee dagen thuis voor de jongens. Op dinsdag kwam Froukjes moeder, die in Sondel woonde.

Froukje was vierenvijftig, had roestbruin, oranjerood haar en heldere, groengrijze ogen. Ze had sproetjes, veel sproetjes, niet alleen op haar gezicht, maar overal. De sproeten versterkten de vrolijkheid die ze uitstraalde. Toen ze Sjoerd verloor kregen die vrolijkheid en bijbehorende blik een knauw, maar binnen een jaar had ze zich hersteld en was ze in ieder geval voor de buitenwereld dezelfde Froukje als altijd. Froukje een meter tweeëntachtig, net als Sjoerd. Ze hadden altijd veel gesport en ze was daar niet mee opgehouden. Hardlopen, fietsen, roeien en skiën waren de sportieve passies die ze met Sjoerd had gedeeld. In het begin had het sporten haar geholpen om het verdriet te verdringen tot acceptatie het overnam en ze het sporten ervoer als de voortzetting van haar leven, van hun leven.

Sjoerd en Froukje hadden twee zoons. Derk, hun jongste zoon, woonde in Maastricht en had een leuke vriend. Hij studeerde internationale betrekkingen en zijn vriend liep stage op een bekend advocatenkantoor. Derk was vernoemd naar zijn Groningse opa en Wytze, zijn oudere broer, naar zijn Friese pake. Wytze was achtentwintig en woonde al vier jaar in Nieuw-Zeeland, waar hij na zijn studie werktuigbouwkunde een jaartje zou gaan werken, maar hij had er zijn vrouw had ontmoet en binnen een jaar waren ze getrouwd. Acht maanden later werd een tweeling geboren. De derde was op komst. Als ze met elkaar belden via Skype, werd ze door de Engelstalig opgevoede tweeling van bijna drie jaar aangesproken met Beppe.
Froukje was een keer met Sjoerd naar Nieuw-Zeeland geweest. De tweeling was toen op komst. Vorig jaar was ze weer gegaan. Er waren momenten dat ze had overwogen er te blijven, maar haar werk, Derk, haar zussen, vrienden en vriendinnen maakten dat onmogelijk had ze vastgesteld. Volgend jaar zouden Wytze en Anna met de kinderen een maand naar Nederland komen. Ze keek er naar uit.

Na een rustige rit in de vroege ochtend, had ze alle tijd om de auto in de parkeergarage bij de haven van Lauwersoog te zetten. Een kaartje voor de boot had ze al.
De overtocht verliep vlot en rustig. Het was niet druk op de eerste boot, ondanks het mooie weer. De volgende boot zou overvol zijn, wist ze. Ze was buiten op het dek gaan zitten. Het was nog schemerig. De zon zou pas opkomen als ze op Schiermonnikoog aankwamen. Froukje had nog nooit alleen op de boot naar Schiermonnikoog gezeten. Ze keek hoe het eiland steeds meer kleur kreeg toen ze dichterbij kwamen.

genoeg

Op de steiger nam ze de bus. Een kwartiertje later stapte ze uit bij Noderstraun, waar ze rond de negentiende september altijd verbleven. Bij de receptie werd ze verwelkomd door Louise die er al jaren werkte. Louise verliet de receptie en condoleerde Froukje, waarna ze haar omhelsde. Louise zei: “Heel goed dat u weer gekomen bent mevrouw Peeters, want dit is volgens mij een belangrijke plek voor u.”
“Dankjewel, Louise,” zei Froukje, “dit is zeker een belangrijke plek voor ons, maar dat geldt eigenlijk voor het hele eiland.”
Louise gaf Froukje de sleutel van haar appartement. Hetzelfde appartement als altijd. Froukje glimlachte, pakte haar tas en nam de trap naar boven. Het appartement op de bovenste verdieping had uitzicht over de duinen met daarachter het strand en en de Noordzee. Ze zette haar tas op het bed en opende de deur naar het balkon waar ze een tijdje stond te kijken voordat ze weer naar binnen liep. Froukje zette thee, liep met de thee terug naar het balkon en ging in een rotan stoeltje op het balkon zitten. Ze verdween in herinneringen en liet ongemerkt de thee koud worden. Ruim een uur later stond ze weer op en dronk na enig fronsen met een glimlach de koude thee op. Ze ging naar binnen, pakte haar tas uit en kleedde zich om.

Toen ze het restaurant van Noderstraun inliep vroeg ze aan een jonge bediende of ze nog kon ontbijten. “Vanzelfsprekend, mevrouw. Die tafel aan het raam is vrij”, zei de jongeman met een Gronings accent, onderwijl wijzend naar een tafeltje in de serre. Het was vermoedelijk een stagiaire van de hotelschool in Leeuwarden, dacht Froukje.
Na een heerlijk ontbijt wandelde Froukje het strand op. Ze liep het strandpaviljoen voorbij tot ze aan de verschuivende grens van strand en water stond. Ze sloeg rechtsaf en wandelde bijna anderhalf uur naar het oosten tegen de wind in. Ter hoogte van paal negen keerde ze om. Het tempo richting het westen lag een stuk hoger, zodat ze een uur later in een stoel zakte op het terras van Paviljoen Paal 3.

Genoeg

Een verse muntthee werd vergezeld door een welverdiend stuk appeltaart met een uitbundige toef slagroom.
Froukje keek naast haar, maar Sjoerd zat er niet, al zat hij er voor haar gevoel wel. Ze pakte een schetsboekje en een setje potloden. Na tien minuten had ze de contouren van de bovenzijde van een hoekje van het windscherm van het strandpaviljoen geschetst met een luid krijsende meeuw die vanaf de rand van het windscherm naar de borden op de tafels van de dichtstbijzijnde gasten loerde. Toen ze klaar was met de schets stopte ze tevreden de spullen in haar rugzak en bestelde nog een muntthee. Die schets werk ik thuis wel uit, dacht Froukje. Nadat ze de thee had opgedronken, wachtte ze nog een tijdje. Ze zag er tegenop, besefte ze, dus stond ze op want ze wilde naar hun speciale plekje ergens voorbij paal twee. Ze liep naar de bar om af te rekenen, waarna ze Sjoerds rugzak omdeed, het strandpaviljoen verliet, de trap naar beneden nam en in de richting van de vuurtoren haar wandeling over het strand voortzette zo dicht mogelijk langs het zich terugtrekkende water van het afgaande tij.

Vijfentwintig minuten later liep ze in de richting van de duinen. Vlakbij het duin keek ze om zich heen. Niemand te zien. Ze klom omhoog en liep een klein stukje door, sloeg rechtsaf en vond hun duinpannetje. Wind die door het helmgras zong en het geruis van de branding waren de enige geluiden die ze hoorde.
Froukje pakte het kleed dat ze altijd bij zich hadden, ging er op liggen en deed de rugzak als kussen onder haar hoofd. Terwijl ze omhoogkeek, dacht ze aan Sjoerd. Na enige tijd viel ze in slaap en droomde ze op en over de hun stekkie. Een stukje eiland dat niemand anders kende. Dat was misschien niet helemaal waar, maar daar ging het niet om. Er was nog nooit iemand langs gekomen als zij hier hadden gezeten, gelezen, gekletst, geslapen, of gevreeën. In haar droom sliep ze bij hem en met hem en net toen ze weer tegen elkaar aankropen, schrok ze wakker. Ze hoorde stemmen. Kwamen de stemmen van het strand? Of toch? Nee, tot haar opluchting verwijderden de stemmen zich en de geluiden van de natuur kregen de overhand. Het schelle gefluit van een scholekster klonk vanaf het strand.

Meer dan een kwartier lag Froukje naar de wolkeloze hemel te staren. De zon brandde, maar niet zo hard als in de zomer. “Dankjewel, Sjoerd”, fluisterde ze met tranen in haar ogen. “Dankjewel dat je weer even bij me was. Ik zag je en ik voelde je.” Toch voelde Froukje zich ongemakkelijk. Ze stond op en pakte haar spullen in. Via het Westerburenpad liep ze terug naar het dorp om even bij Van der Werff op het terras te gaan zitten. Vlak voor ze het dorp in liep, stond ze plotseling stil. Dit was de laatste keer realiseerde ze zich. Sjoerd heeft afscheid genomen en wil dat ik verder ga, dacht ze. Ze voelde dat ze heel hard wilde huilen, maar er gebeurde niets, omdat ze zich tegelijkertijd verdrietig en gelukkig voelde. Gelukkig om wat ze hadden gedeeld, verdrietig, omdat het onomkeerbaar voorbij was, maar ook gelukkig, omdat ze verder kon. Ze liep langzaam door naar Van der Werff, beduusd door haar eigen conclusies.

Froukje bestelde koffie om zichzelf wakker te schudden. Ze had liever een dubbele espresso gehad, maar Van der Werff had al sinds mensenheugenis maar een soort koffie, gewone koffie.
Aan het tafeltje naast haar zat een man in een krant te bladeren. Een sigaret hing half uit zijn mond en de wind blies de rook in haar richting. Toen de man een nieuwe sigaret wilde opsteken, vroeg ze hem of hij dat alsjeblieft niet wilde doen, omdat ze er last van had. De man keek haar minachtend aan, reageerde niet en stak de sigaret aan. Het volgende moment werd de sigaret uit zijn mond getrokken, op de grond gegooid en uitgetrapt. “Wat flik je me nou, Tom?”, riep de man vragend.
“De dame vroeg je beleefd om niet te roken, Kees”, zei de man die kennelijk Tom heette.
Kees die de behoefte had om te laten zien dat met hem niet te sollen viel, vroeg: “Ja, en?”
Tom zei niets terug en ging op de andere stoel aan het tafeltje van Kees zitten, derhalve zat hij direct naast Froukje. Hij gaf Froukje een hand en zei: “Tom Elshout, aangenaam.”
“Froukje Peeters, eh, Van der Linden, aangenaam. En u heet?”, vroeg ze aan Kees. Kees lachte onhandig, stond op, gaf haar een hand, zei sorry en stelde zich voor als Kees Mulder. “Ik was niet helemaal in mijn hum, omdat de zaagmachine vast is gelopen. Kost me uren om het te maken, maar daar hoef jij geen last van te hebben.”
“Vervelend voor je”, zei Froukje.
“Willen jullie iets drinken?”, vroeg Tom.
“Biertje”, zei Kees voor zijn beurt.
Tom keek naar Froukje. “Koffie, alsjeblieft”, zei ze.
“Geen wijntje?”, vroeg Kees. Tom schudde zijn hoofd, maar reageerde niet op Kees. Hij liep naar binnen om de bestelling te halen.

Tom kwam terug met twee koffie en een biertje.
“Zijn jullie eilanders?”, vroeg Froukje die het idee had dat ze Kees wel vaker had gezien, maar Tom niet.
“Hij wel,” zei Tom, terwijl hij zijn hoofd met een korte knik in de richting van Kees bewoog, “maar ik niet. Ik woon in Alkmaar. We hebben hier al dertig jaar een prachtig huis, maar ik verkoop het.”
“Wat jammer”, zei Froukje. “Waarom verkoop je het, als ik dat vragen mag?”
“Het is niet leuk meer. Mijn vrouw is vier jaar geleden overleden en alleen is er niets meer aan.”
Froukje zei beschaamd: “O, sorry, ik wilde niet…”
“Geeft niet. Kon jij toch niet weten. Het voelt niet goed meer. Ik ben hier twaalf tot vijftien weken per jaar en de rest van de tijd wordt het verhuurd. Mijn zoons en hun gezin komen alleen als ik er ben. Er zijn ook nog drie appartementen die verhuurd worden.”
Kees zei: “Je hebt zo een koper, want die grote woningen zijn zeer gewild, vooral bij Duitsers. Die kopen het, komen een paar weken per jaar naar het eiland en voor de rest staat het leeg. Verhuren doen ze niet. Triest.” Tom haalde zijn schouders op.
“Ga je dan nog wel naar Schier als je hier geen huis meer hebt?”, vroeg Froukje aan Tom, zonder aandacht te schenken aan de opmerkingen van Kees.
“Geen idee”, zei Tom. “Dat zie ik nog wel.”

Ze spraken over het eiland, de veranderingen op Schiermonnikoog, de drukte en over het warme weer van de afgelopen zomer. Het liep al tegen zessen toen Tom vroeg: “Ben jij hier alleen?”
“Ja, mijn man en ik kwamen hier vaak en in ieder geval altijd rond deze periode, maar nu ben ik alleen. Sjoerd is twee jaar geleden overleden.”
Kees wilde iets zeggen, maar hield net op tijd zijn iets te grote mond.
“Gecondoleerd”, zei Tom. “Dat moet niet gemakkelijk zijn om dan weer terug te komen.”
“Dankjewel”, zei Froukje. “Ik was er na twee jaar aan toe en het bevalt me prima.” Tom knikte, voelde wat zij voelde, maar zei niets meer. De ober kwam en Tom rekende af. Froukje bedankte Tom. Ze gaven elkaar een hand en gingen elk hun eigen weg.

Vier weken later was het stevig herfstweer. Er was een noordwesterstorm voorspeld met wind tot kracht elf aan de kust en op de Wadden. De herfstvakantie was voor haar al begonnen, omdat ze van maandag tot en met woensdag werkte. Eigenlijk hoefde ze niet meer te werken. Sjoerd had een goede levensverzekering en ze had voldoende inkomsten uit de schilderijen die ze maakte. Froukje had besloten dat het een mooi moment was om naar Schier te gaan. Ruig weer en weinig toeristen. Sinds de vorige keer had ze iedere keer aan Schiermonnikoog gedacht en wilde ze er weer naar toe. Ze had een keer gedroomd over Sjoerd en over de ontmoeting met Kees en Tom. Ze had zelfs over de drie mannen samen gedroomd. De drie mannen waren in haar droom aan het jutten op het strand.

Op vrijdagochtend reed ze in alle vroegte naar Lauwersoog om met de eerste boot naar Schier te gaan. Ze had dit keer bij Hotel Graaf Bernstorff geboekt. Zondagavond ging ze weer terug. Met de laatste boot, dacht ze. Het weer was al onstuimig en het was maar de vraag of de boot ging. Uiteindelijk werd besloten dat de boot toch zou varen. Froukje liep over de steiger naar de boot en nestelde zich binnen in een hoekje bij een raam. Waarom ben ik toch zo gespannen, dacht ze.
“Mag ik bij u komen zitten?”, vroeg een bekend klinkende mannenstem.
Froukje keek op. “Jeetje, Tom. Dat is toevallig. Kom erbij zitten.”
Tom gaf haar een hand en vroeg: “Zal ik eerst even koffie halen?”
“Mag het ook warme chocolademelk zijn?”, vroeg Froukje.

Even later zaten ze tegenover elkaar met elk een beker warme chocomelk. “Waarom ga jij naar Schier vandaag?”, vroeg Froukje.
“Eigenlijk weet ik dat niet, maar ik heb geen verplichtingen en dacht, kom laat ik naar Schier gaan. Kan ik het huis controleren met het oog op de storm en eventueel nog wat opknappen. Over twee weken komt er een mogelijke koper.”
Froukje kreeg het gevoel dat hij argumenten zocht om zijn tocht naar Schier te verklaren. Ze zei: “Ik heb al sinds de vorige keer dat ik er was voortdurend de behoefte gevoeld om weer te gaan. Het onstuimige weer, de aangekondigde storm waren de uitdaging die ik blijkbaar nodig had.” Tom glimlachte, nam een slok van zijn chocolademelk en deed er het zwijgen toe. Froukje keek een tijdje naar buiten tot ze zich omdraaide en iets tegen Tom wilde zeggen, maar ze begonnen tegelijk te praten. Het viel even stil, waarna ze lachten.
“Wat wilde je zeggen?”, vroeg Tom.
“Jij eerst”, zei Froukje.
“Waar overnacht je, waar eet je vanavond en is het een idee dat we vanavond samen ergens gaan eten?”
Froukje grinnikte om zijn spontane vragen en zei: “Dat zijn drie vragen. Om met de laatste te beginnen, dat is een goed plan, waarmee de tweede eveneens is beantwoord. Ik heb een kamer in Bernstorff. Waar zou je willen eten?”
Tom reageerde haast verlegen door haar directe antwoorden en zei langzaam: “Juist ja. Om de Noord dacht ik, je bent mijn gast.”
“Om de Noord is fijn, maar we doen samsam”, was Froukjes reactie. Ze was blij dat hij haar had gevraagd, want ze had op het punt gestaan hem te vragen. Ze merkte dat de spanning van daarstraks verdwenen was.

Toen ze van de boot afliepen zei Tom dat ze mee kon rijden, want Kees stond al klaar met de Landrover om hem naar zijn huis te brengen. Froukje vond het prima. Kees had verrast opgekeken en haar een hand gegeven. “Dag Kees, leuk je weer te zien”, zei Froukje. Tom vertelde Kees dat ze elkaar op de boot waren tegengekomen en dat ze Froukje even naar het hotel moesten brengen.
“Ja, ja”, zei Kees. “Natuurlijk, altijd.” Hij dacht er zo het zijne van, maar hield voor de verandering wijselijk zijn mond. Froukje werd afgeleverd bij Bernstorff en Tom sprak af dat hij haar tegen zessen zou halen.

Kees vroeg Tom, terwijl ze wegreden: “Toevallig, halen?”
“Niet mee bemoeien Kees. Gewoon een aardige vrouw en vanavond gaan we gezellig uit eten.”
“O, nou wij eten graag mee.”
“Wat denk jezelf, Kees?”
Kees zei quasi verongelijkt: “Taxichauffeur, bouwvakker, vriend, manusje van alles, maar mee-eten? Ho maar.” Tom gaf Kees een dreun tegen zijn schouder en lachte hem uit. Kees grijnsde en zei: “Veel plezier.”

Tom stapte uit bij zijn huis aan het Karrepad. Hij pakte zijn rugzak, zei tegen Kees dat ze elkaar morgen wel zouden zien en sloot de deur van de auto. Kees drukte een keer op de claxon en reed weg. Tom liep het pad op naar het huis. Met het oog op de verkoop, had hij de appartementen niet meer verhuurd. De storm die voor de volgende ochtend was voorspeld, kondigde zich meer en meer aan. De wind gierde om het huis en de bladeren joegen door de tuin. Tom zette zijn rugzak binnen en liep weer naar buiten om een rondje om het huis te doen. Alles zag er goed uit. Er lagen geen losse dingen in de tuin. De storm zou geen vat krijgen op het huis. Toch sloot Tom de luiken aan beide zijkanten en de achterkant van het huis. Hij zette ze vast met een dwarsbalk die hij in de speciaal daarvoor aangebrachte haken schoof. De voorzijde lag uit de wind. De luiken aan die kant konden openblijven, maar hij controleerde toch of ze niet los konden schieten. Tevreden ging Tom naar binnen en zette koffie, voordat hij begon aan een lijst met klusjes die hij wilde afwerken om zo de potentiële kopers te verrassen met een huis zonder gebreken.
Tegen vieren was Tom het zat. Hij ruimde het gereedschap op, legde het materiaal in een doos en pakte een veger om de rommel die hij had gemaakt bij elkaar te vegen. Met blik en veger werd het afval in een ouderwetse vuilnisemmer gekieperd, waarna hij de stofzuiger pakte om de laatste restjes papier en stof weg te werken. De drie appartementen voor de bed & breakfast waren klaar. Morgen en overmorgen zou hij het lijstje verder afwerken. Misschien de twee slaapkamers schilderen en anders volgende week maar.

Het huis van Tom en zijn vrouw Eline was vrij ruim. Een grote woonkamer die doorliep in een keuken, een serre met schuifdeuren naar de kamer en naar de tuin en twee ruime slaapkamers. Aan de voorzijde van het huis en achterin de tuin stonden zitjes. Een houten schuurtje voor fietsen en gereedschap was tegen het huis aangebouwd. De tuin had een oppervlakte van ruim tweeduizend vierkante meter en liep af van het duin langs de woning naar de weg. Er stonden drie oude dennen, twee jonge eiken en langs de randen van de tuin vormde een brede rij duindoorn, hier en daar onderbroken door een stuk helmgras, een natuurlijke erfscheiding. Het gras op de zanderige grond was kort en zat vol met mos. In de struiken rond de tuin huisden fazanten. Vanaf het voorjaar kwamen de fazanten met hun kroost eten halen. Ze waren zo gewend aan de vaste bewoners dat ze naar binnen liepen als de schuifdeuren aan de tuinzijde open stonden.

Toen Tom zich na een verfrissende douche had aangekleed, vroeg hij zich af of zijn kleding niet te simpel was voor vanavond. Hij opende een kastdeur, keek eens in de spiegel, schudde zijn hoofd, lachte in zichzelf en dacht: Doe niet zo raar, je hebt op het eiland nog nooit iets anders gedragen dan dit soort kleding. Spijkerbroek, onderhemd, donker, geruit overhemd en ruige wandelschoenen. Goed genoeg, vond Tom. Hij pakte zijn jas, liep naar buiten, deed de deur op slot en wandelde via het Helmsnijderspad, het Karelspad en de Middenstreek het dorp in.

Tegen half zes liep hij Bernstorff binnen. Hij zag Froukje zitten aan een lange tafel waar nog meer mensen zaten. Ze was zo verdiept in een boek dat ze niet merkte dat Tom tegenover haar kwam zitten. Hij zei niets. Een bediende kwam aanlopen en vroeg wat hij wilde drinken. Froukje keek op en een glimlach verscheen op haar gezicht. “Hoe lang zit je hier al?”, vroeg ze.
“Een uurtje”, zei Tom zo serieus mogelijk.
Froukje zei: “Ja hoor. Sorry, dit is zo’n goed boek.”
Tom zei: “Ik ben er net, maar je was zo ver weg in dat boek, dat ik maar ben gaan zitten.”
“Fraai is dat”, zei Froukje. “Moeten we al weg?”
“Welnee. Het is toch maar twee minuten lopen en ik heb net een lekker biertje besteld. Wil jij nog iets?”
“Nee, ik heb nog.” Dat had Tom wel gezien, maar beleefdheid was ook iets.

Tom kreeg zijn biertje. Froukje vroeg hem of hij iets over zijn huis op Schiermonnikoog kon vertellen. “Ik zal het je laten zien”, zei Tom. “Het ligt aan het Karrepad niet zo ver van de witte toren. Het is vrij groot, daarom hebben we die drie appartementen voor bed & breakfast gemaakt. We hadden die ruimte niet nodig. Ruim dertig jaar geleden konden we het kopen. Eline en ik hebben het hier samen met de jongens altijd naar ons zin gehad, maar zoals je weet, als je niet meer samen bent, mis je iets en vooral op die plek waar je graag samen was.” Het was de eerste keer dat hij Eline’s naam had genoemd in Froukjes bijzijn.
Froukje slikte een keer en voelde de emoties door haar lijf gieren. Ze vroeg: “Vind je het niet lastig om over Eline te praten?”
“Nee, want ik heb het verlies en verdriet geaccepteerd en zal verder gaan, ook in het belang van Mark en León. Waarom zou ik niet over haar praten? Ze was mijn leven en mijn liefde. Van het ene op het andere moment was ze er niet meer door een hersenbloeding.” Tom schrok toen hij zag dat Froukjes ogen vochtig waren. “O shit, sorry, ik hield geen rekening met jou. Dat spijt me heel erg.”
“Dat hoeft niet”, zei Froukje. “Net als jij, heb ik mijn momenten dat ik het voel en dat is goed, want dat is liefde. Mijn Sjoerd is mijn held, maar hij is er niet meer. Ik zal leven zoals we altijd hebben geleefd, intens.”
Tom was onder de indruk van wat ze zei en hoe ze het zei en wist niet goed wat hij moest zeggen.
“Wat is er?”, vroeg Froukje.
“Ik weet even niet wat ik moet zeggen. Hier zitten we. Twee mensen die hun allerliefste zijn verloren en er met elkaar over te praten. Ik vind het best lastig, maar heb er ook geen moeite mee, in ieder geval niet met jou.”
“Dat geldt voor mij ook. Ik ben vierenvijftig en mijn leven is nog lang niet voorbij. Ik geef geschiedenis op een school in Emmeloord en de rest van de tijd schilder ik. Veel portretten, maar ook landschappen en fantasieën. Heerlijk om te doen en eigenlijk zou ik het liefst alleen nog schilderen, maar lesgeven is ook leuk, dus combineer ik.”
“O”, zei Tom enigszins overdonderd, waarop Froukje in de lach schoot.
“O, wat?”, vroeg Froukje.
“Nou dat is nogal wat en dat moest ik even verwerken.”
“Ja, ja. Hoe oud ben jij en wat doe je zoal?” Tom grinnikte. Froukje keek hem aan en zei: “Nou?”
“Ik werkte in de ICT, heb veertien jaar geleden mijn bedrijf verkocht en ben toen freelance adviseur geworden. Eerst voor ICT-bedrijven, maar later vooral voor directies van allerlei bedrijven. De laatste twee jaar heb ik nauwelijks nog gewerkt. Het hoeft niet meer. Ik fiets en loop veel, maak af en toe meubels van hout dat ik op het strand vind en was altijd graag hier. Ik ben niet vaak thuis. Meestal ben ik op het strand van Castricum, Egmond of Schoorl.” Terwijl Tom vertelde, observeerde Froukje hem. Grote kerel, ongeorganiseerd donker haar met hier en daar een grijs draadje, zorgeloze baard, typische eilandkleding. Leuke vent, dacht ze.
Tom wilde nog iets bestellen, maar Froukje keek op haar klokje en zag dat het al bijna half zeven was. “We komen te laat”, zei ze.
Tom schudde zijn hoofd. “Welnee. Het is rustig en gereserveerd is gereserveerd.”
“Heb jij gereserveerd?”
“Jazeker.” Froukje vroeg om de rekening en zei dat ze het op haar kamer konden zetten. Ze wuifde het protest van Tom weg. Goed ingepakt liepen ze samen naar Om de Noord. Froukje stak haar arm door die van Tom.

Het diner in Brasserie Om de Noord was uitstekend. Er waren twaalf gasten, wat genoeg was voor een prettige en gezellige sfeer. Ze kletsten honderduit, want ze wilden elkaar zoveel vertellen. Tegen half elf vroegen ze om de rekening. Froukje pinde en Tom gaf haar de helft contant. Buiten gekomen was de aarzeling bij beiden merkbaar. Tom wilde iets zeggen, maar Froukje was hem voor. “Mag ik het huis zien, voordat je mij terugbrengt naar Bernstorff?”
“Graag”, zei Tom.

Via de Badweg, de Noorderstreek en de Torenstreek wandelden ze naar het Karrepad. Het buitenlicht was aan en Tom had een lamp in huis laten branden.
“Jeetje, je hele dak ligt vol met zonnepanelen”, zei Froukje.
“Ja. Dat wil zeggen zonnepanelen en heatbuizen geïntegreerd in de dakstructuur. Ik heb drie batterijen in een ruimte naast de schuur. Dat is wel duur, maar dat scheelt veel in de winter.” De verwarming, het warme water en de stroom in huis draaien voor tachtig procent op die techniek in combinatie met een hele grote boiler. Binnen heb ik een pelletkachel om in de winter bij te stoken. De pelletkachel verwarmt het water dat deels gebruikt wordt voor de luchtverwarming van het huis. Het is niet honderd procent fossielvrij, maar wel bijna altijd zelfvoorzienend. Per saldo leveren we aan de energiemaatschappij.”
Hij kan hier helemaal niet weg, dacht Froukje. Ze zei: “Schitterend, dat zal niet simpel geweest zijn.”
“Nee het kostte veel moeite in het begin, maar nu plukken we er de voordelen van. Je komt vooral ambtenaren en anderen tegen die weten waarom het niet kan en een oplossing hebben ze niet. Uiteindelijk is het gelukt. Kees wil het nu ook en ik ga hem daarbij helpen.” Zie je wel, dacht Froukje, je kan hier helemaal niet weg, Tom. Ze gingen naar binnen. Froukje keek om zich heen en zei: “Wat een prachtig huis en helemaal van hout. Je kunt hier gewoon wonen.”
“Wat we minstens twaalf weken per jaar deden en soms wel eens langer”, zei Tom.

Tom leidde Froukje rond en liet haar het huis en de bed & breakfast zien. De bed & breakfast had een gezamenlijke badkamer, maar wel een hele fraaie en er was een klein keukentje waar je met zes personen kon ontbijten en zelfs koken. “Wie regelt de bed & breakfast als je hier niet bent?”, vroeg Froukje.
“Wat denk je? Kees en zijn vrouw Tiny. Ze doen dat ook als we er wel zijn. Ik hoop dat de nieuwe eigenaar met ze verder gaat. Kees vindt het helemaal niets dat ik het verkoop en Tiny vind het een drama. Zij en Eline waren goede vriendinnen. Ze krijgen dertig procent van de verhuur in de zomer en vijftig procent van de marge in de winter. Wij vonden het belangrijker dat er mensen kwamen die van Schier genoten en dat die goed verzorgd werden, dan dat wij eraan moesten verdienen.” Froukje begon de verhouding tussen Kees en Tom een beetje beter te begrijpen en vroeg zich af wat het voor Kees betekende als Tom vertrok, maar ze vroeg het niet.

Ze liepen terug naar de woonkamer. “Wat wil je drinken?”, vroeg Tom. “Koffie?”
“Dat kan, maar heb je ook bier of een whisky, of ben ik dan te brutaal?”
“Doe niet zo gek. Een Duveltje?”
“Ja, lekker.”
Tom haalde twee Duvel-biertjes met bijbehorende glazen en vroeg waar ze wilde zitten.
“Aan de keukentafel?”
Tom glimlachte en zei: “Daar zit ik meestal.” Ze zaten tegenover elkaar, schonken het bier voorzichtig in het glas en en waren een tijdje stil. Vanaf de ontmoeting op de boot tot nu was het een onverwachte en verrassende dag voor hen geworden. Na het biertje vroeg Froukje of Tom haar naar het hotel wilde brengen.
“Fietsen we?”, vroeg Tom.
“Nee, lopen graag”, antwoordde Froukje. Dat duurt langer dacht ze. Ze schrok een beetje van zichzelf, maar glimlachte van binnen.

Gearmd liepen ze naar het hotel. Daar aangekomen gaf Froukje Tom drie zoenen op zijn wang en zei: “Dankjewel voor deze bijzondere dag. Wanneer zie ik je weer?”
“Jij bedankt, want dit doet me goed. Wanneer mag ik je weer zien?”
Froukje zei: “Wanneer je maar wilt.”
“Morgen tien uur? Dan leen ik de Landrover en doen we een rondje Schier, deels illegaal.”
“Is dat niet wat laat?”
Tom lachte en zei: “Acht uur ben ik hier.”
Ze gaf hem nog een zoen op zijn wang en zei: “Welterusten.” Tom keek haar na, vroeg zich af wat er gebeurde en waarom hij net vandaag naar Schier was gegaan.

Froukje liep de trap op nadat ze de sleutel had gehaald en dacht: Jezus, je bent verliefd gek mens. Dat kan echt niet. Of wel? Het duurde uren voor ze sliep en ze vergat de wekker te zetten.
Om half acht ging Froukjes telefoon. Ze schrok wakker. De receptie van het hotel zag ze. Ze nam op. “Goedemorgen.“
“Goedemorgen, mevrouw. Het is half acht, mevrouw. Meneer Elshout belde of acht uur nog steeds akkoord was.” Froukje moest lachen, maar was ook verbouwereerd, omdat het al half acht was. Ze had zich verslapen.
“Mevrouw?”, klonk het vragend in de telefoon.
“Ik ben om acht uur beneden”, zei Froukje. Tja, wat nu. Ze zette haar efficiënte modus aan en joeg zichzelf door toilet, douche en het kiezen van de juiste kleding. Om twee minuten voor acht liep ze naar beneden.

Een donkergroene landrover stond voor de deur en Tom zat aan zijn tweede koffie. “Het was toch acht en geen zeven uur?”, vroeg Froukje. Ze liep naar de tafel en Tom stond op. Ze keken elkaar aan en gaven elkaar een kus, waarna ze gingen zitten. Nog een koffie later liepen ze naar buiten en stapten ze in de landrover. De storm woedde hevig en de wagen schudde alle kanten op, vooral toen ze buiten het dorp op de geheel verlaten Badweg reden. Aan het einde van de Badweg reed Tom Noderstraun voorbij en verderop reed hij het strand op. Er reed nog een landrover. “Kees”, zei Tom. “Normaal gesproken gaan we samen jutten, maar deze keer niet. Bovendien is hij te vroeg.” Na enige tijd reden ze voorbij het badstrand. De storm beukte op de zijkant van de wagen en het zand joeg over het strand. De branding had minstens een derde van het strand in bezit genomen. De storm zou het eiland flink aanpassen, al groeiden de nieuwe duinen al bijna dertig jaar en was het strand in die drie decennia een paar honderd meter breder geworden.

In de buurt van paal elf draaide Tom de wagen in de richting van de zee en stopte. Hij liet de motor draaien. “We zouden naar buiten kunnen gaan, maar dat is niet verstandig. Te gevaarlijk voor je ogen al dat zand.”
“En als je gaat jutten?”
Tom greep naar de achterbank en liet een dikke overal zien en een skibril. “Het is nog te vroeg om te gaan jutten. Je moet gaan als de storm gaat luwen, want dan ligt het strand vol met hout en andere spullen die overboord zijn geslagen of gegooid. dat aanspoelen kan wel een week doorgaan.” Hij keek naar Froukje en vroeg: “Heb je ook zo goed geslapen?”
Froukje zei: “Uiteindelijk wel, maar ik ben in de war van gisteren.”
“Ik ben in de war van jou en weet niet wat ik er mee aan moet”, zei Tom.
Ze keek hem aan en zei: “Eenvoudig zal het niet zijn, maar ik weet wel wat ik er mee aan zou willen.” Ze boog zich naar hem toe en gaf hem een kus.
“Kunnen we dit, Froukje?”
“Weet ik niet, maar als we het niet proberen, komen we er niet achter.”
“Maar hoe moet dat dan? Jij in Lemmer en ik in Alkmaar.”
“Waarom ga je hier weg, als je het hier zo naar je zin had? Alleen omdat je Eline mist, of…?”
“Sinds gisteren twijfel ik, maar ik wil niets overhaast doen en kan wachten. Weet je Schier was zo van ons en we hadden zo onze eigen dingen hier.”
“Sjoerd en ik hadden een eigen plekje waar we altijd naar toe gingen, zelfs als het slecht weer was. Ik ben vorige keer naar dat plekje gegaan en wist toen nog niet dat het mijn afscheid van Sjoerd betekende, maar hij wel. Hij heeft me op die plek op weg geduwd toen ik in slaap was gevallen en ik met hem droomde.”
“Wauw”, zei Tom. “Eline heeft niet meer met mij kunnen praten, maar ik weet wel wat ik nu zou willen.” Hij pakte met zijn grote handen Froukjes beide armen beet en vroeg haar: “Zullen we het proberen? Zullen we elkaar willen leren kennen?”
“Lieve Tom, het voelt zo goed, dat ik niet zou weten wat nog een bezwaar zou kunnen zijn. Mag ik nog een kus?”
Tom merkte dat zijn ogen vochtig werden. Hij zei: “Wat ik ook nog had gedacht, maar dit niet.” Ze bogen naar elkaar toe, zo goed en kwaad als dat kon in een landrover, en zoenden elkaar, zacht en voorzichtig.

Tien minuten later startte Tom de motor en reden ze nog een stuk verder tot de wind nog sterker werd. Tom keerde de landrover. Bij het badstrand reden ze het strand af en via de Prins Bernhardweg gingen ze terug richting dorp. Bij de Wassermannbunker stopte Tom en vroeg aan Froukje. “Gaan we even op de Wassermann kijken?”
“Ja, leuk.” Ze liepen omhoog en klommen bovenop de bunker. De storm raasde over hen en als ze wat tegen elkaar wilden zeggen, moesten ze schreeuwen, dus zwegen ze maar. Froukje ging voor Tom staan. Ze was dan wel een meter tweeëntachtig, maar hij was een meter zesennegentig en kon over haar heen kijken. Tom deed zijn armen om haar heen en zo stonden ze een tijdje. Af en toe draaiden ze een stukje om de storm vanuit een ander perspectief te zien. Froukje draaide zich om en klemde zich vast aan Tom. Ze begroef haar hoofd in zijn jas en huilde. Ze huilde hard met lange uithalen. Tom deed zijn armen wat steviger om haar heen. Ze werd rustiger en ze bleven nog poosje zo staan.

Tegen twaalf uur parkeerde Tom de landrover voor de deur van Kees en Tiny en legde de sleutel in een kastje aan de buitenmuur. Er was niemand thuis. Het huis van Tom lag tweehonderd meter verder. Eenmaal binnen keken ze elkaar aan, hielden elkaar vast en liepen samen naar de keuken om een flinke borrel in te schenken. Ze zaten een tijdje op de bank, een tijdje aan de keukentafel en toen weer op de bank. Tom zei op een gegeven moment: “Kunnen we niet op Schiermonnikoog gaan wonen? Dan verkoop ik het huis niet, kun jij schilderen en worden we echte eilanders.”
“Oei”, zei Froukje. “Dat klinkt geweldig, maar ik kan niet van de ene op de andere dag stoppen op school, begrijp je? En lopen we niet te hard van stapel?”
“Ik begrijp het en we moeten de tijd nemen, maar als ik het verkoop ben ik het kwijt.”
“Oké, maar ik mag er wel over nadenken.”
“Je moet alleen doen wat je echt wilt, Froukje.” Tom keek naar haar en vroeg: Hoe zie je mij?”
“Ik, Tom? Hoe ik je zie? Ik wil je weten. Alles wil ik van je weten. Ik ben verliefd op je en ik hou van je en weet ik veel.”
“Juist”, zei Tom. Het was even stil voor hij verder ging: “Dat is bij mij niet anders. Ik voel geen belemmeringen. Ik voel toekomst, leven, nieuw, met jou, maar ik begrijp ook dat we onze kop erbij moeten houden, maar niet de hele tijd toch?”
Froukje stond op en ging met haar gezicht naar Tom toe op zijn schoot zitten, beide benen om hem heen. Ze zei niets, maar pakte zijn hoofd en kuste hem. Ze bleef hem kussen en Tom liet zich niet onbetuigd. “Kom” zei ze. “Kom, Tom.”
“Ja maar?”
“Nee niet in jullie kamer. In een appartement. Kom bij mij, kom met mij.”
Tom wist niet wat hem overkwam. Ze liepen naar een van de appartementen, kleedden zich uit alsof ze elkaar al jaren kenden, douchten samen, droogden elkaar af en vreeën tot ze niet meer konden. Om elf uur ’s avonds werden ze wakker. Froukje kroop dicht tegen hem aan en Tom zei: “Morgen zien we wel verder.”
“Morgen is schier genoeg”, zei Froukje en ze vielen weer in slaap.

 

Meander

“Schier Genoeg”: © Meander; Almere; 29 augustus 2018.
Foto’s © Meander; Schiermonnikoog; 25-29 juli 2018.


“Schier genoeg” is gebaseerd op de vertellingen van vier mensen die de auteur kent. Zij houden van Schiermonnikoog. Een van de vier is er helaas niet meer. De anderen? Twee wonen op Schiermonnikoog en eentje komt er meermaals per jaar.
Het verhaal is een combinatie van die vertellingen en de fantasie van Meander. De namen en de genoemde adressen en woonplaatsen van Froukje, Kees en Tom zijn fictief.


Schier betekent in het Gronings goed, of mooi.


“Schier genoeg” zal worden opgenomen in het boek “Schiermonnikoog; Verhalen van eilandliefhebbers. Deel 2” Dit boek zal in het voorjaar van 2019 worden uitgegeven. Samenstelling door Ed Kieckens. Informatie over dit boek kunt u vinden op www.schierweb.nl en de Facebookpagina ’s Schierweb en Schiermonnikoog.

Wilt u deel 1 bestellen? Klik dan op Bestellen Deel 1.

 

Parallel

Parallel

oude herinneringen dwarrelen gestaag                      

als bonte, verkleurende herfst naar het eind                        

in stille levenswinter telkens weer géén vraag                     

omdat jouw wereld zich ongeremd verkleint                       


ongedachte vragen zonder enig antwoord                        

vullen de leegte van een niet gevoerd gesprek                    

niet weten wat de een zegt en de ander hoort                      

slechts historie bestaat nog op jouw eigen plek


vervliegend verdriet ontsnapt het verlies voorbij

als serene rust verholen afstand verteert

parallel in samenzijn, zijn we samen vrij

pure liefde is het geluk dat ons resteert

 

 

Meander

“Parallel”: © Meander; Almere; 19 september 2018.
Foto: © Meander bewerking; Almere 20 september 2018.

Voor meer informatie over de ziekte van Alzheimer (Dementie), klik HIER.

Passie op de camping

Passie op de camping

ze wilde graag met hem kamperen                

en hij wilde nog veel meer met haar                 

samen in de natuur iets leren                     

van, met, voor, naast, op en in elkaar                


je bent jong, dus experimenteren     

onder, boven, doorgaan, maar nooit echt klaar          

dus bleven ze van alles proberen

zij wilde hem en hij, hij wilde haar                 


vrijuit vrijend in camper, caravan of tent

met vurige passie liefde tanken        

nu…, vijftig jaar later…, zo aan elkaar gewend

dat ze er niet meer aan moeten denken  

 

 

Meander

 

Om dit gedicht goed te lezen, dienen de eerste twee strofen en de eerste twee regels van de laatste strofe “Allegro con fuoco” te worden gelezen. De laatste twee regels daarentegen dienen “Largo con dolore” te worden gelezen.

“Passie in de tent”: © Meander; Almere; 14 september 2018.
Foto: Internet.

Een kort verhaal over kamperen met passie? Klik dan op: “Vrij(en) in een tent.”
Een ander kort verhaal over kamperen met een camper of een caravan? Klik dan op: “Dode Hond.”

Meer weten over passie op de camping? Klik dan HIER.

Vrijwillig

Vrijwillig


hij vroeg het en kreeg antwoord                 


natuurlijk wil ik schat                    


i
k ben vrij willig                      

 

 

Meander

“Vrijwillig”: © Meander; Almere; 13 september 2018.
Foto: Volkskrant / Internet.

“Vrijwillig”, een absurdijn over het woord vrijwillig.                                

Absurdijn is een door Meander bedachte dichtvorm.
Drie regels. Zeven, zes en vijf lettergrepen.
Het absurdijn heeft een betekenis die anders is dan u normaal gesproken zou verwachten.

Wilt u meer absurdijnen lezen? Klik dan HIER.

Zuiver

Zuiver

rimpelingen                   

van stervend goud                    

kleurrijk afscheid                  

seizoenen oud                        


herfsttinten vloeien                       

in- en uiteen                   

edele nuances            

brengen bijeen             


alle schakeringen

tonen hun pracht

zuiver spiegelend

jouw vrouwelijke kracht

 

 

Meander

“Zuiver”: © Meander; Almere; 1 september 2018.
Foto: Internet.

Gedicht geschreven voor Maryam Aftab bij de verkoop van haar Herfst-Beauté et Vogue Box.
Klik HIER voor meer informatie over de Beauté et Vogue Box.

Durf niet te vragen

Durf niet te vragen

durf niet te vragen
misschien doe ik je pijn                       

durf niet te hopen
wil geen pijn                      

durf niet te weten
ons geheim                       

durf niet te denken
over jou en mij                       

durf niet te begrijpen
waarom onrustig
waarom vrij                 

durf niet te raden
waar wil je zijn

durf niet te vragen
wat je voelt

durf niet te kennen
wat je bedoelt

durf niet te willen
waarom toch niet

durf niet te zeggen
dat ik van jou geniet

durf niet te roepen
wat ik zeggen wil

durf niet te vragen
hoe het verder moet
of vragen ga je mee

durf niet te durven,
durven zeggen
tegen jou

durf niet te zeggen
dat ik een beetje
of iets meer
veel van je hou

durf niet te weten
niet te denken
niet te hopen
niet te zien
niet te vragen
waarom jij
waarom
maar…
misschien?

 

Meander

 

“Durf niet te vragen”; een gedicht voor twee geliefden die hetzelfde voelen voor elkaar, maar niet durven te vragen, te zeggen, …

Reizen in de tijd, sneller dan het licht?

Reizen in de tijd, sneller dan het licht?

Opmerkingen en vragen over de lichtsnelheid

 

Wat zijn uw antwoorden, meningen, ervaringen, belevingen?
Welke aanvullende vragen kunt u stellen, voordat we onze vragen doorzetten naar een deskundige?
Alle vragen en opmerkingen zal ik ook sturen naar een erkend astronoom.
Mijn invalshoek is: “Waarom zou het niet anders kunnen zijn?”
Wat betekent dit voor reizen in de tijd?


Sneller of langzamer?

De snelheid van het licht is constant, zo beweren standvastige natuurwetenschappers, maar… is dat zo?

Is de lichtsnelheid wellicht afhankelijk van de fase waarin het heelal zich bevindt?
Sneller en/of langzamer?

Is de lichtsnelheid die wij kennen, zoals wij het meten en afhankelijk van hoe we meten?
Is de lichtsnelheid elders in het ruimte, de tijd of de ruimtetijd wellicht sneller of langzamer?

Het gaat om de lichtsnelheid in een vacuüm, maar waar is het vacuüm volledig?
Waarom is lichtsnelheid het snelste dat er is en waarom is die constant?
Welke twijfels hebben astronomen zelf?

De stelsels die verder van ons vandaan zijn verwijderen zich steeds sneller. Als ze op termijn sneller bij ons vandaan gaan dan de lichtsnelheid, verdwijnen ze dan uit beeld? Is het heelal dan groter dan we denken, of is het juist kleiner?

Stel dat veel donkere materie en veel zwarte gaten met veel zwaartekracht in een deel van de ruimtetijd actief zijn, wordt de lichtsnelheid daar dan vertraagd? Als licht door donkere materie moet gaan, komt het er dan doorheen en zo ja, wordt het dan afgeremd of versneld? Als het er niet door heen gaat, wordt het dan geabsorbeerd, of gereflecteerd?

Dat het licht wordt omgebogen door zwaartekracht is bekend. Het gevolg is dat het licht er langer over doet. Een ander gevolg is dat als het licht ons bereikt, we de zendende ster niet eens zien op de plaats waar hij was toen het licht daar vertrok. We zien die ster op een plek voor of na het moment waarop het licht vertrok. Deze afwijking bestaat ongeacht het feit dat de lichtsnelheid constant is, toch doet het licht er langer over om die “heelalbrede” afstand af te leggen.

Stel dat de lichtsnelheid variabel is, afhankelijk van lokale zwaartekrachtvelden, wat is dan de bandbreedte van de lichtsnelheid? Zijn er minimale afwijkingen mogelijk of zijn die gemeten, zoals de minimale verschillen in de achtergrondstraling?

Vlak na de Big Bang ontwikkelde het heelal zich sneller dan het licht en was er nog geen licht, zeggen de meeste astronomen. Als dat zo was, waarom kunnen die snelheden nu dan niet bereikt worden? Is het licht door zijn snelheidsbeperking de remmende factor van de werkelijkheid, of van de waarneming? Of was het licht met zijn “constante” snelheid pas waarneembaar toen de snelheid van de Big Bang niet meer sneller was dan het licht?


Leugens of geschiedenissen?

Alles wat we zien is geschiedenis. Alles wat we zien is op een verschillende manier, of in een verschillende periode geschiedenis. Zelfs wat we zien op tien meter afstand, doet er 0,0000000333564095 seconden over om door ons te worden gezien en is dus geschiedenis.
Alles wat we zien aan de sterrenhemel is min of meer een grote leugen en per stipje verschillend niet waar. De aardige variant van deze leugen is dat je naar het verleden kijkt, maar dat ieder verleden op een ander moment heeft plaatsgevonden in de tijdruimte van dat moment. Alles dat te zien is, staat ergens anders dan je ziet. Staat op een verschillende manier ergens anders dan je ziet.

Als de lichtsnelheid inderdaad overal gelijk is en niet gehinderd wordt, dan zijn de onderstaande voorbeelden illustratief voor het “valse” beeld, of anders gezegd de verschillende geschiedenissen die we zien aan het firmament.

Het licht van de zon doet er gemiddeld 8 minuten en 19 seconden over om bij ons te komen. We kijken naar een ondergaande zon, die ruim 8 minuten geleden is ondergegaan, als wij het laatste stukje achter de horizon zien verdwijnen. Het licht van de maan doet er ongeveer 1 seconde over om door ons te worden waargenomen.

Het licht van Jupiter doet er gemiddeld 37 minuten over om ons te bereiken en het licht van Saturnus maar liefst gemiddeld 71 minuten. Deze planeten staan dus ergens anders dan waar wij ze zien. Ze staan op het moment dat we ze zien eigenlijk al op de plek waar wij ze 37 minuten of 71 minuten later zien. En dat is nog maar het gemiddelde.
De kleinste afstand tussen Aarde en Jupiter is ongeveer 588 miljoen kilometer, of bijna 33 minuten in lichtsnelheid. De grootste afstand tussen Aarde en Jupiter is ongeveer 968 miljoen kilometer, of bijna 54 minuten in lichtsnelheid. Het verleden van Jupiter, zoals wij dat waarnemen, varieert in de loop van de tijd in ouderdom.


Kijken en reizen in de tijd

We kijken in de tijd, in de verleden tijd. Astronomen kunnen door de wetmatigheden voorspellingen doen over de toekomende tijd. Komen die voorspellingen ook uit als we ze over een periode van 1 miljoen of 1 miljard jaar zouden kunnen beschouwen en controleren achteraf?
Zo ja, hoe wordt dat bewezen?

Kunnen we reizen in de tijd? Volgens de natuurwetten kan dat niet, omdat we niet sneller kunnen dan het licht. Maar…
we reizen continue in de tijd, het verleden achterlatend en onderweg naar de toekomst. Nu is niet meetbaar klein, maar toch ben je continu in het nu dat nooit hetzelfde is.
Ons hele leven is een reis in tijd en ruimte, of de ruimtetijd. Het is maar hoe je er naar kijkt.

 

 

Meander

 

Informatie:

Lichtsnelheid:
299.792.458 meter per seconde
9.460.730.472.580.800 meter per jaar

http://hemel.waarnemen.com/FAQ/Licht/001.html