Archief van
Categorie: Verhalen

Korte verhalen van uiteenlopende aard. Fictie, al dan niet gelardeerd met realiteit.

Moord aan Zee

Moord aan Zee

Loerende ogen                                    

Zeearend’s scherpe blik                                  

beziet zijn prooienrijk                                           

Een kust vol overvloed                                         


Gecontroleerd duikend                                        

in bijna vrije val                                    

Vervaarlijk naar beneden

schiet zijn prooi tegemoet                                      


Moord aan zee

Een rauwe kreet                            

Een vorstelijk maal                                  

loon voor betoonde moed                              

 

Meander

De natuur is eerlijk en hard. Niet wreed. Nee, ze is oprecht. Prooi en jager houden elkaar in stand.
Moord en opoffering aan zee de natuurlijke balans van repetitieve continuïteit.
In Nederland broeden nu verschillende paren. Sinds 2006 in de Oostvaardersplassen en langzamerhand op meer plekken een behoorlijk eind uit elkaar.

Meer over de Zeearend in Nederland, klik HIER.

Voor meer gedichten over Zee, Kust en Strand, klik HIER.

Vrij(en) in een tent….

Vrij(en) in een tent….

Jos en Miriam, twee vrachtwagenchauffeurs, hadden nog net de laatste boot naar Texel gehaald en zetten met enige moeite hun tent op. Tussen een woud van tenten hadden ze nog net een plekje gevonden. Het was hun eerste vakantie samen en de plannen die ze hadden gemaakt, logen er niet om. Ze pakten hun spullen en richtten de tent in. Het dubbele luchtmatras was erg comfortabel, vooral omdat ze het niet keihard opbliezen. Net als het waterbed thuis, zo voelde het.

Miriam trok Jos naar zich toe en zei: “Kom bij me, snoes. Lekker.”
“Het is zes uur”, zei Jos. “We moeten eerst eten. Maar hij liet zich overmeesteren door Miriam, die hem overal zoende, overal aanzat en Jos nogal opwond.
Net toen Jos de rits van de tent dicht wilde doen, duwde Miriam hem weg en zei: “Oké, eerst eten.”
Jos keek haar lachend en hoofdschuddend aan. “Jij weet ook niet wat je wil.”
“Jawel, maar dat lukt nooit in een half uur.”

tent

Even later liep het smoorverliefde stel hand in hand naar het kampvuur, waar op enige afstand drie barbecues stonden te gloeien. Je moest maar zien dat je eten van de barbecues pakte, ook als je het er zelf oplegde. Het eten zat in de prijs van deze week vol activiteiten inbegrepen, maar opletten en toeslaan was het motto. De drankjes kon je aan de andere kant van het kampvuur, bij een van stammen in elkaar geknutselde bar, halen. Je moest direct afrekenen.
Er stonden twee bands klaar om er een flink feest van te maken op Loodsmansduin.

Jos en Miriam aten vegetarisch, maar daar was in voorzien. Vegaburgers en Vegaschnitzels op een speciale barbecue, waar je ook sticks met groenten op kon leggen. Jos liep af en aan en verwende Miriam door haar van alles te brengen. Na het eten bleef hij drankjes halen, ook voor haar. Ze zat de meeste tijd dicht tegen hem aan, terwijl ze luisterden naar de muziek.

Het werd later en later en Miriam was het tegen twaalf uur zat. Ze had andere plannen en wilde met Jos naar hun tent. Maar Jos? Jos was in gesprek met de gitarist en de drummer van de eerste band, terwijl To Twelve, de tweede band, een cover van Kensington ten gehore bracht, All For Nothing. De meeste van de meer dan honderd jonge kampeerders zongen het refrein luidkeels mee.

Miriam liep naar Jos en zei, terwijl ze hem vragend en verleidelijk aankeek: “Kom schat, we gaan. We hebben nog iets te doen.”
“Ik kom zo”, zei Jos.
Miriam gaf hem een kus, pakte hem bij zijn nek en zei dicht bij zijn oor: “Ik heb geen zin om te wachten.”
“Paar minuutjes, maak het bed maar warm”, zei Jos lachend.

Miriam liep naar de tent, kleedde zich uit, ging in de slaapzak liggen en wachtte.

Jos vergat alles en kletste met de een na de ander, dronk biertje na biertje, tot hij merkte dat hij geen geld meer bij zich had. Shit, dacht hij plotseling. Miriam! Hij stond op en liep in de richting van de tent. Het was aardedonker en hij aarzelde. Ze zou vast al slapen en als ze wakker werd zou ze verdrietig zijn, of boos. Na een minuut of vijf liep Jos langzaam verder. Ik zie het wel. Het komt altijd weer goed, dacht hij.

Jos deed voorzichtig de rits open, sloop naar binnen en hoorde haar zachte ademhaling. Ze sliep, constateerde hij. Hij kleedde zich uit en ging naakt naast haar liggen. Je wist immers maar nooit. Hij kroop dicht tegen haar aan en deed zijn handen om haar heen. Plotsklaps draaide ze zich om, zoende hem hartstochtelijk, duwde hem achterover en kroop bovenop hem. Zo begon een wilde nacht, die Jos nooit meer zou vergeten. Leeg gevreeën, dommelden ze uiteindelijk weg.

Jos werd wakker en wreef de slaap uit zijn ogen. Het was vast al laat, want de zon scheen op de tent. Hij keek op zijn iPhone en zag dat het bijna tien uur was. “Miriam”, riep hij. “We zijn te laat.” Hij draaide zich om en vroeg zich af in welke verkeerde film hij terecht was gekomen. De vrouw die naast hem lag, haar armen uitstrekte en zei: “Kom”, was Miriam niet.

 

Meander

Voor Texel, klik HIER.

Voor Facebook To Twelve, klik HIER.

Voor de bij dit verhaal passende cover “All for Nothing” door To Twelve, klik HIER.

Voor Kensington, klik HIER.

Voor Instagram To Twelve, klik HIER.

Vrijen en kamperen in een tent? Klik HIER.

 

 

 

 

 

 

 

 

“Boom en Muis” Wagen een Gokje

“Boom en Muis” Wagen een Gokje

Ze liepen heen en weer over perron 1 van Centraal Station Amsterdam, waar een oude, verbleekte sprinter klaar stond om naar Beverwijk te vertrekken. Tien minuten vertraging gaf het informatiebord aan. Muis vroeg aan Boom of de trein die er stond naar Zandvoort ging. Boom schudde zijn hoofd en zei: “Deze gaat naar Beverwijk, maar heeft vertraging. Die van ons komt nog.”
“Maar die van ons moet er zo aankomen, die past toch niet op hetzelfde perron?”
“Deze gaat weg en dan komt onze trein”, zei Boom geduldig. Boom was een man die rust uitstraalde. Een soort van “het maakt allemaal niet meer uit” rust. Muis zweeg, want ze vertrouwde Boom.

De trein uit Beverwijk vertrok enkele minuten later. “Kijk”, zei Muis en ze wees in westelijke richting, waar de sprinter naar Beverwijk zich langzaam slingerend over de wissels bewoog. Onze trein staat verderop al te wachten.” Boom zei niets.
Onze trein kwam in beweging nadat de andere trein voorbij was gereden. Een even lelijke, fletse sprinter als die naar Beverwijk, kwam langzaam aanrijden.
Ik ging naar Zandvoort en stapte helemaal aan de voorzijde in de trein, omdat ik wist dat je dan vooraan uitstapte op het kopstation van Zandvoort aan Zee. Tot mijn verrassing kwamen Boom en Muis na een paar minuten tegenover mij zitten. Hij koos voor een plaats bij het raam, waardoor zij automatisch aan het gangpad kwam te zitten. Ik zei ze gedag en deed mijn laptop aan om een verslag af te maken. Even overwoog ik om te vragen, of ze liever vooruit wilden rijden. De tevreden blikken van Boom en Muis stelden mij echter gerust.

Boom
Mariken van Nimwegen

Ter hoogte van Halfweg was ik klaar met het verslag en ruimde ik mijn spullen op. Muis vroeg of ik klaar was met mijn werk. Ik antwoordde bevestigend en wees hen op de donkere wolken die zich samenpakten boven Haarlem en tot ver daar voorbij.
“Buitjes”, zei Boom. Hij haalde zijn schouders op. “Stelt niet veel voor.”
Zo raakten we in gesprek en Boom vertelde dat ze uit Nimwegen kwamen, tenminste zo sprak hij het uit.
Muis zei: “Hij bedoelt Nijmegen.”
Nu is Mariken van Nimwegen mij niet geheel onbekend, dankzij een herhaling van zetten op twee verschillende middelbare scholen, dus had ik Boom zo ook wel begrepen.

Ik dacht aardig te zijn en zei tegen Boom en Muis dat het toch mooi was dat je dit op je vijfenzestigste kon doen.
Boom zei: “Ik ben eenentachtig.” Ik zei eerlijk dat ik wel ongeveer in die richting had gedacht.
Muis zei, zonder haar leeftijd te noemen: “Ik ben een stuk ouder dan hij.”

Boom, een bijna twee meter lange man, droeg een bruine broek, een beige overhemd met aan de kraag en manchetten bruine strepen. Hij had een colbert aan dat iets lichter was dan zijn broek. Het lichtbruine colbert had op de voor en achterpanden kleine, donkerbruine ruitjes, waardoor de panden een andere kleur leken te hebben dan de mouwen. De broek was te kort, of hij had hem te hoog opgetrokken, want er was veel wit been te zien boven de half afgezakte, lichtbruine sokken en de glimmende, bruine schoenen. Hij was groot, maar tevens slank. Zijn dunne haar, aan de randen van zijn merendeels kale hoofd, was grijs. Hier en daar zag je een paar laatste, zwarte haren. Boom droeg een goudkleurige bril, waarachter zijn ogen je tegelijkertijd serieus, uitdagend en lachend aankeken.
Boom was vooral Boom, omdat Muis, die naast hem zat, Muis was.

Muis was een keurige, goed verzorgde dame op leeftijd, die in alles voldeed aan de typering muis. Een spits gezicht, voortdurend getuite lippen, weinig zeggen, stil zitten en kleding in grijze en witte tinten van top tot teen. Behalve de elegante schoentjes die ze aan had. Blauwe kleurschakeringen met glitters droeg ze aan haar muizenvoetjes. Boom had een paar rimpels, maar zij….? Zij was integraal gerimpeld. Mooi oud, met sneeuwwit haar. Zeg maar pensioenblond. Ze hield haar tasje stevig tegen zich aan. Ook zij droeg een bril. Donkerbruin montuur met grote glazen. Het mooiste aan haar, waren haar schitterende oogjes, die je aankeken met een zelfverzekerde, alwetende blik. Zij wist wat ik nooit kon weten, zo leken haar ogen te zeggen.
Als Muis sprak, deed ze dat zacht, maar wel verstaanbaar.

Boom“Ga jij ook naar het Casino?”, vroeg Boom aan mij.
“Nee, ik ga niet naar het Casino. Ik ga naar de Haven van Zandvoort, strandtent nummer 9.”
“Zandvoort heeft toch geen haven? Wij komen hier al veertig jaar.”
“Nee meneer, het is een strandtent. Die heet zo. Zandvoort heeft geen haven”, antwoordde ik.
“Wij gaan al veertig jaar naar het casino”, zei Boom. “Het is alleen maar brengen, want halen is er niet bij.”
“U gaat voor uw plezier, neem ik aan”, reageerde ik.
Muis keek me aan en zei: “We gaan zeker voor ons plezier, inclusief de treinreis, maar we hopen altijd dat we iets winnen.”
Boom zei alsof hij haar niet hoorde: “Ik kom hier al heel lang en wij kennen hier veel mensen en zij kennen ons.” Het duurde even voordat ik begreep dat deze kennissenkring beperkt was tot het Casino en zich niet uitstrekte naar de rest van Zandvoort.

BoomBoom vroeg of ik de zilveren rijksdaalders nog kende. Ik bevestigde het en zei dat we ze vroeger altijd spaarden. Als we er tien hadden, brachten we ze naar de Boerenleenbank.”Die echte?”, vroeg Boom. “Die zware zilveren?”
“Eerst wel”, zei ik. “Later kon dat niet meer.”
“Ik heb eens één zilveren rijksdaalder in zo’n automaat gegooid”, zei Boom. “Er kwamen vijfhonderd rijksdaalders uit rollen. Had ik ineens twaalfhonderdvijftig gulden gewonnen”, zei hij trots. “Dat is het meeste dat ik ooit gewonnen heb.”
Muis zei: “We komen meestal met niets thuis, maar dat geeft niet. We doen dit vaker.” Iets zei me dat dit niet helemaal klopte.
Ik vroeg: “Als u het budget dat u wilt besteden hebt weggespeeld, wat doet u dan? Naar huis gaan, lekker ergens gaan eten?”
“Als we blijven, ga ik buizen en wordt ik straalbezopen”, zei Boom. “Dus gaan we naar huis als het geld op is.”
Muis reageerde eerst niet en er viel een korte stilte. Toen zei ze plotsklaps: “Als ik win, kan ik helemaal niet meer stoppen, want dan wil ik meer winnen.” Boom keek haar aan met een lieve glimlach en zei: “Ach een gokje af en toe. Als het geld op is, moeten we toch stoppen en gaan we weer naar huis.”

Het gesprek kwam terug op Nijmegen, waar ik ooit een kantoor had aan de Oranjesingel, vlakbij de Stadsschouwburg en Concertgebouw de Vereeniging aan het Keizer Karelplein. We lunchten daar regelmatig en hielden er bijeenkomsten in de zalen die men verhuurde.
Ik vroeg Boom en Muis of het hen beviel in Nijmegen.
“We wonen in Dukenburg, ken je dat?”, vroeg Muis met een licht negatieve ondertoon.
“Ik ken het”, zei ik, maar dat was waarschijnlijk niet wat ze bedoelde.
Boom zei: “Mij bevalt het niet meer zo, vanwege al het lawaai en de drukte, zoals de Vierdaagse.”
Er was meer dat hem niet beviel, maar hij ging er niet verder op in. Ook niet toen ik zei dat de Vierdaagse maar vier dagen duurde en dat het daarna weer voorbij was.

Het was weer even stil en ik keek om me heen. Hoofden van meeluisterende passagiers draaiden weg.
Boom schakelde over naar een ander onderwerp en meldde dat Muis de Vierdaagse al vijfentwintig keer had gelopen.
“U heeft zelf niet meegelopen?”, vroeg ik.
“Nee, ik ging zitten en wachten. Ondertussen dronk ik dan een biertje.” Of dat maar één biertje was, viel te betwijfelen.
Muis vertelde dat ze iedere keer veertig kilometer had gelopen. “Honderd dagen keer veertig kilometer, jongen.”
“Ze heeft er een speciaal kruisje voor gekregen”, zei Boom, waardoor ik geen tijd had om te reageren op de eer om jongen te worden genoemd.
“En u stond met bloemen voor haar klaar?” Ik wist dat er een ongedacht antwoord zou moeten komen.
“Af en toe”, zei Boom.
“Hij heeft een keer zomaar de bloemen van iemand anders aangenomen”, zei Muis. “Toen is hij met die bloemen de finish over gelopen in zijn pak, alsof hij de hele wandeling had gelopen en het hem niets had gedaan.”
Boom keek mij aan zonder een spier te vertrekken.

We naderden Zandvoort. De passagiers in de trein werden onrustig. Tassen werden gepakt en een enkeling ging alvast staan. De door gitzwarte wolken aangekondigde regen kletterde inmiddels tegen de ramen van de trein.
“Moet u ver lopen?”, vroeg ik.
“Het is maar vijfhonderd meter. Als het te hard regent, bel ik een taxi”, zei Boom.
Ik stond op, gaf beiden een hand en wenste hen een mooi en succesvol bezoek aan het casino. Boom zei dankjewel en stond ook op. Ik wachtte tot Muis stond.
“O, mag ik eerst?”, vroeg ze.
“Zeker”, zei ik, zonder dat ik er op gerekend had. Ik liet hen voorgaan, net als de dame die naast me had gezeten en gedurende het gesprek met belangstelling had geluisterd. Ze had af en toe geprobeerd er tussen te komen, vooral met kritische opmerkingen over gokken. Haar mislukte interrupties waren niet meer dan een loze poging om iets dat haar niet beviel, te bestrijden. De glimlach van een dame aan de ander kant van het gangpad zei veel meer. Die had van de conversatie genoten en zou er zo een verhaaltje over kunnen schrijven.

Ik stapte uit, terwijl Boom en Muis hun veel te kleine parapluutjes probeerden op te steken voor ze uitstapten.
Ik liep in de regen naar de Haven van Zandvoort, in de wetenschap dat Boom en Muis een mooi verhaal hadden verteld, of het nu waar was of niet.

 

Meander

 

Voor Holland Casino Zandvoort, klik HIER.

Voor Mariken van Nimwegen, klik HIER.

 

 

 

 

 

Digitaal Erotisch Facebook?

Digitaal Erotisch Facebook?

Een liefdevolle, erotische, andere realiteit, die digitaal vaak moeite heeft om ruimte te krijgen, vooral op Facebook. Onnozel eigenlijk, want de digitale realiteit is veel meer omvattend dan een individu of bedrijf ooit kan beperken.
Het merkwaardige is dat men vaak afgaat op een plaatje, of een enkel woord, zonder de inhoud te lezen en te kennen. God spelen zonder de feiten te kennen en ondertussen echte liefde niet begrijpen en erkennen als waardevol onderdeel van het leven.
Vrijheid van meningsuiting, leven en beleven. Dan kun je niet op een wereldwijd net zeggen dat iets niet mag. Blijf dan in je dorp briefjes schrijven. Er is meer liefde dan je denkt.

 

ErostischZe liet haar handen langzaam over zijn rug glijden. Ze gleden door en ze kneep in zijn stevige, gespierde billen. Hij lachte en keek haar aan met een brede glimlach en ogen die haar op een prettige manier deden huiveren. Ze vervolgde haar sensuele, prikkelende, zachte massage en voelde hem meer en meer ontspannen.

De olie die ze gebruikte was vermengd met een oeroude zalf en had een bedwelmende, heerlijke, Oriëntaalse geur. Het verzachtte de huid en drong naar binnen om de spieren zowel losser als sterker te maken. Immers, dit was niet meer dan het voorspel van het voorspel. Een liefdevolle weg naar meer.

Na een half uur was hij bijna in slaap gevallen. Met een ferme tik op zijn billen haalde ze hem uit zijn trance en zei: “Nu mag jij bewijzen dat je het beter kunt dan ik.” Hij trok haar naar zich toe, zoende haar zacht op haar mond, ging staan en draaide haar op haar buik. Zacht in het begin, beetje bij beetje steeds krachtiger, masseerde hij haar rug, schouders, nek, armen, handen, benen, voeten en billen. Hij liet zijn handen tussen haar billen glijden en raakte haar zachtjes aan op de meest gevoelige plekken. Zacht en meer dan zacht.

ErotischHet leek alsof ze weg zweefde op gevoelens die ze kende, maar die intenser leken dan ooit. Ze draaide zich om en wilde hem op haar trekken, maar hij schudde nee, wreef zijn handen weer in de warme, melkachtige olie en ging verder. Zijn handen gleden naar haar gezicht. Met ongekende tederheid werden haar wangen, kin, hals en nek soepel onder zijn handen. Ze voelde de spanning wel stijgen en merkte dat haar opwinding toenam als nooit tevoren, maar toch ontspande ze.
Hij streelde haar zij, haar borsten, haar buik en nog een keer haar benen, voeten, armen en handen. Hij sloeg niets over, vooral niet toen ze haar benen verder uit elkaar deed en ze zijn handen stevig tegen haar aanduwde. Ze kon niet wachten, maar ze wilde en moest wachten, vond ze.

Met de randen van zijn nagels danste hij over haar buik naar haar borsten en terug. Ze voelde de door het ritmische getokkel van zijn vingers ontlokte tintelingen vanaf haar huid door haar hele lichaam stromen. Hij masseerde haar gedurende een onvatbare periode zo zacht en zo lang, dat ze de talloze orgasmes niet meer kon tellen, omdat het een aaneengeregen ketting van explosies leek, die in kracht en emotie toenamen. Er was geen plek in haar lichaam die ze niet voelde zo lang hij haar beroerde. Ze merkte dat ze meer energie kreeg in plaats van moe te worden. Ondertussen had ze haar handen nog eens ingesmeerd en nam ze hem in haar handen. Als ze merkte dat ze te hard ging en hij het niet meer hield, stopte ze even.

Erotisch
Adam en Eva van Luk van Soom

 

Toen ze eindelijk zover waren en verstrengeld raakten in elkaar, gebeurde er zoveel in een allengs vervagend tijdsbestek, dat ze als vanzelf uit vermoeidheid en van genot in slaap vielen. Toen ze een uurtje later wakker werden begon een volgende, wilde, ongeremde, gepassioneerde, vrijpartij, die hen deed vergeten wie en waar ze waren.
De volgende ochtend zetten beiden hun Augmented Reality Bril af. Zij in Groningen en hij in Almere Haven.

 

Meander

Adam en Eva is een sculptuur van Luk van Soom. Zie ook www.lukvansoom.com/nl/werk-detail/adam-eva.html

Boek Erotische Massage. Klik HIER.

Augmented Reality Bril. Meer weten? Klik HIER.

 

 

Surdus, de bange Keizer

Surdus, de bange Keizer

Er was eens, in een wondermooi land hier ver vandaan, een keizer. Keizer Ab Surdus was heerser van een, in zijn ogen, onmetelijk rijk. Het grootste rijk ter wereld.
Bij toeval was hij enige jaren geleden op de hoogste positie van het land geraakt als president. Eenmaal gewend aan de macht, de privileges en de grandeur, kon hij er geen afstand meer van doen. Ab Surdus wilde niet meer weg, al was zijn houdbaarheidsdatum voor de belangrijkste functie van het grootse rijk al lang verlopen.
Met een schier onuitputtelijk palet aan sluwe en slinkse trucs wist hij legio uitzonderingen voor zichzelf te creëren. Uitzonderingen die, na verloop van enige tijd, gelegaliseerde gebruiken werden.
Enkele jaren geleden benoemde president Ab Surdus zichzelf tot keizer, gesteund door de militaire macht, die door keizer Surdus rijkelijk werd beloond.

Iedere morgen stond keizer Surdus voor de spiegel. Zijn ontevredenheid over wat hij zag nam keer op keer toe, al vond hij zichzelf de beste ter wereld. Het was hem gewoonweg nooit goed genoeg.
Omdat hij zichzelf niet kon bekritiseren, zocht hij naar schuldigen voor zijn ontevredenheid en hij vond ze bij bosjes. Verkeerde haardracht, een verkeerd geloof, een irritant uiterlijk, vreemdelingen en als hij tekort kwam in die groepen, zelfs zijn vrienden of familieleden die hem ergerden. Zijn favoriete groep om te beschuldigen en op te sluiten, waren de journalisten. Leugenachtige fantasten, die beledigende informatie publiceerden die Zijne Keizerlijke Majesteit niet wilde horen, of zien.

Surdus StrandIn de verste uithoeken van het uitgestrekte, schitterende land, met zijn hoge, met sneeuw-toppen bedekte bergen en eindeloze witte stranden, woonden volkeren die anders leefden en wilden leven. Ze waren gewend hun zaken zelf te regelen. Bergvolkeren en  stammen van de steppen, die vroeger onafhankelijk waren. Ze dulden de inmenging van de vroegere veroveraars niet. Zij waren de oorspronkelijke bewoners en bezitters van de rijke gronden en waardevolle bodemschatten. Ze eisten onafhankelijkheid.
“Terroristen”, brulde de woedende en ontevreden keizer als het onderwerp ter sprake kwam. Hij was niet alleen ontevreden, maar vooral bang. Bang dat ze hem wilden afzetten en gevangen wilden zetten. Bang dat ze hem wilden vermoorden. De angst voedde zijn ontevredenheid, hetgeen tot een waar schrikbewind leidde.

De altijd in vrede levende volkeren kregen de schuld. Waarvan precies wist niemand, zelfs de keizer niet. Bewoners van een groot aantal dorpen werden gearresteerd, waarna ze in gevangenissen verdwenen. Van de bevolking van tientallen dorpen werd nooit meer iets vernomen. Dorpen en steden werden met de grond gelijk gemaakt. Ze werden uit de atlas en uit de geschiedenisboeken verwijderd. Het hielp keizer Ab Surdus niets. Zijn angst en ontevredenheid namen toe.
Overal in het land heerste er angst voor de onvoorspelbare keizer, maar het ergste moest nog komen.

Op een dag stond keizer Surdus op en liep hij naar de grote wandspiegel. Hij schrok. Was hij dat? Dat kon niet. Onmogelijk. Hij keek nog eens en kwam tot de conclusie dat de spiegel beschadigd was. Hij nam een lange, koude, verfrissende douche, in de hoop dat het slechts verbeelding was en het daarna anders zou zijn. Helaas. Het schrikbeeld van zijn eigen spiegelbeeld bleef hem aanstaren. Het was niet waar. Een leugen was het, waar hij naar keek. Een leugen verzonnen door anderen.

Een uur later liep de keizer met zijn lakeien door het paleis en keek in iedere spiegel. Teleurstelling na teleurstelling voedden zijn angst en daarmee zijn woedde. Alle spiegels in zijn paleis waren behekst. Gemanipuleerd. Dat wist hij zeker.

Keizer Surdus riep zijn echtgenotes bij zich en vroeg hen wat zij er van vonden. Een echtgenote zei dat hij moe was en dat hij  nodig met vakantie moest. Een ander zei: “Ab, je ziet er fantastisch uit, die spiegels zijn van een slechte kwaliteit. Koop nieuwe spiegels.” Een derde, slim calculerende echtgenote was het met hem eens en dacht dat hij gelijk had. De spiegels waren bewerkt, al waren sommige spiegels honderden jaren oud. Ze suggereerde dat ze misschien stiekem waren vervangen.

De keizer kwam tot de conclusie dat hij met zoveel verschillende meningen niets opschoot. Hij nam een aantal drastische besluiten. Alle lakeien werden gevangen gezet om te worden berecht voor verraad. Daarna vertrok hij met de vrouw die hem gelijk had gegeven de stad in, om spiegels te bekijken. Ondertussen werden alle spiegels in het paleis verwijderd.
Het leger werd naar alle uithoeken van het land gestuurd, om “terroristen” gevangen te zetten, dan wel te elimineren. Het kon niet anders, of zij waren de hoofdschuldigen, meende keizer Surdus.

Surdus SpiegelsNa vier uur spiegels kijken was het keizer Surdus en zijn loyale echtgenote duidelijk. Alle spiegels in het land waren in handen gevallen van verraders. Die hadden de spiegels bewerkt om de keizer uit zijn evenwicht te brengen.
De verraders moesten helpers hebben gehad, zo vond de keizer. Het gevolg was dat tienduizenden spiegelmakers, spiegelverkopers en anderen die er mee te maken konden hebben, werden opgesloten. Spiegels werden verboden en alle spiegels moesten worden vernietigd. Wie nog een spiegel bezat, werd opgesloten. Het melden van een spiegelbezitter werd rijkelijk beloond. Overal hingen posters en in alle kranten stonden kreten als “Sluit ze op” of “Geef ze aan.”

Keizer Ab Surdus nervositeit nam schrikbarende vormen aan. Zelfs in zijn eigen paleis keek hij alsmaar schichtig om zich heen. Toen hij na drie spiegelloze weken met zijn resterende twee echtgenotes naar een festival ging, had hij een angstaanjagende ervaring. Ze liepen langs de grote, verduisterde ramen van de hal waar het festival plaatsvond. In het glas zag keizer Surdus zichzelf lopen. Hij zakte als door de bliksem getroffen door zijn knieën en viel opzij. De keizer stiet een angstwekkende schreeuw uit. Zijn echtgenotes, lakeien en leden van de keizerlijke garde, snelden toe.
“Ab, wat is er?”, vroeg de ene echtgenote. De ander riep om hulp. De meeste mensen liepen schielijk door. Slechts een enkeling kwam aarzelend zijn hulp aanbieden. De lakeien wisten niet wat ze moesten doen en de keizerlijke garde kon niet veel meer dan bars optreden en schieten.

Keizer Surdus stond langzaam op en wild gesticulerend joeg hij de omstanders weg. Hij brulde:” Kijk! Kijk dan! Zelfs de ramen zijn gehackt.” Ze controleerden tientallen ramen van andere gebouwen en woningen, maar overal was het hetzelfde.
“Ik wil naar huis”, gilde de keizer met hoge, overslaande stem. De paniek van hun heerser sloeg over op het toegestroomde publiek, dat op afstand had staan kijken in ijdele hoop op verandering. Ze vluchtten in alle richtingen, bang als ze waren voor het wispelturige gedrag van de keizer.

De auto van keizer Surdus kwam aanrijden om het gezelschap naar huis te brengen. De chauffeur had de wagen net gewassen en volledig in de was gezet. De grote, zwarte limousine glom alsof het een nieuwe wagen was. De auto stopte en de keizer en zijn gevolg liepen er naar toe. Keizer Surdus zag zichzelf in de deur van zijn keizerlijke karos en stampte woedend op de grond.
“Verrader”, tierde keizer Surdus tegen de verbouwereerde chauffeur, die niet begreep waar de keizer op doelde. “Opsluiten en berechten”, riep keizer Ab Surdus. De keizerlijke gardisten grepen de chauffeur en sleepten de kermende en verslagen man aan zijn voeten naar een inderhaast opgeroepen militair busje.

Op bevel van de keizer werd de limousine besmeurd met modder. Een generaal van de keizerlijke Garde kroop achter het stuur, waarna ze instapten om zich naar het keizerlijke thuis te spoedden.
Keizer Surdus sidderde gedurende de rit van angst, maar zijn woede, zelfovertuiging en overlevingsdrang wonnen het van zijn vrees. Eenmaal aangekomen in het paleis, zette hij zich direct achter zijn bureau en liet de premier komen. De premier, een toonvoorbeeld van een ervaren hielenlikker, danste naar de pijpen van keizer Surdus en riep het kabinet en het parlement bijeen.

De keizer sprak het kabinet en het parlement toe en vaardigde een serie wetten uit, die terstond ingingen.
“Wij, Keizer Ab Surdus De Enige, hebben als volgt besloten. Alle spiegelende oppervlaktes in ons rijk zijn vanaf heden verboden. Mat is het motto en daarmee het voorschrift voor de uitvoering van alle oppervlaktes. Glimmen, weerkaatsen en reflecteren is vanaf heden verboden. Dat geldt in het bijzonder voor de media. Die zijn vanaf dit moment opgeheven.” Hij hapte even naar adem, omdat hij te snel had gesproken.
Een minister maakte van die gelegenheid gebruik door te zeggen: “Maar dat is niet te handhaven, mijn keizer.”
Keizer Surdus draaide zich naar de man toe, fronste zijn wenkbrauwen en zei op dreigende, kalme toon: “Ik zei, niet reflecteren. Uw ministerschap is voorbij.” Hij wenkte de keizerlijke garde en beval, wijzend op de voormalig minister: “Dumpen!”

Toen de rust was weergekeerd, vervolgde keizer Appie, zoals hij stiekem door bijna iedereen werd genoemd, zijn betoog.
“Journalistiek is verboden. Op het overtreden van al deze wetten staat de doodstraf, dan wel levenslange opsluiting.”
Tevreden en enigszins gerustgesteld keek de tirannieke keizer om zich heen. Tot zijn genoegen zag hij louter angstige gezichten. Langzaam begon men te applaudisseren. Wat moest je anders. Het was klappen, of sterven.

In de maanden daarna ondervond een ieder de hinder van het ontbreken van spiegels en spiegelingen. Men zag er steeds slordiger uit. Er zat niets anders op dan elkaar te helpen om er verzorgd uit te zien. Dat bleef niet zonder gevolgen. De keizer verordonneerde dat iedereen die er goed verzorgd uitzag nog een spiegel moest bezitten. Zelfs als na huiszoeking geen spiegel werd gevonden, werden de verdachten toch veroordeeld. Zo verslonsde het volk zienderogen, om maar uit handen van de keizerlijke garde te blijven.
Keizer Surdus werd eenzamer en eenzamer, omdat hij zijn echtgenotes en vrienden allemaal had laten opsluiten, of erger nog, had laten executeren. Hij vertrouwde niemand meer.

Een jaar na invoering van de anti-reflectiewetten, zoals ze werden genoemd, zat de helft van het volk in de gevangenis, of was vermoord. De andere helft moest al het werk doen, inclusief de bewaking van de gevangenen. Dat was niet te doen en steeds meer mensen werden ziek. De ontevredenheid nam toe en hier en daar werd gefluisterd over een staatsgreep, maar zover kwam het niet.

Surdus BankOp een ochtend liep de zenuwachtige, nog immer bevreesde en misnoegde keizer na het ontbijt de tuin in. Na een korte wandeling kwam hij bij de grote keizerlijke vijver. Een ochtendbriesje veroorzaakte lichte rimpelingen in het donkere water van de met eiken en beuken omzoomde vijver. Keizer Surdus zette zich op een bankje onder een grote, oude, knoestige eik. Hij voelde zich eenzaam en in de steek gelaten. Hij was toch de beste? Hij had het toch goed voor met iedereen. Waarom moest iedereen zich toch zo tegen hem verzetten? Waarom wilde men hem niet begrijpen? De keizer mijmerde verder, probeerde te kalmeren, maar zijn onrust, angst en boosheid nam toe.

Peinzend stond keizer Surdus op. Hij slenterde naar de rand van de vijver. Het was windstil geworden en keizer Surdus keek voor zich uit over het stille, donkere oppervlak. Zonder er bij na te denken, boog hij zich voorover om in het water te kijken. Wat hij toen zag, deed zijn hart stil staan. Hij zag zichzelf, zoals hij zichzelf lang geleden in spiegels had gezien. Vol verbijstering keek de keizer naar het voor hem zo schrikwekkende beeld, terwijl de pijn in zijn borst ondraaglijk werd. Even leek alles stil te staan, maar toen viel keizer Ab Surdus De Enige voorover in zijn spiegelbeeld, dat hij al stervend, vernietigde.

Binnen een uur was het nieuws bekend en werden alle gevangenen bevrijd. De leden van de keizerlijke garde vluchtten het land uit.
Het hele land vierde feest en overal kwamen verstopte spiegels tevoorschijn. Het feest duurde meer dan een week en het volk besloot nooit meer een keizer of president te willen. Men richtte een spiegelfabriek op die de beste en de grootste van de wereld werd. Media kwamen van heinde en verre om er over te berichten.
Het volk genoot van de herwonnen vrijheid en ze leefden nog lang en gelukkig.

Meander


Klik hier voor betekenissen van Surdus.

Klik hier voor betekenissen van Ab Surdus.

Er was eens….een Leugen

Er was eens….een Leugen

Er was eens een leugen in het land van Overal.
De leugen was eenzaam en alleen in een wereld vol waarheden. Ze werd regelmatig geconfronteerd met haar minderwaardigheid door de zich op de borst kloppende waarheden.
Zij, de leugen, was niemand en zou eigenlijk niet mogen bestaan, zo werd haar verteld. Zo was zo opgegroeid en ze had nooit anders gehoord. Daarom nam ze als vanzelf aan, dat de waarheden ook hierover de waarheid waren.

Ze vroeg zich regelmatig af waarom ze bestond en wat haar voortbestaan rechtvaardigde, tot ze op een dag in enkele waarheden barstjes zag verschijnen. Vanaf die dag lette ze beter op en vroeg ze aan de haar beschimpende waarheden, waarom ze waarheden waren. Dat was in de ogen van alle waarheden een ongehoorde vraag, een impertinente brutaliteit. Hoe haalde het laagste van het laagste, de leugen, het in haar verwarde hoofd om hen een dergelijke vraag te stellen?

De waarheid was echter anders dan het beeld dat ze bij de leugen achterlieten met hun reactie. De waarheden begonnen aan zichzelf te twijfelen. De een na de ander. Dat ene irritante leugentje had de collectiviteit van waarheden aan het wankelen gebracht. Waren ze wel waar, of waren ze slechts schijnwaarheden, of nog erger onwaarheden, dus leugens? Ze wisten het niet, zoals ze ook niet wisten waarom ze waarheden waren.

De volgende dag was er één waarheid die de leugen confronteerde met de ernstige gevolgen van haar vraag. De leugen zei vriendelijk: “Als jij de waarheid bent, waarom ben je dat dan? Of.., ben je slechts de waarheid van dit moment, de waarheid van een bepaalde plaats, of de waarheid van een zeker iemand? Ben jij niet de leugen, in plaats van dat ik dat ben?”
De waarheid was geschokt, keerde zich om en ontdekte door die ene simpele beweging, dat hij behalve waarheid ook leugen kon zijn. En….de leugen zag het. Ze vroeg de waarheid om samen met haar verder te gaan, om de waarheid van de leugen en de leugen in de waarheid die plaats te geven, die hen toe kwam. De waarheid keek om en aarzelde. Hij wachtte en wachtte.

Toen viel de waarheid op zijn knieën en vroeg de leugen ten huwelijk. Wat moest de leugen nu zeggen als ze slechts de leugen was? Ze voelde dat ze leugen en waarheid wilde zijn en zei: “Ja.” Bedoelde ze nu nee, omdat ze loog, of sprak ze de waarheid? Dat maakte niet meer uit. Waarheid en leugen werden één.
En ze logen nog lang en gelukkig in ultieme eigen waarheid en kregen vele kinderen waarvan de ene helft ware leugens en andere helft leugenachtige waarheden waren.

 

Meander

 

De foto van het heelal is bedoeld als het beeld dat wij als waarheid van het moment ervaren. Een beeld dat feitelijk bestaat uit ontelbaar verschillende waarnemingen met allemaal verschillende leeftijden. Wat we zien is niet waar, maar zijn het daarmee ook leugens? Is het heelal een oneindige verzameling leugens, of een complexe samenstelling van de historie van het heelal, zoals we dat nu waarnemen? Bestaat ruimtetijd ook in die zin, dat het waarheden in tijd zijn?

Nietzsche schreef: “Waarheden zijn illusies waarvan men vergeten is dat zij illusies zijn. Metaforen die versleten zijn en letterlijk krachteloos zijn geworden.”

Nietzsche’s Waarheid en Leugen

Wanneer, waarom, waar en hoe is iets waar, of niet waar, of allebei?

Godenfluisteraar

Godenfluisteraar

Bijna zeventig jaar had ze daar gestaan, op die gezellige plek in het typische, Brabantse dorp. Ze was vanaf haar ontstaan als nietig zaadje, opgegroeid op eenkwekerij direct buiten Sint Oedenrode. De toen nog jonge plataan had daar een rustige, mooie tijd gehad met warme zomers, voldoende regen en fijne, koude winters.

Toen de oorlog begon, stond ze inmiddels met veertig familieleden rondom het centrale plein van het dorpscentrum aan de rand van de Oisterwijkse Vennen. Aan de zuidzijde van het plein rees de machtige kerk op, met haar hoge, puntige toren. Rondom het plein lagen restaurants, cafés, een hotelletje en enkele winkels. Talloze markten, feesten, wieler-wedstrijden, huwelijken en begrafenissen had ze gezien. Tienduizenden keren had ze de klokken van de toren horen luiden. Levens, ja generaties waren onder haar langs gekomen en gegaan.
Het was een wonder dat de platanen de oorlog hadden overleefd. Ze waren gered door de dorpspastoor, die voorkwam dat de bomen werden gekapt om als brandhout te worden opgestookt in de vergetelheid.

Op een frisse, buiige lentedag waren er vijf mannen en twee vrouwen gekomen. Ze waren verschillende keren rond het plein gelopen, waren een paar keer overgestoken en hadden meermaals op grote tekeningen gekeken. Tekeningen op grote, grijze vellen die moeilijk hanteerbaar waren door plagerige, onvoorspelbare windvlagen. Tweemaal vluchtte het gezelschap het café van Dries binnen, omdat het begon te regenen.

De volgende dag waren ze teruggekeerd om foto’s te laten maken van het plein en van de platanen. Druk aanwijzingen gevend, terwijl een tweetal van hen pseudodeskundig op de bomen klopten om voor iedereen onduidelijke motieven.
Maanden later kwamen de landmeters, die twee dagen lang vanuit alle hoeken het plein en de wegen in kaart brachten. Het jaar verliep en in het nieuwe voorjaar waren er demonstraties op het plein. Het ging over het behoud van het plein en het behoud van de machtige platanen, dat begreep de plataan tenminste uit de woorden van de sprekers.

In dat najaar bleek dat de protesten weinig hadden uitgericht. Bulldozers, vrachtwagens en tractoren verschenen op het plein. Ze zag dat meer dan driekwart van de bomen werd omgehaald, waarna ze in grote stukken werden gezaagd om vervolgens op enorm lange vrachtwagens te worden afgevoerd. Er restten na de slachting nog zeven bomen. Ze wachtte verdrietig af wat er zou komen. Mooie sterke bomen, in de bloei van hun leven, waren ten prooi gevallen aan ambitieuze herinrichtingsplannen van de gemeente. Een plan waar niemand op zat te wachten, maar die een wethouder die zij al vanaf zijn doop kende, roem zou moeten brengen.

Een week later zag ze grote graafmachines arriveren. Nadat de verharding was verwijderd, werden de resterende bomen voorzichtig uitgegraven. Eerst werd er een enorm gat om haar wortels gegraven en daarna werden haar wortels op een diepte van drie meter doorgehakt, of doorgezaagd. Iedere meedogenloze amputatie zond pijnscheuten tot hoog in haar kruin waarna ze zich verspreiden in haar stam en takken om nog oneindig lang te worden gevoeld.

De meer dan negentig jaar oude plataan werd net als de anderen door een enorme hijskraan van haar plek gehesen. Het deed ontzettend veel pijn. Veel nog gegronde wortels scheurden en de banden van de hijskraan schuurden langs haar bast, waarbij bast en stam in elkaar werden gedrukt. Een dik uur later lag ze op een lange vrachtwagen, waar ze met kettingen en sjorbanden, die in haar stam en takken groefden, werd vastgesnoerd.
De wagen vertrok met een auto er voor en een auto er achter. De oranje zwaailichten zorgden er voor dat anderen op afstand bleven. De felle lichten gaven haar bast een nare gloed waar ze misselijk van werd, of kwam dat wellicht door alles wat ze al had meegemaakt de afgelopen uren.

Na drie uur rijden en niet aflatende, brandende pijn, reden ze de autoweg af en kwamen in een stad. De lange vrachtwagen stopte voor een gebouw waar Homerusmarkt op stond. Er stonden veel mensen en er werden foto’s gemaakt. Zelfs de televisie was er. Wat ze er van begreep, was dat zij vanaf nu de oudste boom van Almere was.

Een grote gele hijskraan stond klaar en takelde haar in een gat, waarna ze door de hijskraan op haar plaats werd gehouden, terwijl het gat werd dichtgegooid. Ze voelde dat er water rond haar resterende wortels liep en deed haar best grip te krijgen op de grond door haar wortels aan te sporen zich vast te grijpen en als de wiedeweerga naar beneden en opzij te groeien. Ze wist dat haar overlevingskansen gering waren, maar ze was geenszins van plan om op te geven.

Na verloop van tijd verdwenen de mensen en werd het stil. In de dagen erna namen bezoekers van de Homerusmarkt soms een kijkje en eens in de zoveel tijd kwamen er boomdeskundigen om haar te onderzoeken. Blijkbaar waren die experts tevreden, want naarmate de zomer naderde, bleken haar wortels zich goed te hebben vastgezet en stroomde voeding en water door de wortels de stam in. Ze voelde zich een beetje bloot de eerste zomer in het Homeruskwartier, omdat het aantal takken en het aantal bladeren gering was. Ze hadden haar voor het transport gekandelaberd om haar te kunnen vervoeren. Het bleek voor haar nieuwe vrienden geen probleem, want voor hen was naaktheid natuurlijk.

Zo maakte ze kennis met de goden van het Homeruskwartier. Zeus, Pallas Athene, Aphrodite, Hermes en talloze aanverwanten maakten kennis met haar. Ze zagen in de sterke, omvangrijke, naar de hemel reikende en bijna honderd jaar oude plataan een lotgenoot. Haar ouderdom en wijsheid werden uitermate op prijs gesteld door de goden van het Homeruskwartier. De goden die van de Olympus waren geplukt en tussen het wilde, jonge volk in Almere Poort terecht waren gekomen. Zeus die aldus had besloten en bevolen, was zelf meegekomen, maar verbleef er niet altijd. De mythische wezens waren dan weliswaar samen, hadden hun eigen Homeruskwartier, een eigen park en, maar het was wel wennen, maar de plataan bracht daar verandering in. Een goddelijke natuurlijke verschijning die in staat was op alles een ander licht te werpen.

Onder de plataan ontstond langzamerhand een ontmoetingsplaats van bewoners, voorzien van dranken en spijzen door ijverige waarden en waardinnen van nabijgelegen etablissementen in de Homerusmarkt. Er werd een godentuin voor goede werken onder haar voeten aangelegd en ondertussen keken Zeus en zijn schare neer op het gewoel vanuit de toppen van de aan het godenrijk geschonken Platanus Domus Deï.

De plataan was aanvankelijk onder de indruk en dat nam nog toe, toen ze haar verhaalden over hun roemruchte geschiedenis en haar inwijdden in de toekomst die zij bestierden, al hadden de mensen daar geen begrip meer voor en geen geloof meer in. Haar nederigheid en bewondering temperden gaandeweg, omdat ze meer en meer een van hen werd en langzamerhand uitgroeide tot de vertrouwensboom van de Olympiërs, die bij voorkeur in haar kruin huisden om te overleggen, te kibbelen, te roddelen en te genieten van plagerige pesterijen. De plataan was de vredestichter, raadgever, trooster en motivator temidden van het almachtige, goddelijke gekrakeel. In ruil daarvoor maakten ze haar sterker, groener, dichter en aantrekkelijker.

Zij, de plataan der platanen in Almere, was de locale vervanger van de Olympus geworden. In onbewaakte ogenblikken en in de winter verbleven de goden nog wel op de Olympus, maar in de zomer, als zij in volle bloei stond en in de herfst, als haar volle takken langzaam de bladeren dankzij de onstuimige herfstwind lieten vallen, weken ze niet van haar zijde en kon je haar en de goden horen als ze met elkaar fluisterden. Fluisterden, omdat ze de mensen geen schrik aan wilden jagen.
Ze hadden het goed en genoten van alle nieuwe indrukken, ervaringen en van hun eigen wijk, na duizenden jaren op een en dezelfde plek te hebben gewoond. Hun invloed op het Homeruskwartier en haar inwoners was zichtbaar en voelbaar.

Het opvallende geruis van de plataan, net iets harder dan gebruikelijk, viel het volk tenslotte toch op, vooral als er weinig wind was. Het trok de aandacht en steeds vaker zag men groepjes bewoners samen zitten onder de plataan. Sommigen gaven zich over aan het masserende geruis van de fluisterende goden in de plataan. Omdat ze er geen verklaring voor konden vinden, noemden de bewoners van het Homeruskwartier, heimelijk geïnspireerd door Pallas Athene, de imposante plataan: “Godenfluisteraar.”

 

Meander

De afbeelding is een fragment van een schilderij van Ellen den Hollander gemaakt tijdens haar tijdelijke verblijf als kavelkampeerder bij de Homerusmarkt in februari 2016.

 

De plataan is bijna honderd jaar oud. Haar verjaardag zal groots worden gevierd in 2018.
De boom komt uit Brabant en heeft jaren in Valkenswaard gestaan. De beschrijving van het dorp stemt daar min of meer mee overeen. De plataan is in 2009 gerooid en heeft tot eind 2014 op kwekerij Van den Berk gestaan. Op 1 december is de boom in Almere Poort voor de Homerusmarkt geplaatst. De omvang van de boom is ongeveer 350 centimeter en ze weegt 25 ton. Een markante, beeldbepalende boom op een bijzondere plek in Almere.

 

 

Aanvullende Informatie:

http://www.omroepflevoland.nl/nieuws/118916/almere-oudste-boom-van-almere-geplant-in-poort

http://www.omroepalmere.nl/oudste-boom-almere-siert-homerusplein-almere-poort/content/item?156019

 

Wilders betrapt

Wilders betrapt

Wilders keek voorzichtig om zich heen, maar zag niemand. Hij had een donkere jas aan en de capuchon over zijn hoofd getrokken. Het was al donker, maar hij nam het zekere voor het onzekere. Hij gebruikte een geleend pasje en via de achterdeur glipte hij naar binnen. Aan deze kant stond geen bewaking. De gedachte dat hij in de gaten werd gehouden, irriteerde hem. Hij kon nergens meer gaan en staan, maar nu had hij het toch voor elkaar. Eindelijk was hij ontsnapt.

Hij had een tijdje dat niemand hem in de gaten had, maar nu was hij daar niet zo zeker meer van. Hij liep naar het achterste trappenhuis, luisterde aandachtig, liep vervolgens de trap op en was er op bedacht dat niemand hem zag. Halverwege hoorde hij stemmen van boven komen. Hij liep snel terug, opende de deur van de derde verdieping, keek de gang in, zag niemand, stapte naar  binnen en sloot de deur. Hij wachtte nog twee minuten, nadat de voetstappen en stemmen voorbij waren gegaan. Voorzichtig opende hij de deur, keek en luisterde, stapte het trappenhuis weer in en vervolgde zijn klim naar de zevende verdieping van het hotel.

Na een blik te hebben geworpen op de gang, die volkomen leeg was, liep hij snel naar kamer 713. Hij klopte vier keer kort op de deur, wachtte even en klopte nog twee keer. De deur ging op een kier. Twee donkere ogen keken hem aan. Toen duwde ze de deur helemaal open.
“Eindelijk, schat, kom gauw binnen”, zei zijn geheime liefde. Hij omarmde zijn vriendin en ze kusten elkaar hartstochtelijk.
Even later vlogen de kledingstukken in het rond en in een oogwenk lagen de geliefden ineengestrengeld op de grond, genietend van hun gepassioneerde liefdesspel.

Na een uur vroeg Hanane of hij iets wilde eten.
“Nee, ik wil jou. Ik wil meer, meer, meer.”
De mooie, Marokkaanse Hanane schaterde van het lachen en dook bovenop hem.
Ze verloren zich weer in elkaar en hoorden daarom niet dat er geklopt en gebeld werd. Toen er keihard op de deur werd gebonsd, schrokken ze.
“In de douche “, zei Hanane zachtjes, “en neem al je spullen mee.” Hij volgde gedwee haar orders, zich afvragend wie er op de deur stond te bonken.

Hanane deed een short en een t-shirt aan en liep naar de deur. Ze deed de deur op een kier, maar werd met brute kracht achterover geduwd, terwijl de deur wijd open sloeg.
“Waar is ie, waar zit die klootzak?”, krijste een woedende vrouw.
“Er is hier niemand”, schreeuwde Hanane, die opstond. “Mijn kamer uit, anders bel ik de politie.”
Achter haar kwam haar minnaar tevoorschijn. “Laat maar, Hanane, het heeft lang genoeg geduurd.”
De vrouw riep met schelle stem: “Vuile klootzak. Vreemdgaan, mij belazeren en denken dat ik er niet achter kom? Godverdomme, Henk Wilders, wat ben jij een hufter.”
Er viel een ongemakkelijke stilte. Daar stonden ze dan, met zijn drieën. Ingrid tegenover de betrapte Henk en Hanane.

Een kort verhaal van:

Meander

Liefde en Begrip

Zonder toekomst…?

Zonder toekomst…?

Timo stapte als een van de laatsten uit de overvolle trein en schuifelde achter in de duwende groep forenzen over het perron naar de plek waar de gehaaste massa de trap naar de hal verhulde. Hij liet de meeste mensen voorgaan en daalde toen langzaam de trap af. Hij liep door de hal naar de poortjes om uit te checken en slenterde het station uit, op weg naar het zoveelste uitzendbureau. Op zoek maar werk, zoals hij dat al meer dan vier jaar deed.
Zijn vertrouwen in een stralende toekomst was verdampt. Afgestudeerd als historicus met een prachtige cijferlijst, was hij vol goede moed op zoek gegaan naar een uitdagende baan. Na twee jaar begreep hij dat zijn intelligentie en persoonlijkheid er niet toe deden. Hij had het verkeerde vak gestudeerd, was een vaak gehoorde reactie.

Timo liep over het Damrak, langs de vele winkels en restaurantjes, tot hij bij het uitzendbureau was. Half negen. Een half uur te vroeg, dan maar even een cappuccino pakken bij Krasnapolsky. Een norse ober bracht hem de cappuccino en morste daarbij op het schoteltje, toen hij de cappuccino te hard op het tafeltje neerzette. Zonder iets te zeggen draaide de ober zich om. Timo haalde zijn schouders op en dacht: wat een boer. Hij pakte een krant en zag de koppen. Wat een ellende overal, dacht hij. Rellen in Parijs en Marseille. Alweer meer werklozen, vooral onder jongeren. Hij had bij de Sociale Dienst gevraagd of hij zich kon laten omscholen, maar het antwoord was nee. Hij moest blijven solliciteren. Omscholen kon niet, daarvoor was hij te kort geleden afgestudeerd. En dan vonden ze het raar dat hij geen werk vond, dacht hij voor de duizendste keer. Hij nam een slok van zijn cappuccino en keek verveeld voor zich uit.

Timo werd steeds chagrijniger en dacht aan morgen. Dan moest hij verplicht vrijwilligerswerk doen als maatschappelijke tegenprestatie. Verkapt werken met behoud van uitkering, dat was het. Hij had er de schurft aan. Zes uur ouderen in rolstoelen heen en weer rijden. Van en naar hun kamer, soms naar buiten, maar meestal naar de activiteitenruimte, of het restaurant. Twee keer per week moest hij opdraven.
Hij had de hoop om aan het werk te komen inmiddels opgegeven. In het begin had hij nog thuis nog veel zitten studeren. Hij had wilde zich verder specialiseren in de Vaderlandse geschiedenis en de relatie met de Europese ontwikkeling, maar na twee jaar raakte hij zo gedemotiveerd, dat hij het niet langer volhield. Televisie kijken, ongezond eten, boos zijn, vrijwilligerswerk doen en werk zoeken. Dat was zijn leven. Dat wil zeggen hij fietste veel en liep hard. Vier keer per week tien tot vijftien kilometer. Hij trainde voor een marathon, maar ook hiervoor kon hij zich niet iedere week voldoende motiveren.

Het was bijna tijd, zag Timo, daarom liep hij naar de bar om af te rekenen. De ober zag hem aankomen, keek hem aan, draaide zich om en liep de keuken in. Na een paar minuten kwam de man terug en legde zonder iets te zeggen het bonnetje voor Timo’s neus. Timo betaalde precies gepast, wat hem op een afkeurende blik kwam te staan, maar dat zag hij niet.
Hij pakte zijn tas, keek op zijn Nokia en zag dat hij al te laat was, maar wat maakte het uit. Het werd toch weer een zinloos bezoek. Hij liep langs de Bijenkorf, stak over en aarzelde even toen hij de deur van het uitzendbureau open wilde doen. Ik kan ook naar huis gaan, dat scheelt een overbodig en irritant gesprek, dacht hij. Hij duwde de deurkruk naar beneden en liep toch naar binnen.

“Goedemorgen”, zei een jonge vrouw met een brede lach die van haar gezicht spatte. “Jij bent vast Timo. Fijn dat je er bent. Ik ben Muriël Cijntje. Wil je iets drinken?”
“Ehh, ja, ehh”, stamelde Timo, overrompeld door de vriendelijke, vrolijke ontvangst en onder de indruk van Muriël met haar lichte teint, donkerbruine ogen en sympathieke glimlach.
Ze liep om de balie heen en gaf hem een hand. “Loop maar even mee, dan halen we het samen.” Ze keek hem van opzij aan. Timo zag dat ze haar wenkbrauwen licht optrok en haar glimlach bewoog bijna onmerkbaar. Omdat Muriël thee nam, deed hij dat ook. Daarna liepen ze naar een spreekkamer. Muriël liep even weg om een paar documenten te halen.

“Geweldig, Timo. Een historicus. Die hebben we hier nog niet gehad en je komt precies op tijd.”
“Op tijd?”, vroeg Timo.
“Dat komt straks. Even kijken. Timo de Monteiro. Vijfentwintig jaar. Doctoraal geschiedenis.” Ze keek hem even aan en hij keek terug in haar glinsterende ogen. “De Moreiro, is dat Portugees?”, vroeg Muriël.
“Ja”, zei Timo. “Mijn betovergrootvader was Portugees en is toen hij twintig was geëmigreerd van Portugal naar Curaçao. Mijn opa kwam een Nederlandse vrouw tegen en is in 1960 met haar naar Nederland gekomen.”
“Bo papia Papiamentu?”, vroeg ze.
“Nee, spreken niet, maar ik kan het wel een beetje verstaan.”
“Grappig”, zei ze, terwijl ze voorover leunde. “Mijn ouders komen van Curaçao en Aruba.”
Timo vond Muriël erg leuk en genoot van het gesprek. Hij vroeg: “Heb je werk voor me?”
“Laten we eerst nog een kop thee halen”, zei ze, terwijl ze opstond en met twee handen haar donkere, sluike haar naar achteren over haar schouders schoof.

Ze liet hem voorgaan bij de automaat en stond achter hem. Hij voelde haar zachte aanraking, toen ze met haar arm zijn bekertje beter onder de automaat zette. Wat een leuke meid, dacht Timo.
Toen ze weer zaten, zei Muriël: “Het Rijks zoekt een historicus voor het beheer van de bibliotheek, het adviseren van specifieke bezoekers, het doen van onderzoek en het schrijven van publicaties. Je lijkt me erg geschikt, bovendien heb je veel artikelen geschreven, zag ik.”
Timo vertelde wat hij had gedaan en Muriël stelde vragen. Ze vroeg hem wat hij verder deed in zijn vrije tijd en toonde begrip voor het feit dat hij het vrijwilligerswerk zat was.
Timo wist niet wat hem overkwam. Een baan Een leuke vrouw, die hem ook wel leuk vond, tenminste zo leek het. Wat gebeurde er allemaal? Liep hij te hard van stapel?
“Lijkt me een fantastische baan”, zei Timo om bij de les te blijven. “Wat moet ik er voor doen?”
“Ik bel even om te kijken of we gelijk langs kunnen komen”, zei Muriël. “Zij hebben haast.”

rijks

Drie uur later liepen ze het Rijksmuseum uit en had Timo in principe een jaarcontract op zak. Wat een verschil met vanmorgen dacht hij. En wat is Muriël goed in haar werk. Geweldig. Hij keek eens naar haar en zij keek terug. Iets te lang, dacht hij.
“Zullen we ergens verlaat lunchen?”, vroeg Timo. “Ik trakteer.”
“Graag, Timo, maar ik trakteer. Ik heb een goede baan en jij begint pas met geld verdienen.”
“Ja maar”, protesteerde Timo.
Muriël zei: “Ik wil heel graag met je lunchen, maar deze is voor mij. De volgende keer is voor jou.”
De volgende keer?, dacht Timo. Hij merkte dat hij bloosde en keek zo goed en kwaad als dat ging om zich heen.

Ze lunchten in een klein eetcafeetje op de Prinsengracht en kletsten onderwijl honderduit, tot Muriël riep: “Shit. Ik moet snel terug. Mijn volgende afspraak is er al over een kwartier.”
“Ga maar gauw. Ik  betaal wel. Ik vond het erg fijn en heel erg bedankt.”

Toen Muriël bij de deur stond, draaide ze om en liep terug. “Ik vind je erg leuk en zou graag nog eens afspreken. Bel je mij?”
Ze gaf hem drie zoenen op zijn wangen en liep weg, een stomverbaasde, verbouwereerde, maar ook opgetogen Timo achterlatend. Ze rende naar een tramhalte, omdat de tram die ze moest hebben er aan kwam.

Na enige tijd kwam Timo bij van het verschil tussen dag en nacht, op deze verrassende, zevende mei. Hij rekende af en besloot naar het station te lopen, want de toekomst lachte hem eindelijk toe, het was mooi weer en hij had alle tijd. Maandag de twaalfde zou hij beginnen als historisch adviseur en wetenschappelijk onderzoeker bij het mooiste museum van Nederland. Hij nam zich voor Muriël vanavond al te bellen. Wauw wat een vrouw.

Het was druk en hij moest goed oppassen. Auto’s en fietsen reden door rood. Ontelbare voetgangers deden lopend hetzelfde. Typisch Amsterdam, dacht Timo, die ineens in alles het positieve zag. Een tram kwam met rinkelende bel voorbij. Een voetganger sprong nog net op tijd weg. Timo lachte om de geschrokken man, die tierend en vloekend de trambestuurder uitschold, maar die hoorde het niet, want de tram was zonder te stoppen al doorgereden.

Via het Leidseplein liep hij de Leidsestraat in, om vervolgens via het Koningsplein en het Spui door te steken naar het Rokin. Hij voelde zijn telefoon trillen. Een app. Nee, drie. Hij keek er naar en glimlachte. Het was Muriël. Wat een doortastende dame, dacht hij.
Timo keek even op toen hij de Kalverstraat kruiste, wurmde zich door massa toeristen en zag het Rokin op vijftig meter afstand voor zich.

gvb822 spui rokin

“Vanavond?”, was het eerste appje. “Pacifico, Warmoesstraat?”, de tweede. En de derde sloeg alles. Muriël had hem een kloppend hart als icoontje gestuurd. Hij voelde van alles, maar wist tegelijkertijd niet meer hoe hij het had. Enigszins verdwaasd liep hij verder, kwam tot de conclusie dat hij smoorverliefd was en zij ook. Ze waren als een blok voor elkaar gevallen. Verliefdheid is gevaarlijk, dacht hij nog. Toch lette hij niet op het verkeer.

Iemand gilde, de luid rinkelende bellen van twee trams klonken. De trams probeerden nog te remmen. Meer mensen gilden en schreeuwden, toen beide trams met een klap tot stilstand kwamen, precies op het zebrapad. Vijf minuten later kwam de ambulance met hoge snelheid en loeiende sirenes aan rijden. Het zag inmiddels zwart van de mensen, waarvan velen het niet konden laten om het slachtoffer te filmen en te fotograferen. Politieagenten hadden hun handen vol om de sensatiebeluste menigte weg te duwen.

Die avond zat Muriël in Pacifico. Ze zag er schitterend uit in haar donkerblauwe, licht glinsterende jurkje. In haar ogen blonken tranen. Ze luisterde en luisterde en hield zijn handen stevig vast. Timo vertelde beschaamd, hoe hij met zijn verliefde hoofd bijna, door niet één, maar twee trams was overreden. Omdat iemand anders twee meter voor hem had gelopen, was die man door beide trams geraakt en met een ambulance afgevoerd.
Als die man daar niet had gelopen, was ik er niet meer geweest, dacht hij, maar hij zei het niet, omdat hij zag wat hij wilde zien en hij wilde dat niet bederven.
Muriël stond op en boog zich over de tafel naar Timo. Ze kuste hem zacht en lang op zijn mond. Een traan liep traag over haar wang. “Ku Dios ke, mi dushi”, zei ze zacht.

 

Meander

Coração

Spiegelal

Spiegelal

Het Spiegelal is een heelal waar alles zijn voortdurende, meerdimensionale spiegelbeeld heeft, en is. Met alles worden niet alleen een fysieke figuren bedoeld, maar ook geluiden, eigenschappen, of ideeën.

Voordat we verder gaan met het Spiegelal, een korte beschouwing van het begrip spiegelbeeld. Het spiegelbeeld wordt vaak de tegengestelde weergave van de werkelijkheid genoemd. Als het louter een tegengestelde weergave zou zijn, of letterlijk het tegengestelde, dan zou het vergelijkbaar zijn met het concept van materie en antimaterie. Dat is echter niet het geval, want als we voor de spiegel staan, verdwijnen wij en ons spiegelbeeld niet als ze elkaar ontmoeten. Zo is dat ook in het Spiegelal. Het gaat ook in het intens reflectieve Spiegelal niet om tegengestelden.

Als wij op onze aarde in ons heelal voor de spiegel staan, gebruiken we een omgedraaide versie van onszelf om bijvoorbeeld ons haar te kammen. De omgedraaide versie van onszelf wordt opgemaakt, of geschoren. We bekijken ons omgedraaide zelf om te zien of we er goed uit zien. We zien onszelf in een spiegel niet zoals we zijn, maar we hebben geleerd daar mee om te gaan en ervaren het als vanzelfsprekend. Als we weggaan van de spiegel, zien we ons spiegelbeeld niet meer. Het spiegelbeeld is niet verdwenen, maar we kunnen het niet meer waarnemen.

Als we over straat lopen, kunnen we onderweg ons spiegelbeeld en dat van anderen waarnemen in ramen, of glimmende oppervlaktes van auto’s, trams en andere objecten. Het spiegelbeeld gaat met ons mee, zoals onze schaduw er ook altijd is, maar pas zichtbaar wordt door de zon of een andere lichtbron. Spiegelbeelden kunnen vanuit verschillende hoeken worden gezien en vaak geldt dat voor meer dan een spiegelbeeld tegelijk, als er een veelvoud aan reflecterende oppervlakten is.
Het spiegelbeeld dat wij kennen, is in ons heelal afhankelijk van licht, net als een schaduw. Een schaduw die, in tegenstelling tot een spiegelbeeld, geen omdraaiing kent. In het Spiegelal is iedere spiegelbeeld echter zelfstandig en afhankelijk tegelijk, met of zonder licht. Het spiegelbeeld van een origineel is tevens het origineel van andere spiegelbeelden, terwijl het eerst genoemde origineel een spiegelbeeld is van een ander spiegelbeeld dat op zich weer een origineel is.

Het Spiegelal kent een oneindig aantal soorten spiegelbeelden naast het ons bekende spiegelbeeld.
Een voorbeeld is het spiegelbeeld van geluid dat eenvoudigweg wordt gereflecteerd door een oppervlak. Afhankelijk van dat oppervlak krijgt het spiegelbeeld vorm, of wordt het uit een bepaalde hoek ervaren. In ons heelal zijn we in staat een tegengestelde geluidstrilling op een geluidstrilling af te sturen, waardoor er niets te horen is op de plaats waar ze elkaar ontmoeten. Dat is echter niet wat er bedoeld wordt met een spiegelbeeld van geluid. Het geluid wordt omgedraaid en voor zover dat relevant is als begrip in het Spiegelal, verandert rechts in links en links in rechts. Onder in boven en boven in onder. Voor in achter en achter in voor. Binnen in  buiten en buiten in binnen. Van het een in het ander en andersom.

In het Spiegelal is in basis sprake van zestien spiegelbeelden. Geen zeventien, omdat de laatste dimensie net als bij ons niet kan worden gespiegeld door de een na hoogste dimensie. Logischerwijs zijn er dus 1716 spiegelingen mogelijk.

In het Spiegelal is sprake van verrijking van het origineel. Meervoudige spiegelbeelden van geluid, gedachten, gevoelens, smaak, kleur en schaduw, laten de waarnemer het origineel van verschillende kanten en op verschillende manieren ervaren.
Het meervoudige spiegelbeeld van een gevoel en niet het meervoudig tegenovergestelde van dat gevoel. Wat is dat dan?
Stel u bent teleurgesteld. Wat is een spiegelbeeld van teleurgesteld? Tevreden kan het niet zijn, want dat is een tegenovergestelde. Het is een omdraaiing. Het is vermoedelijk een omgedraaide beleving van teleurgesteld. Het blijft teleurgesteld, maar dan anders(om).
Anders(om) lyrisch zijn. Wat kunt u zich voorstellen bij een multidimensionaal gespiegeld lyrisch zijn?
Nog een stap verder. Wat kunt u zich voorstellen bij een mix aan gevoelens en gedachten, als ze multidimensionaal gespiegeld zijn?

Stelt u zich eens voor dat u de in het Spiegelal geldende integraliteit van spiegelbeelden op alles toepast, zoals uw gedachten, uw dromen, uw bewegingen. Hoe beleeft u die integrale weerspiegelingen dan?
Is het spiegelbeeld, dat zo volledig is in het Spiegelal, de enig zichtbare, of beter gezegd de enig beleefbare meervoudige parallelle situatie in dat heelal? Of… van dat heelal?

Een voorbeeld gerelateerd aan onze beleving. We gaan uit van een vrouw die in een auto rijdt en die, zoals het hoort, steeds in de achteruitkijkspiegel kijkt, maar ook voor zich. In het Spiegelal beleeft ze een bewegende wereld waar alles, maar dan ook alles, veelvoudig omgekeerd is. Dat geldt niet alleen voor het beeld dat ze ziet, maar voor alles. Een meervoudig omgedraaid gesprek dat twee dames voeren op de achterbank bijvoorbeeld. Ziet ze meervoudig omgedraaide kleuren en corrigeren haar hersens dat, omdat haar hersens er mee hebben leren omgaan? De hersens die zelf meerdimensionaal gespiegeld zijn en daarom geschikt zijn om te kunnen bestaan in het Spiegelal. Hoe vergaat het haar op een kruispunt met verkeerslichten?
Een voorbeeld dat tot denken aanzet, in de veronderstelling dat mensen, als vorm, in een Spiegelal zouden kunnen bestaan.

Het Spiegelal gaat echter veel verder dan wat hier boven is beschreven, omdat het concept van het spiegelbeeld dat wij kennen, maar een dimensie is, de dimensie van de omdraaiing. Het ons bekende spiegelbeeld kan slechts tweedimensionaal worden waargenomen. Het echte spiegelbeeld is minimaal driedimensionaal, maar we beschikken (nog) niet over de middelen, of zintuigen om het driedimensionaal waar te nemen. Of we beschikken nog niet over een bruikbare driedimensionale spiegel.

In het Spiegelal is sprake van zeventien dimensies, waardoor de enkele dimensie van de eenvoudige omkering een volstrekt andere interpretatie krijgt. Als u thuis in een spiegel kijkt, is links in feite rechts en andersom. Wat de spiegel niet doet, is boven en onder omkeren, om over voor en achter, hard en zacht, binnen en buiten nog maar te zwijgen. In het Spiegelal is een spiegelbeeld meervoudig (om)gedraaid, afhankelijk van de kwaliteit, de ouderdom, de interpretatie en de manier waarop het spiegelbeeld wordt ervaren. Een spiegelbeeld van een bepaalde smaak is van links, rechts geworden, van onder naar boven gegaan, van voor naar achteren gegaan. Een zure smaak blijft zuur, maar wel zestiendimensionaal omgedraaid. Wellicht is de verdraaiing van de smaak er de oorzaak van dat de spiegelbeelden een andere twist geven aan een smaak en er een meerdimensionaal reflecterende smaakexplosie van maken.

Deze kenmerken van het Spiegelal, toegepast in zeventien dimensies, betekent dat de complexiteit van het spiegelbeeld een betere weergave oplevert van het origineel. In het Spiegelal zouden wij, dankzij dit multispiegelbeeld, meer inzicht in onszelf krijgen. Behalve ons haar, ons gezicht en onze kleding, zouden we onszelf veel meer kunnen, en willen, fatsoeneren en verbeteren dan we ons nu kunnen voorstellen.

Of…? Kunt u zich dat toch voorstellen? Kunt u in gedachten alle aspecten van u zelf in meervoudige spiegelbeelden zien, of begrijpen? Kunt u dat? Om het te ervaren, te beoordelen en indien gewenst te corrigeren?
Meander denkt dat u ja zegt, omdat u het graag wilt kunnen, omdat u wellicht een workshop spiegelen hebt gedaan in het kader van neurolinguïstisch programmeren, of omdat u graag mee wilt doen. Het is een begin, maar wat stelt u zich dan voor bij een spiegelbeeld in zeventien dimensies als u aan alle aspecten van uzelf denkt?

Wat is het effect van die meerdimensionale spiegelbeelden op het Spiegelal? Dat is niet bekend. In eerste instantie niet, omdat het Spiegelal zeventien dimensies kent en dat vraagt om een nog te ontdekken analysemethodiek, of theorie over de betekenis van zeventien dimensies gebaseerd op de natuurwetten die gelden in het Spiegelal. Wij kennen slechts de dimensies van ons heelal die in onze natuurwetten theoretisch niet verder gaan dan elf of twaalf dimensies. Maar die kunnen wij niet waarnemen. Wij beperken ons tot drie en hooguit vier als we het concept ruimte-tijd meenemen.

Virtuele wetenschappers in het Spiegelal breken zich er waarschijnlijk hun hersens over. Ze vragen zich bijvoorbeeld af of een minderdimensionaal origineel, een spiegelbeeld in hetzelfde aantal dimensies kan hebben. Als we dit vergelijken met ons heelal en u denkt aan een punt. Wat is dan het spiegelbeeld van een punt en hoeveel dimensies heeft dat spiegelbeeld? Een tweedimensionale lijn in een plat vlak, heeft schijnbaar nooit meer dan een en hetzelfde tweedimensionale spiegelbeeld. Anders gezegd is er een spiegel die eendimensionaal spiegelt? In principe niet, omdat de eerste dimensie een dimensie minder dan zichzelf kan waarnemen, in dit geval nul.

In het Spiegelal zijn de hogere dimensies ook niet waarneembaar door lagere dimensies. Hetzelfde geldt voor alle spiegelbeelden. Het is echter niet relevant, omdat lagere dimensies niet meer zijn dan bouwstenen van hogere dimensies. Als er waarnemers zijn, dan nemen die spiegelbeelden waar in dezelfde dimensie als waarin ze bestaan minus één. Een goede manier om de beleving van meerdimensionaliteit en parallelliteit te bespreken is het Droste-effect.

Het Droste-effect, genoemd naar de beeltenis op de cacaobus van Droste, wordt multiple toegepast in het Spiegelal. Op het cacaobusje staat een vrouw die in haar hand een cacaobusje heeft waar ze zelf op staat met een cacaobusje waar ze weer zelf op staat met een cacaobusje, enzovoort. Hetzelfde effect krijg je als je twee spiegels tegenover elkaar zet en je gaat er zelf tussen staan. De spiegelbeelden van de spiegels gaan oneindig vaak door in beide spiegels. Je kunt dit ook met meer dan twee spiegels doen.

Wat is het effect als we een bol maken van zestien spiegels met hun spiegel naar binnen gekeerd. U staat zelf als het origineel precies in het midden. Het Droste-effect bestaat in het Spiegelal in de vorm van zestien dimensies, maar wel oneindig, net als in ons heelal.
Wat denkt u allemaal te zien? Denkt u dat u met deze proefopstelling het gevoel kunt krijgen dat u zelf een reflectie bent? Let wel meer dan een benadering is het niet, omdat het zestien simultane spiegelbeelden zijn van spiegelbeelden en van het origineel.

Hoe belangrijk is het multidimensionale spiegelbeeld in het Spiegelal? Het verrassende antwoord is, dat het helemaal niet belangrijk is. Op de keper beschouwt blijft een spiegelbeeld, ongeacht het heelal of het aantal dimensies en reflecties, een handige vorm van een bruikbare leugen.
Spiegelbeelden zijn afhankelijk van de mogelijkheden tot reflectie en de mogelijkheden tot waarneming van reflecties. Het zijn ontastbare beelden van de werkelijkheid. De werkelijkheid die in het Spiegelal zelf een spiegelbeeld is. Ontastbaar, maar wel beleefbaar, mits waarneembaar.

Alles in het Spiegelal bestaat uit reflecties. Verdraaide, omgedraaide, omgekeerde, getwiste beelden van de werkelijkheid. De werkelijkheid die zelf een spiegelbeeld is van de weerspiegelingen van zichzelf. Een van de uniciteiten van het Spiegelal is, dat naast de zeventien dimensies van originaliteit, ieder spiegelbeeld zestien mogelijke weerkaatsingen kent. Het komt er op neer dat er minimaal zeventien tot de zestiende macht aan reflecties mogelijk zijn. Dat is bijna 49 triljoen spiegelingen per element of aspect.
Stelt u zich eens voor dat al uw gedachten en gevoelens zo vaak gespiegeld worden en eigenlijk al reflecties zijn in zichzelf?

Een prangende vraag over het prachtige, wonderlijke Spiegelal is wat die werkelijkheid feitelijk is. Deze vraag lijkt welhaast onbeantwoordbaar, omdat het juist de bespiegelingen van het Spiegelal zijn die de werkelijkheid lijken te zijn. Halen de spiegelbeelden de werkelijkheid in, of andersom? Zijn de spiegelbeelden het origineel in het Spiegelal en is het origineel slechts een reflectie, of is er geen verschil? Uiteindelijk komen we zo al redenerend bij de ultieme vraag van dit hoofdstuk over dit heelal. Bestaat het Spiegelal wellicht uit een volledig niets, behalve bespiegelingen?

 

Spiegelal

 

Spiegelal is een van de negenentwintig hoofdstukken van een boek over heelallen, dat wordt geschreven door Meander. Deze publicatie is een voorproefje. Meer weten? Meedenken? Mail naar voor@meanderblog.nl.

Meer informatie:
Stephen Hawking

Multiverse
Spiegelbeelden

Fatal Feelings

Fatal Feelings

Susan parked her car on the driveway. The porch and front terrace were lit brightly. This shouldn’t be so, because nobody was home and she was certain, she had not left the lights on. Donald wasn’t at home, because he was occupied until ten this evening and needed almost two hours to drive home. His car wasn’t on the driveway. She felt uneasy and tried to tell herself that there was nothing to worry about, but suddenly an uneasy feeling made her body shiver.

She looked closely but didn’t see any lights in the house, though she had the impression she had briefly seen a dim light on the upper floor. She was not sure and thought her imagination was fooling her. Susan opened the door of the car, hesitated, closed the door again and locked the doors, because she was afraid. Fear was a sense that was strange to her, but now it was there, sudden and intense. She looked round and saw an unfamiliar car on the other side of the street.

After a few minutes Susan picked up her phone and tried to reach Donald, but that didn’t work and she knew why. Donald was a media specialist and therefore a keynote speaker at a conference on the abuse of social media and his phone was probably switched off.
Susan observed the house more closely for a while and again she came to the conclusion that nothing was going on in there. Meanwhile uncertainty ran through her veins causing a feeling of panic as she had never experienced before.

Susan pulled herself together, got out, shut the car and walked to the porch with her handbag over her shoulder and in each hand a shopping bag. She put the bags down and opened the door, went inside, tapped with her elbow on the light switch and walked into the kitchen, where she dropped the bags on the table.

FeelingsSusan looked round and saw that a knife was missing from the knife block. She inspected the dishwasher, but it wasn’t there. Susan searched for other suspicious clues. Then she heard a soft sound on the first floor. She grabbed her bag and ran, half stumbling out of the house, leaving the door open. She jumped in her car and drove away as fast as she could. Three blocks further she parked the car and phoned Donald. Again she got his voicemail. After begging him to call her back, she sent him an app: “Urgent. Call, please.”, but she saw that the app had not been received.

Susan drove back, stopped again and called the police. She explained what she had heard and that she thought someone was in the house. The officer asked her to repeat and then told her that they were quite busy at the moment. He assured her that a patrol car would come by in one or two hours. She insisted that they should come immediately. The officer got annoyed by her persistence and told her that the situation was too vague to respond to. Susan took a deep breath, pushed the red button to disconnect and regretted phoning the police. Unnecessary fear, she thought. I’m just tired. Moments later she was back on the driveway.

Susan saw the front door open, remembered that she had left it open and walked in, closing the door behind her. She switched on all the other lights. Then she sat down and listened to all sounds for over fifteen minutes, but she heard nothing special or alarming. She still felt uncomfortable and experienced a mix of uncertainty, anxiety and growing anger. She walked to the storage under the stairs and took one of Donald’s baseball bats with which she slowly walked up the stairs. She had almost reached the first floor when she heard a very soft, scratching sound. It made her feel tense and alert and though she was afraid, she became more and more angry. Now, she wanted to know who or what was in her house. Could it be an animal? Raccoons again?

Susan swiftly opened the door of the first spare bedroom, waving wildly with the baseball bat. With one hand she opened the cabinets, in the other hand holding the baseball bat, ready to hit. She repeated the procedure for the second extra bedroom and the study, but she found nothing. Still, her feeling said something wasn’t right.

Susan turned around, passed their bedroom and walked into the direction of the bathroom, because she heard a soft noise coming from that direction. She was about to open the door of the bathroom as she picked up a sound behind her. A shadow came from behind. Susan made a half turn, roared loudly and swung the bat fiercely against the person behind her. The result of her ferocious attack was a screaming Donald, tumbling over the balustrade, falling almost 15 feet onto the floor of the living. He broke his neck and died instantly, no longer being able to say: “Surprise!”

Logo Meander

Deadly Feelings:

The Fear of Freedom (Erich Fromm) Original

Escape from Freedom (Erich Fromm) Typical North American Version

The Fear of Freedom Escape from Freedom

 

Het verhaal dat niet verteld wilde worden

Het verhaal dat niet verteld wilde worden

Er was eens een verhaal dat niet verteld wilde worden
‘niemand zit op mij te wachten’ zei het verhaal als iemand er naar vroeg
‘ik ben te waar om mooi te zijn en mensen houden daar niet van
de mensen willen sprookjes die betoveren en verhalen die goed aflopen”
lispelde het verhaal
“ik ben niet zo, ik ben niet betoverend mooi en ik loop ook niet goed af
sterker nog; ik loop helemaal niet af
mijn verhaal gebeurt nog steeds en al heel lang
ik ben te echt
ik heb geen punten, enkel komma’s

Mensen houden daar niet van

Het verhaal had niet eens een boek om in te wonen (zoals het hoort)
maar stond versprokkeld en verspreid over het wereld wijde spinneweb
in het land waar niemand op zat te letten

“ Iedereen walgt van mij” zei het verhaal
“zelfs zij die mij op proberen te schrijven walgen van mij
Eerst probeerde ik het nog wel; verteld te worden
ik riep net zo lang om me heen tot iemand me vond
maar als ze eenmaal begonnen met schrijven ging het al snel mis
sommigen werden gek van verdriet, anderen verdwenen
een aantal werd doodgemaakt door de mensen waarover ik vertel
en de paar die het wel volhielden kwamen er al snel achter
dat ze de enigen waren die naar me wilden luisteren
ik ben niet gezellig op een feestje, ik doe het niet leuk onder de kerstboom
laat staan voor het slapen gaan

Ik maak zelfs een nachtmerrie nog wakker”, zei het verhaal
“Dat komt omdat ik niet afloop, en wie wil er nou weten
wat er waar is, wat er daar is, op die plek die we niet noemen
waar kinderen dood gaan en nette mensen nare mensen zijn?
wie wil er nou een dooie held zijn in een verhaal waar niemand op zit te wachten
het verhaal was er niet al te best aan toe
omdat het nooit echt verteld werd, kwam er dus ook nooit echt een einde aan
het ging maar door en door en door
elke dag kwam er een bladzijde bij
langzaamaan begon het zo zn eigen web te vormen
binnen het wereld wijde spinneweb

Op een dag werd er een meisje wakker
ergens boven in het land
dat op begon te letten

Het was moeilijk om achteraf te zeggen wie wie vond
de geschiedenis zal het houden op; ze vonden elkaar
het meisje vond het verhaal en het verhaal vond zichzelf in haar
het was een wonderlijk duo

En net als de rest
deed ze haar best
eerst werd ze woest van waanzin
toen half gek van verdriet
de mensen waar het verhaal over vertelt hadden haar al snel gevonden
en ze was wel bang, maar ze deed het toch
ze schreef en ze schreef en ze las en ze las
en vertelde het overal te pas en onpas
-vooral aan iedereen die het niet wilde horen-
op feestjes, onder de kerstboom
en vlak voor het slapen gaan

Zo hield ze maanden en maanden
haar eigen nachtmerries wakker
maar er waren geen oren die al wilden horen
en niet genoeg ogen die al konden zien
het meisje werd wanhopig ( en das nooit heel erg handig als je in een sprookje zit)
ze brak haar hart en toen haar hoofd
en uiteindelijk gaf ze het op
ze legde het verhaal op een planck
waar zelden iemand keek
in een huis, waar nooit meer iemand langs kwam
en fluisterde tegen het verhaal; zo kan ik jou niet vertellen
dit is niet te doen, en niet de manier
ik moet eerst sterker zijn
en niet meer boos
en niet meer bang
en niet meer in de war zijn
als ik klaar ben kom ik terug, beloofde ze
en ze deed de deur in haar hoofd dicht en die naar haar hart weer open

Het verhaal begreep het wel
En nam het haar maar een heel klein beetje kwalijk
ze was te slotte al best ver gekomen

Seizoenen gingen voorbij.
het meisje deed dingen waar niemand van droomde
maar die iedereen bijzonder vond
af en toe vergat ze het verhaal
dan was ze gelukkig
maar het verhaal liet haar nooit los
‘ooit moet het mogelijk zijn, dacht ze
om met het verhaal in 1 kamer te zijn
en gelukkig te blijven’
om het te vertellen, zonder dat het me breekt
ooit wordt dit een liefdes verhaal, besloot ze
kan me niet schelen wat ze zeggen; het is nog nooit gebeurt
dus ik denk dat ik het wel kan

En ze deed nog een heel klein beetje beter haar best

Maanden gingen voorbij
af en toe klopte het verhaal weer aan haar deur
en las ze weer een stukje
schreef ze weer eens wat
maar het was nog te pijnlijk
om er over te vertellen
dus ze deed de deur weer dicht

Het verhaal begon de moed te verliezen
elke keer dat ze langs kwam had het hoop
en elke keer dat ze verdween
verdween er iets in het verhaal zelf
hoe vaker ze nee zei, hoe minder het verhaal nog in haar geloofde

Op een dag was ze klaar, vond ze zelf
ze kon aan het verhaal denken zonder dat het haar brak
ze was niet meer boos en ook niet meer bang
laat staan in de war
in haar hart was het warm en het vuur brandde stevig van binnen
“nu kan ik je denk ik wel vertellen, zei ze tegen het verhaal
helemaal, zonder iets weg te laten
zonder bang te zijn voor de mensen waarover je vertelt
toe maar, ik ben er klaar voor

Maar het verhaal zweeg
“ik wil niet meer verteld worden, zei het verhaal
wat heeft het voor zin?
“tuurlijk, er zullen koppen rollen
en monden open vallen
er zullen kinderen gered
en kinderen doodgaan
en dan?
begrijp me niet verkeerd, saai wordt het niet
maar wat heb je eraan?”

“Ze willen het niet horen
iedereen wordt er alleen maar ellendiger van
is dat soms wat je wilt?
nee, ik doe niet meer mee
laat mij maar met rust
zij willen niet luisteren
en ik wil niet meer verteld worden
zoek maar een ander verhaal”

Het meisje dacht even na
“maar jij bent mijn verhaal, zei ze

“nou en, zei het verhaal
je hoeft heus niet altijd alleen maar je eigen verhalen te vertellen hoor
heust niet- vertel maar over draken en kastelen
over tijden van komen en tijden van gaan
dat vinden de mensen mooi tegenwoordig
vertel maar iets over loslaten, das ten minste in de mode
zeker als je er een ijspaleis omheen zet
maar laat mij met rust als je weet wat goed voor je is”

Het meisje dacht even na
en zei toen iets wonderlijks
het was zo wonderlijk
dat alle verhalen – wereldwijd – er even van stil vielen
overal in het sprookjesbos en overal daarbuiten was het oorverdovend stil
wel een half uur lang, zelfs de paarden hielden hun mond
(en dat was echt nog nooit gebeurd)

Toen zei het verhaal;
“goed
als jij denkt dat dat helpt
dan wil ik het wel proberen

“ik denk het echt, zei het meisje
je moet er alleen wel weer in geloven
anders gaat het niet
dat is met alles zo

Het verhaal knikte wat onwennig
en zei toen zachtjes, heel zachtjes
zo zachtjes dat alleen de wind het kon verstaan;
“ ok “

Het meisje knikte goedkeurend
uit haar tas haalde ze een zakje met een lintje erom heen
ze priegelde wat en toen het knoopje uit de war was haalde ze er
haar kostbaarste bezit uit

“hier , zei ze
dit is mn onschuld
die mag je wel lenen
tot die van jou weer terug is

Het verhaal keek naar de onschuld
en de onschuld keek in het verhaal
“het lijkt wel wat op een afgrond” zei het verhaal
Het meisje knikte
“ja, daarom zag ik het eerst ook niet”
“Doet het pijn? vroeg het verhaal
“alleen in het begin, zei het meisje

Samen keken ze naar de onschuld
toen deed het verhaal zn mond open
slikte de onschuld door
en begon eindelijk te vertellen

En je kon het niet horen
het stond nergens in de kranten
en het was niet op het journaal
maar iedereen in heel het land
lette heel even op
want ergens diep van binnen
begon er iets te rommelen
het land werd wakker

De wekkers wezen 11:11 aan
dat was het begin

Door Ellen den Hollander

 

Verhaal

Ellen den Hollander is een niet samen te vatten karakter. Parallel in haar bestaan en in haar uitingen. Iemand die onzekerheid zo zeker ten toon kan spreiden dat ze elkaar omkeren. Een weerbarstige levenskunstenares die veel verder gaat dan het onmogelijke.

Zie ook: Facebook Ellen den Hollander

 

Dodelijk gevoel

Dodelijk gevoel

Suzanne parkeerde haar auto op de oprit. Het buitenlicht brandde, maar dat klopte niet, want Bas kon nog niet thuis zijn, omdat hij pas om elf uur klaar was die avond in Rotterdam en dan nog anderhalf uur moest rijden. Bovendien stond zijn auto niet op de oprit. Ze kreeg een beklemmend gevoel en werd bang.

Ze zag geen licht in huis branden, maar meende heel even licht te hebben gezien op de bovenverdieping. Ze wist het niet zeker. Suzanne deed de deur van de auto open, aarzelde en sloot de deur weer. Ze vergrendelde de deuren, omdat ze bang was. Angst was een gevoel dat ze nauwelijks kende, maar nu was het er opeens en intens. Ze keek om zich heen en zag een onbekende auto aan de overkant van de straat staan.

Na een minuut of vijf pakte Suzanne haar telefoon en probeerde Bas te bereiken, maar die nam niet op. Logisch, want hij was keynote speaker op een congres over misbruik van sociale media. Ze dacht even na, keek nog eens goed en kwam tot de conclusie dat er niets aan de hand was.

Suzanne stapte uit, sloot de auto af, liep met haar handtas om haar schouder en in iedere hand een boodschappentas de veranda op. Ze zette de tassen neer en stak de sleutel in het slot, waarna ze de deur opende. Ze liep met de tassen naar binnen, tikte met haar elleboog het licht aan en liep naar de keuken, waar ze de tassen neerzette. Op dat moment hoorde ze op de eerste verdieping een zacht geluid.
Suzanne wist niet hoe snel ze weg moest komen en rende half struikelend het huis uit. De deur bleef open staan, terwijl ze in de auto sprong en wegreed. Drie straten verder belde ze en appte ze Bas: “Spoed, bellen.” Ze kreeg de voicemail en de app werd niet eens ontvangen.

Suzanne reed terug, stopte halverwege weer en belde de politie. Die vroeg haar of ze iemand had gezien, of iemand had gehoord. Ze vertelde dat ze een zacht geluid had gehoord. De politie vond het te vaag en zei dat ze in de loop van de avond een surveillanceauto door de straat zouden laten rijden. Suzanne baalde, maar was het ook zat. Onnodige angst, dacht ze. Even later stond ze weer op de oprit.

De deur stond nog open. Suzanne liep naar binnen en deed alle lichten aan. Daarna ging ze zitten en luisterde een kwartier geconcentreerd naar alle geluiden, maar ze hoorde niets bijzonders. Omdat ze zich niet prettig voelde en onzeker was, liep ze naar de kast onder de trap en pakte een van de honkbalknuppels van Bas, waarmee ze vervolgens de trap op liep. Ze deed alle lichten aan en hoorde weer een zacht geluid. De spanning maakte haar alert en al was ze bang, ze wilde nu weten wie of wat er in haar huis was. Ze trok de deuren van de logeerkamer en de studeerkamer open en maaide met de honkbalknuppel om zich heen. Vervolgens opende ze met de ene hand de kasten, terwijl ze in de andere hand de honkbalknuppel omhoog hield, klaar om toe te slaan. Ze vond niets. Toch wist ze zeker dat er iets niet klopte.

Suzanne keerde om en liep langs hun slaapkamer in de richting van de badkamer, omdat ze meende daar iets gehoord te hebben. Plotseling hoorde ze een geluid achter zich en nam ze een beweging waar. Ze haalde uit en zag hoe een schreeuwende Bas de trap afdonderde. Hij brak zijn nek en was op slag dood. “Verrassing”, had hij nog willen roepen.

 

Gevoel

 

Angst is een wezenlijk gevoel

Onderweg……..

Onderweg……..

Schilderij “Op Huis Aan” van Ans Duin

De kleine, zwarte, smalle sloep gleed langzaam, maar ogenschijnlijk doelgericht door het stille water van de oneindige plas. De vrouw roeide met gestage regelmaat en raakte het water zo gracieus, dat er weinig rimpelingen achterbleven. Ze was onderweg. Onderweg naar de overkant, verborgen in de evenzo onzichtbare verte. Ze voelde zich vrij en genoot van de stille, vroege morgen.

De zon kroop boven de horizon en ervoer de vrouw en haar missie door haar eerste stralen als een caleidoscoop over water, boot en ranke gestalte te laten spelen. De goudblonde haren glinsterden en reflecteerden een palet aan onverwachte kleuren. Ze dacht nergens aan en voelde haar hele lichaam licht en ontspannend tintelen.

Er kwam een eend voorbij met een horde kleintjes, die al piepend in een onontwarbare kluwen achter haar aanzwommen met een voortdurend zichtbare drang om door te zwemmen, in de instinctieve wetenschap dat ze anders niet meer meededen. De vrouw keek ze na en verwonderde zich over het gemak waarmee de eend het tempo bepaalde en als vanzelfsprekend wist wat de geel-zwarte, donzen pulletjes deden en voelden, zonder ook maar één moment om te kijken.

De vrouw roeide verder en kwam bij een klein, volledig begroeid eiland, ergens midden in de onmetelijke plas. Ze moest er niet zijn, maar werd aangetrokken door een beweging aan de oever. Toen ze dichterbij kwam zag ze twee reeën. Ze haalde de peddels voorzichtig op. De grazende dieren keken op toen ze dichterbij gleed. Een van de reeën stak haar neus in de lucht, alsof ze wilde zeggen: “Ik weet dat je er bent.” De prachtige dieren draaiden zich om en liepen langzaam het kreupelhout in. Ze keken niet meer op of om.

De vrouw stak de peddels weer in het water en roeide verder op dezelfde stille manier als daarvoor. Het leek soms of ze het water niet eens raakte. Na een tijdje merkte ze dat het warm werd. Ze trok haar shirt uit en stroopte haar broekspijpen op.
Verder ging het weer in een iets hoger tempo. Heel in de verte meende ze een toren te zien, maar toen ze er naar toe roeide was hij weer weg.
Ze liet de boot even voortglijden en stak haar benen en armen in het water. Heerlijk koel. Even voelde ze de zachte aanraking van een grote vis. Prettig, liefdevol en alsof iemand haar zei: “Goed zo, ga maar.”

Roeien naar...

De wind stak sluipend op en boog de plas in lichte en donkere, blauwachtige plooien. De zon had zich verstopt, waardoor de pastelblauwe kleuren werden versterkt. De wind trok aan en blies om haar heen. Een onzichtbare hand leek door haar weelderige, gouden haren te strijken. De wind duwde haar licht vooruit en ze besloot haar reis naar de overkant voort te zetten.
Met regelmatige en stevige slag zag ze zichzelf verdwijnen in de alomvattende verte. Ze dacht het is goed zo en voelde haar gedachten de verte omsluiten.

 

Roeien in gedachte verte

Schilderijen van Ans Duin

Ans Duin, schilder

Het verhaal, “Onderweg”, is gebaseerd op de vermoedde toekomst van een vriendin. De aaneenrijging van metaforen is na vijf jaar samengekomen met een schilderij van Ans Duin dat, al dan niet toevallig, het verhaal treffend in één beeld tot uitdrukking brengt.
Onderweg is net als op huis aan een continue activiteit in de ketting van brokjes van je leven.
Pas op, Rattenplaag in Groningen…

Pas op, Rattenplaag in Groningen…

Er is sprake van een groeiende rattenplaag in Groningen.
In toenemende mate stuurt de NAM, samen met het ministerie van Economische Zaken, er bureaus op uit in Groningen. Bureaus, die al dan niet via de NCG (Nationaal Coördinator Groningen) boerderijen en woningen onderzoeken.

Men beweert dat te doen om de eigenaren en bewoners te helpen, maar het heeft slechts een doel. Deze zogenaamde onafhankelijke bureaus komen steevast met de reactie “C-schade”, of “Niet aardbevingsgerelateerd.”
Klinkklare nonsens natuurlijk, maar ze moeten dat wel concluderen, want daar worden ze voor betaald. Corruptie is het, corruptie op het hoogste niveau.

In Groningen, in het gebied waar gas wordt gewonnen en daar omheen, hebben meer dan 70.000 woningen schade. Er zijn woningen gesloopt en er zijn boerderijen ingestort. Dat gebeurt nergens anders in Nederland. De schade is ontstaan vanaf ongeveer 1995. De aardbevingen zijn begonnen in 1991.

Nergens anders in Nederland is wellicht een tijdelijk begrip, omdat er tekenen zijn dat er ook schade is op andere plaatsen waar gas wordt gewonnen.
Nergens anders in Nederland is helemaal waar, als je kijkt naar de afgelopen decennia, maar in Limburg was en wellicht is de schade door mijnbouw groot. Heel groot.
In de rest van Nederland komt de huidige omvangrijke schade die je ziet in Groningen niet voor.
Het bewijs is dus vrij eenvoudig. Zonder gaswinning waren alle woningen en andere gebouwen niet zo beschadigd, ingestort, of gesloopt.

De onderzoekers zijn te vergelijken met ratten die zichzelf volvreten en Groningen kaal achterlaten na hun voorgekookte advieswerk. Alle mooie woorden van Kamerleden, Kabinetsleden, of meneer Schotman van de NAM ten spijt, blijkt de ware aard van deze lieden keer op keer. De rattenplaag wordt door hen niet erkend en bestreden, maar gestimuleerd.

De TU-Delft moet een aantal woningen en/of boerderijen onderzoeken. De onderzoeksresultaten zouden worden gedeeld met de eigenaar van het te onderzoeken pand. Nu blijkt dat de gegevens slechts worden gedeeld met de NCG. Meander adviseert alle Groningers om hier niet aan mee te werken. TU-Delft wordt door Meander geadviseerd zich terug te trekken, zolang de resultaten niet aan de eigenaar worden overhandigd en zolang ze niet met de eigenaar worden besproken.

Witteveen & Bos doen ook een onderzoek, maar de resultaten worden pas na de verkiezingen bekend. Zo onvoorstelbaar, schaamteloos doorzichtig. Rattengedrag of adviesprostitutie, iets anders is het niet. Niet aardbevingsgerelateerd wordt de uitkomst van hun onderzoek. Maar…, voor de verkiezingen liever geen rel over dit onderzoek waarvan de uitkomst al voor de opdrachtverstrekking vast stond.

Zo zijn er nog tientallen onderzoeken en organisaties die zich als een verwoestende plaag over Groningen verspreiden.
Groningers, er is maar een manier om ratten effectief te bestrijden. Zorg dat ze geen voer meer krijgen. Werk nergens aan mee, want je wordt voor de zoveelste keer misbruikt.

Logo Meander

Waakzaam Woldendorp

Over onderzoek

 

Grote Borsten

Grote Borsten

Ze lagen in het grote warme bed naast elkaar.
Zij keek naar hem en hij naar haar
Hij had nu lang genoeg gewacht, daarom maakte hij haar duidelijk wat hij wilde.
Ze knikte, gaf hem een kus en nog een en nog een.

Hij pakte haar zo goed en kwaad als dat ging vast en lachte.
Een lach die direct beantwoord werd met daarop volgend nog een kus en innige omhelzing.
Hij voelde haar borsten, werd er opgewonden van en bewoog zijn lippen in haar richting.

Toen hij zijn handen op haar rechterborst legde, kon ze niet langer wachten.
Ze trok haar shirt uit en trok hem naar zich toe.

Zijn ogen werden groter en zijn mond sloot zich om de tepel van de bron van zijn verlangen.
Af en toe wisselde hij van borst.
Toen hij na een kwartier losliet, was zijn buikje vol en viel hij na een welverdiend boertje in slaap in de armen van zijn moeder.

 

Roeien in gedachte verte

Grote Borsten: Borstvoeding

Estresso

Estresso

Jos liep over de rode loper naar het houten etablissement op het strand. Een paar meeuwen scheerden op geringe hoogte luid schreeuwend over hem heen. Hij klapte zo hard mogelijk in zijn handen om ze weg te jagen. De meeste meeuwen schrokken en vlogen weg, maar een meeuw maakte een grote boog en ging op een paal zitten op de hoek van het terras. De meeuw stootte een scherpe kreet uit om aandacht te trekken, maar Jos haalde zijn schouders op en liep naar binnen. Hij zag dat Laura achter de bar stond.
“Een expresso! Ik zit buiten”, zei Jos nogal kortaf met een Vlaams accent. Hij wachtte het antwoord niet af en liep naar buiten.
“Een espresso, meneer VandenBroecke. Komt er aan.”, zei Laura werktuigelijk, ook al kon Jos het niet meer horen.

Jos ging achter het scherm zitten in een hoek tegenover de ingang van het terras. Het was weliswaar vierentwintig januari en het vroor een graad of drie, maar de zon scheen. Hij zat in de januarizon, uit de wind en keek om zich heen. De meeuw zat nog op de paal, een meter of vijf bij hem vandaan. De meeuw krijste een keer. Jos reageerde niet, ook niet toen de meeuw nog een paar keer krijste. Dat beviel de brutale vogel waarschijnlijk niet, want hij vloog naar het scherm en ging op niet meer dan twee meter van Jos op de rand van het scherm zitten.

Laura bracht de espresso en vroeg: “Wilt u nog iets anders bestellen, meneer VandenBroecke?”
“Nee. Maar, breng over tien minuten nog maar een expresso.”
“Dat doe ik, meneer VandenBroecke”, zei Laura, waarna ze naar binnen liep.
Aardig meisje, dacht Jos. Prima service, maar ietsje te vrijpostig en te mooi om waar te zijn.
Hij pakte zijn koekje en liet het aan de meeuw zien, die onmiddellijk een harde kreet ten gehore bracht. Jos brak een stukje af en legde dat op het puntje van zijn tafel. De meeuw draaide zijn kop schuin, stapte wat dichterbij over de rand van het windscherm en vloog vervolgens naar de tafel om het stukje koek te pakken. Jos was sneller en nam het weg. Hij lachte hard en vals en stopte de rest van het koekje in zijn mond.De meeuw keerde terug naar zijn plek en wachtte af.

Jos genoot van de zon en na een derde espresso vroeg hij om de lunchkaart. “Wacht even?”, commandeerde Jos. “Ik bestel gelijk.” Hij wachtte bewust met het maken van een keuze om het meisje, dat niet meer droeg dan een dun jurkje met een schortje, zo lang mogelijk in de kou te laten staan.
Laura wilde net zeggen dat ze zo terug zou komen, toen Jos zei: “Wat is de soep van de dag?”
“Pompoensoep, meneer VandenBroecke.”
“Getverderrie, dat iemand dat lust. Doe mij maar een tosti ham en kaas.”
“Een tosti ham-kaas, meneer VandenBroecke. Wilt u er iets bij drinken?”
“Karnemelk, meisje. Of heb je dat niet?”
“Jazeker, meneer. Ik kom het zo brengen.”

De meeuw scharrelde over de vloer van het terras. Jos wachtte muisstil tot de vogel dichtbij was en liet het dier schrikken door hard met zijn voet uit te halen. Hij baalde dat hij het dier niet had geraakt. Met luid gekrijs steeg de meeuw op en vloog weg in de richting van de zee om vervolgens uit zicht te verdwijnen. Jos lachte hard en gemeen. Terwijl hij nog zat na te genieten van zijn pesterij, kwam Laura met een tosti, karnemelk en een espresso naar buiten.
“Ik heb toch geen expresso besteld” zei hij boos.
“Nee, meneer VandenBroecke, die krijgt u van ons.”
“Zo is’t dat. Moet dan maar.”
Laura zette alles op tafel en wenste Jos smakelijk eten. Die haalde zijn schouders op en snoof een keer. Laura liep naar binnen. Jos zag dat de meeuw terugkeerde. De meeuw bevestigde zijn terugkomst met een schorre, klagende kreet.

Jos nam een slok van de karnemelk en pakte toen de eerste helft van zijn tosti. Hij had net een tweede hap genomen toen hij zich verslikte, omdat vanuit het niets de meeuw zich met een afgrijselijke kreet op zijn tafel stortte. De gehaaide vogel pakte de andere helft van de tosti, gooide de karnemelk om en bleef even naast de espresso zitten. Toen het dier opsteeg, leek het alsof hij de espresso met opzet van de tafel stootte. Het kopje brak in stukken toen het op een tafelpoot viel. Jos bekwam langzaam van de schrik. Hij zag het restant van zijn tosti in het zand liggen naast het gebroken koffiekopje en vloekte en schold zo hard, dat Laura en de eigenaar van de strandtent naar buiten kwamen. De meeuw was met de veroverde tosti op het dak gaan zitten en krijste een paar keer schel en hard, alsof hij lachte.

 

meander

Meeuw: Wikipedia

 

Pas op…. Inbrekers…

Pas op…. Inbrekers…

Johan reed met zijn witte Renault Kangoo door de Literatuurwijk in Almere. Het was drie uur ’s nachts en tot nu toe was het rustig geweest. Loos alarm over een inbraak en overlast van een bekende groep jongeren bij een supermarkt, die huiswaarts keerden nadat Johan ze had aangesproken.
De afgelopen weken was het aantal inbraken gestegen. Hij had vorige week twee maal oog in oog gestaan met inbrekers die niet van plan waren om mee te werken. Een collega had daarbij dusdanige kneuzingen opgelopen dat zij zeker een maand uit de roulatie was. Het belangrijkste was dat ze de daders hadden gevat, had zijn collega gezegd.

Na op twee bedrijventerreinen een controleronde te hebben gedaan en negen bedrijven binnen te hebben gecontroleerd, was Johan onderweg naar het winkelcentrum. De intensiteit van de controles was afhankelijk van de abonnementen die de bedrijven hadden. Sommige bedrijven hadden gekozen voor een totaalabonnement. Dat betekende vier keer per dienst de gebouwen volledig controleren. Volgens Johan zouden meer bedrijven dat moeten doen.

Osman, de collega van Johan reed in Almere Poort en kon als het nodig was in enkele minuten bij Johan zijn en andersom. In  noodgevallen of concrete, verdachte situaties belden ze de politie. Ze wachtten zelden op de politie om te voorkomen dat eventuele daders er vandoor gingen. Osman werkte net als Johan al jaren in de beveiliging en de twee mannen hadden een hechte band opgebouwd.

Zowel Johan, als Osman werden opgeroepen. De collega in de meldkamer zei dat ze zes meldingen hadden ontvangen over geluiden in een kantoor dat verbouwd werd. Er was sprake van zachte geluiden, maar ook een keer een hoop lawaai. Enkele minuten geleden werd een harde klap gemeld en mogelijk gegil van een slachtoffer. De politie was gewaarschuwd, maar had het druk. Men probeerde zo snel mogelijk een auto te sturen.

Johan zette het oranje zwaailicht aan en reed tegen de regels in over de busbaan. Toen hij er bijna was zag hij Osman aan komen rijden. Het alarmlicht aan de buitenzijde van het pand flitste fel, hetgeen spookachtig werd versterkt door de dichter wordende nevel. Osman stapte uit en liep naar Johan.
“Wacht jij op de politie, dan loop ik alvast rond het pand”, zei Johan. Osman zette zijn auto op de oprit om het hek te blokkeren, terwijl Johan muisstil rond het pand liep, zonder licht te gebruiken. Hij zag en hoorde niets, maar op de eerste verdieping brandde licht. Hij liep terug om Osman te halen.

“Er brandt licht boven. Ik vertrouw het niet”, zei Johan.
“We gaan naar binnen, sluiten alles goed af beneden en gaan dan samen naar boven. Oké?”
Ze liepen samen een ronde beneden en stelden vast dat alles dicht was.
“Als er iemand binnen is, moet hij zich hebben laten insluiten”, zei Osman.
Johan zei: “Dat kan, maar het kan ook een werknemer zijn. Misschien is hij niet alleen.”

De twee beveiligers van liepen naar de trap. “Ga jij met de lift?”, vroeg Johan, “dan pak ik de trap.” Op dat moment hoorden boven iets vallen. “Die is voor ons”, zei Johan gedecideerd.
Ze kwamen zonder problemen boven en wisten dat ze beet hadden. Verstoppertje spelen had geen zin meer, daarom gebruikten ze beiden een felle, zware zaklamp. Overal stond of lag bouwmateriaal en het was nogal stoffig.
“Kom naar buiten, armen gespreid”, riep Johan. Osman liep naar de eerste deur, maar die was geblokkeerd. Dat gaf te denken. Osman bleef bij de deur staan en wachtte tot Johan de andere ruimtes had gecontroleerd. Ze hielden elkaar zoveel mogelijk in het zicht. Toen Johan terug was zei Osman dat hij gereedschap ging halen, dan konden ze de deur uit zijn sponningen halen.

Eenmaal buiten hoorde Osman in de verte een politiesirene. Hij pakte een gereedschapskist, liep weer naar binnen en deed de deur op slot.
Binnen twee minuten lagen alle pennen er uit en moesten ze achteruit springen, omdat de deur met een klap naar buiten kwam, gevolgd door een lading planken.
“Kom naar buiten”, brulde Johan. Geen reactie.
Osman riep: “Kom er nou maar uit, want anders moeten we je halen. Dat kan vervelend worden, vooral voor jou.”
Weer geen reactie. Ze hoorden een zacht geluid.

Na een minuut te hebben gewacht en de inbreker meermaals te hebben opgeroepen zelf naar buiten te komen, begon Johan planken, gipsplaten en zakken met gips te verwijderen. Osman stond achter hem, bedacht op een uitval van de criminelen.
Plotseling begon Johan te lachen.
“Wat is er?”, vroeg Osman, die even dacht dat het Johan teveel was geworden.
Johan bukte, pakte iets op en draaide zich om. In zijn handen hield hij een jonge herdershond. Het dier was helemaal wit van de gipspoeder. “Onze inbreker”, zei Johan. De hond kwispelde vrolijk met zijn staart.
Osman liep naar hen toe en aaide het dier over zijn kop. Hij zei: “We nemen hem mee en dan leiden we hem op voor de beveiliging. Ik weet al een naam. Gerry.”

meander

Het verdriet van Groningen

Het verdriet van Groningen

Een geactualiseerd, toonzettend hoofdstuk uit het boek “Te Laat” van Folkert Buiter.
Te Laat is een thriller over de gevolgen van de gaswinning in Groningen.


Huizinge

Tweeëntwintig januari was een koude, natte dag. De regen kwam sinds negen uur gisteravond gestaag en soms hard naar beneden. De kille wind uit het noordwesten gaf je een waterkoud gevoel.
Masha was om tien uur uit Groningen vertrokken. Bij de afrit naar Westeremden was ze van de N46 afgegaan. Ze was stapvoets door Westeremden gereden, een dorp dat al veel aardbevingen had meegemaakt. Haar korte tocht door het dorp had haar doen besluiten om hier binnenkort eens een dag rond te neuzen.

Masha was doorgereden naar Huizinge, waar ze haar auto op een parkeerplaats tegenover de plaats Melkema had neergezet. De plaats Melkema was een bekend centrum voor congressen en feesten, waar ze wel eens kwam. Het was nu gesloten, omdat men de veiligheid voor de gasten niet kon garanderen. De meer dan tweehonderdvijftig jaar oude Melkemaborg was door alle aardbevingen en vooral de beving in augustus van 2012, ernstig aangetast. Er was nog steeds geen zicht op een volledige en goede aanpak voor versteviging en herstel van de historische panden van dit rijksmonument. Inmiddels was het door de eigenaar verkocht aan de EMN voor een onbekend bedrag.

Huizinge GroningenOm bijna half elf stapte Masha uit haar auto. Ze besloot, ondanks de af en toe aanwakkerende wind, het laatste stuk naar het dorp te lopen. Ze liep keurig links op de vrij smalle weg. De kale bomen boden geen enkele beschutting tegen wind en regen. Ze schrok van een zwarte, kleine auto die voorbij kwam scheuren. Dertig kilometer stond op een bordje aan het begin van het dorp. Drie keer zo snel, dacht Masha. Maar ach, wie zou hier de rust en stilte op snelheid willen controleren?

Masha keek naar de veelal kleine, rode, bakstenen huizen met hun witte daklijsten en kozijnen. De meeste woningen waren van hetzelfde type. Het waren over het algemeen geen ruime woningen. Sommige bewoners hadden hun woning uitgebreid met een aanbouw. Op slechts enkele plaatsen stonden nieuwe, of vernieuwde huizen. Comfortabele nieuwbouw was hier en daar in de plaats gekomen van de te kleine woningen met hun lage plafonds. Nieuwbouw en verbouwingen waren geen sinecure, omdat Huizinge een beschermd dorpsgezicht had.

Vanaf de weg zag Masha bij nagenoeg alle woningen, aan de voorzijde en in de zijmuren, gerepareerde en nieuwe scheuren. Sommige woningen waren gestut, of er stonden steigers voor verbouwingen en reparaties. Na ongeveer honderd meter waagde ze het om een erf op te lopen. Ze maakte foto’s van de woning en van de scheuren. Een grote scheur liep aan de voorzijde vanaf de daklijst schuin naar beneden. Het leek, alsof de scheur zo in de grond verdween. Veel bakstenen waren gebroken, omdat de scheuren hun eigen weg gingen. Ze bekeek en fotografeerde nog twee huizen.


Trees

Bij de vierde woning kwam er een vrouw naar buiten met naast haar een vrij groot uitgevallen, luid blaffende herdershond. De hond leek extra groot, omdat de vrouw niet groter was dan een meter vijfenzestig. Ze had grijs haar, droeg een groenblauwe jurk met daarover een zwart schort. Haar voeten met blauwe geitenwollen sokken staken in een paar vaalgele klompen.

‘Waar ben jij mee bezig?’, vroeg de vrouw op beschuldigende toon.
‘Goedemorgen mevrouw. Ik ben Masha de Weijer, freelance journaliste. Ik doe onderzoek naar de gevolgen van aardbevingen.’
‘Zo. En dan loop je zomaar bij iedereen het erf op en maak je foto’s zonder het te vragen. Daar houden we hier in Groningen niet zo van.’
‘Ik heb de adressen opgeschreven en de namen die op de deuren stonden. Ik bel iedereen om toestemming te vragen voor het gebruik van de foto’s en om hen te vragen naar hun ervaringen en hun mening.’
‘Dat kun je wel zeggen, maar hoe weet ik dat je niet van de EMN bent, of iets anders van plan bent?’

Na eerdere ervaringen was Masha voorbereid op deze houding. Ze pakte een visitekaartje en twee delen van een krant met het artikel dat ze had geschreven over de Grunneger Aindracht en het artikel over de familie Buijs. ‘Wilt u hier even naar kijken mevrouw. Ik zou graag met u willen praten over de aardbevingen’, zei ze.
De vrouw bekeek de kranten en het kaartje, terwijl de herdershond naar Masha liep en aan haar hand snuffelde. Masha aaide het dier over zijn kop.

‘Nou Masha, je moest maar binnen komen, of wil je eerst foto’s maken.’
‘Laten we dat straks maar doen’, zei Masha. Ze liep achter de vrouw aan met de hond naast haar. Ze ging zitten aan een keukentafel met een versleten Smyrna tafelkleedje.
‘Wil je koffie?’
‘Dankuwel, mevrouw. Mag ik een glaasje water.’
‘Ik ben Trees de Vries, zeg maar Trees’, zei ze toen ze opstond en zich in de krappe keuken omdraaide naar het aanrecht. De hond had zijn kop op Masha’s vochtige spijkerbroek gelegd. Ze kriebelde in zijn nekharen. Hij liet merken dat hij dat prettig vond door zijn voorpoot op haar been te leggen.

Groningen

‘Pablo, in de hoek.’ Pablo luisterde direct naar Trees en ging op een kleed in de hoek liggen. ‘Het is een grote, sterke hond, maar niet geschikt als waakhond. Te lief en gek op aandacht.’
‘Het is een mooie herdershond’, zei Masha. ‘Heel lief, al verwacht je dat niet als je hem de eerste keer ziet en hoort.’
‘Weet je waar ie goed in is?’, zei Trees. ‘Aardbevingen voorspellen. Als Pablo begint te janken, dan weten wij het al. Dan komt er weer een.’
In dat ene woordje weer, hoorde en voelde je de pijn, vond Masha. Het hield voor deze mensen nooit meer op.
‘Een aardbeving hier in de buurt?’, vroeg ze.
‘Ja, maar soms, als ze verder weg zijn, of bij lichte bevingen, dan jankt Pablo ook. Wij horen dan achteraf dat er ergens een aardbeving was.’

Masha schreef het op en wilde een foto van Pablo maken.
‘Pablo, netjes, zit!’, zei Trees. Pablo ging keurig zitten en leek wel een fotomodel. Een gezonde herdershond met glimmende, geelbruine en zwarte haren en brede, sterke poten. Hij hield zijn kop een klein beetje schuin en keek recht in de camera naar Masha, die vlot een paar foto’s maakte. Daarna liep ze naar de hond en knuffelde hem even. ‘Dankjewel, Pablo.’ Pablo blafte een keer en ging op zijn kleed liggen.

Trees begon zonder enige aansporing te vertellen. ‘Jan en ik wonen hier vanaf ons huwelijk. Dat is bijna vijfendertig jaar geleden. De kinderen zijn hier geboren en getogen, maar wonen alle drie ergens anders. Twee in Noord-Holland en de jongste in Zwolle. Ze willen hier niet wonen met hun kinderen. Veel te onveilig zeggen ze en zij kunnen het weten. Ze hebben genoeg aardbevingen meegemaakt. De jongste is hier pas een jaar weg.’
‘Komen ze vaak.’
‘Nee. Ze hebben het druk en als ze komen, gaan ze dezelfde dag weer naar huis. Ze willen hier niet meer logeren.’
‘Gaan jullie vaak naar de kinderen?’
‘Waar moet ik dat van betalen? Als ik samen met Jan naar de kinderen ga, kost dat al gauw honderdvijftig euro voor drie bezoeken. We gaan naar alle verjaardagen en met kerst zijn we bij een van de kinderen.’
‘Je mist je kinderen en kleinkinderen, Trees.’
Trees kreeg vochtige ogen en zei dat de mensen geen idee hadden wat de aardbevingen allemaal kapot maakten. ‘Ik begrijp mijn kinderen en sta achter ze, maar het doet wel pijn.’


Opkopers

‘Wil je zelf niet vertrekken’, vroeg Masha.
‘Dat zouden ze wel willen, de hoge heren in Den Haag en die graaiers van de EMN. Jan en ik gaan hier niet weg. Ze proberen het wel, want er zijn al een paar keer mensen aan de deur geweest die het huis wilden kopen.’
‘Wie waren dat?’
‘Geen idee. Ik heb gezegd dat ze moesten opdonderen en dat ik anders de hond op ze zou afsturen.’
‘Hoe zagen ze er uit?’
‘Keurig pak en altijd een mooi praatje klaar. Er was er een bij, die begon te praten zodra ik de deur opendeed.’ Trees imiteerde de man op haar manier. ‘Mevrouw wij komen u redden uit de ellende van dit gebied met al die vreselijke aardbevingen, door uw woning te kopen voor een goede prijs, zei de gladjanus.’ Trees keek Masha aan en zei: ‘Voordat ik wat kon zeggen, praatte hij weer verder en zei dat ik ook wel wist dat de aardbevingen nog zwaarder zouden worden.’ Trees haalde diep adem. ‘Toen heb ik Pablo geroepen en die vent van mijn stoep geduwd. Hij struikelde naar achteren en Pablo blafte hard. Die kerel stond op, draaide zich om en ging er als een haas vandoor. Hij wist niet hoe snel hij moest wegkomen, want Pablo dacht dat hij wilde spelen, dus die rende er vrolijk blaffend achter aan. Ik kwam haast niet meer bij van het lachen. Wat een Stadjer.’
‘Hoe liep het af?’, vroeg Masha.
‘Pablo gaat nooit verder dan het erf, tenzij wij meelopen. Die vent rende naar een dure auto en reed met piepende banden weg.’

Masha was blij met de verhalen van Trees. Dit ging ergens over. Niet alleen over geld, maar vooral over de impact die de aardbevingen hadden op het leven van deze mensen.
‘Zijn die eh… makelaars ook bij jouw buren geweest, Trees?’
‘Bij iedereen. Een paar hadden hun huis al te koop staan. Ze probeerden de mensen wijs te maken dat ze geen eigen makelaar nodig hadden.’
‘Dus, ze hadden geen succes?’, zei Masha half vragend.
‘Nou’, zei Trees, ‘dat kun je niet zeggen. Er zijn al zeventien woningen verkocht. Elf woningen stonden niet eens te koop. De buren die hun huizen hebben verkocht, willen niets zeggen, behalve dat ze er voorlopig mogen blijven wonen, tot ze wat anders hebben.’
‘Kun je mij zeggen, wie die mensen zijn?’
‘En dan?’
‘Dan probeer ik een gesprek met hen te krijgen.’
‘Als je maar niet zegt dat je het van mij hebt.’
‘Afgesproken’, zei Masha. Trees schreef vijf namen en adressen op en zette de telefoonnummers er bij.


Schade

Masha wilde meer weten over de schade die Trees en Jan aan hun huis hadden. Ze had buiten in de zijmuur naast de deur, een lange horizontale scheur gezien, die naar achteren toe steeds breder werd. ‘Trees, hoe groot is de schade aan jullie huis.’
‘De schade die we kunnen zien is groot, maar Jan zei dat de schade onder de grond veel groter is. Pak je fototoestel en loop maar mee. We beginnen binnen.’

Groningen

Trees vertelde Masha over de geschiedenis van iedere beschadiging. Masha fotografeerde en nam het gesprek op. Ze voelde zich steeds ongemakkelijker, want er was veel zichtbare schade aan de woning en ze voelde de gelaten, moedeloze acceptatie van Trees. De schade binnen bestond uit kleine en grote scheuren, een licht verzakte wand, een klemmende kelderdeur en ramen met scheve kozijnen. Het hele huis was ontzet.
Trees vertelde over het aantal keren dat ze wakker waren geworden door een knal, of gerommel. ‘Soms voelden we het bed schudden. Het duurde meestal kort.’

Ze gingen naar buiten. In de zijmuren zaten twee scheuren. Aan de achterzijde van de woning, een aantal kleinere scheuren. Verderop stond een schuur.
‘Die schuur staat helemaal scheef’, zei Masha.
‘Twee weken na de zware aardbeving in augustus 2012 zakte de schuur aan de achterkant weg en een half jaar later aan de rechterkant. We gebruiken de schuur al ruim twee jaar niet meer. De auto staat buiten en de fietsen staan onder een afdak. Af en toe zakt de schuur verder, ook als er geen aardbevingen in de buurt zijn. We slopen de schuur niet, want dan is het bewijs weg en krijgen we niets vergoed.’

‘Heb je de schade bij de EMN gemeld?’, vroeg Masha toen ze naar binnenliepen.
‘Negen jaar geleden hebben we de eerste schademelding gedaan. Na een paar maanden is er iemand komen kijken. Weer een paar maanden later kregen we een brief, waarin stond dat volgens deskundigen de schade vooral het gevolg was van ouderdom en stormschade. We hebben in totaal elf meldingen gedaan en net zo vaak een formulier ingevuld. Als er al wordt gereageerd, hebben ze allerlei smoesjes. De documenten zijn niet volledig, de aanmelding is zoek, of het is zo complex dat ze verder onderzoek moeten doen. Er is altijd wat, behalve een oplossing. Ze zijn drie keer geweest om de scheuren dicht te spuiten en daarna af te smeren.’
Masha hoorde het verhaal met verbijstering aan en moest tegen zichzelf zeggen dat ze neutraal moest blijven, ondanks de woede die ze van binnen voelde over het onrecht en de schaamteloze arrogantie van de EMN.

‘Weet je wat de waarde van de woning is met alles wat er bij hoort, als ik dat mag weten?’, vroeg Masha.
‘Niet precies, maar de WOZ was volgens mij dik tien jaar gelden zo’n driehonderdzeventigduizend euro. Nu is dat ongeveer tweehonderdtwintigduizend euro.’
‘Dat is veertig procent minder.’
‘Je krijgt pas geld als je het verkoopt en dan is het maar de vraag hoeveel ze betalen, want de EMN bepaalt hoe hoog de extra waardedaling is’, zei Trees.
Masha schreef en schreef en ze nam het allemaal op met haar recorder. Ze begon steeds meer te beseffen dat het nog een hele klus zou worden om een volledig beeld te krijgen.

‘Wil je een kop groentesoep, Masha?’, vroeg Trees, toen ze weer in de keuken zaten.
‘Doe geen moeite, Trees.’
‘Ik neem zelf ook, dus ja, of nee?’
‘Graag’, zei Masha die een warme kop soep eigenlijk wel heel lekker vond met dit mistroostige, koude weer. Ze bekeek de tientallen foto’s van de kinderen en kleinkinderen aan de wanden. Op een foto stonden Jan en Trees met kinderen en kleinkinderen bij de Waag in Alkmaar. Jan had een strohoed op van een van de kaasdragers.
Trees zag het en zei: ‘Jan is kaasmaker en werkt voor verschillende kaasmakerijen. Hij kent veel mensen op de kaasmarkt.’

Trees zette de dampende koppen met groentesoep op tafel. ‘Daar staat de kruidenmix als je het niet pittig genoeg vindt.’
‘Dat is niet nodig, Trees, het ruikt fantastisch.’ De dikke soep was gevuld met veel groenten, rundvlees en bovenmaatse gehaktballetjes. Wat een geweldige soep en wat een leuk mens, dacht Masha. Toen ze uitgegeten waren bedankte ze Trees voor de soep. ‘Daar kan geen restaurant tegen op.’
‘Vind ik ook, al zeg ik het zelf’, zei Trees.


Naar de rechter

‘Voordat ik ga, nog een lastig onderwerp als het mag.’
‘Ga je gang.’
‘Ben je niet bang dat het huis instort als er een zware aardbeving komt?’
‘Wij zijn niet bang, al weten we zeker dat het huis het niet houdt bij een zware aardbeving. Als de fundering is aangetast, kan dat net zo goed bij een kleinere beving gebeuren”, zei Trees. Wij gaan hier niet weg’, zei ze met veel nadruk op het woord niet.
‘Wat zou je doen als de overheid zei dat je hier niet meer mag wonen, omdat het te gevaarlijk is?’
‘We gaan geen ruzie maken’, zei Trees. ‘We zullen ze vragen wanneer we onze driehonderdenzeventigduizend euro krijgen om een nieuw huis te bouwen. Het is hun keuze als ze ons dwingen om te vertrekken en zij moeten daarvan de consequenties dragen.’
‘Denk je dat ze dat doen?’, vroeg Masha.

Groningen

‘Tot nu toe niet, maar Jan en ik hebben een advocaat ingeschakeld en een bouwkundig bureau. We zijn het zat. Volgens de wet hebben we recht op schadevergoeding en moet de EMN schade voorkomen.’
‘Mag ik daar met jouw advocaat over praten?’, vroeg Masha.
‘Mij best”, zei Trees.
Masha schreef de gegevens van de advocaat op.

‘Wanneer komt dit in de krant?’, vroeg Trees.
‘Zo snel mogelijk en misschien wel in delen. Mogen we eventueel terugkomen met een camera om een gesprek voor een documentaire met je te hebben?’
‘Voor de televisie?’
‘Ja.’
‘Alleen als Jan er ook bij is.’
‘Daar ga ik van uit’, zei Masha.
Masha bedankte Trees voor de informatie en gastvrijheid. Ze gaf Pablo nog een aai over zijn kop.
‘Ik vond het gezellig’, zei Trees. ‘Jij hebt echt geluisterd en gekeken.’


Schril contrast

Het weer was geen spat veranderd. Het regende nog steeds en de kou kroop dankzij de harde wind in je botten. In de loop van de dag sprak Masha nog een aantal bewoners van Huizinge en maakte ze meer foto’s. De verhalen waren verschillend, stuk voor stuk schrijnend en gingen veel verder dan de financiële kant van gevolgen van de aardbevingen. Wat haar voor de zoveelste keer opviel was de gelatenheid. Trees was het meest strijdlustig geweest. Een van de geïnterviewden zei in het Gronings: ‘De hoge heren houden geen rekening met ons.’ Een ander zei: ‘Wij regelen het zelf wel, anders gebeurt er niets.’ In het Gronings kwam het extra hard over en klonk het gebrek aan vertrouwen door.

Op de terugweg in de auto hoorde Masha, dat er vorig jaar honderdvijftien aardbevingen in Groningen waren geweest. De EMN beweerde dat de vermindering van de gaswinning zijn vruchten afwierp. Het aantal aardbevingen was gedaald en de aardbevingen waren minder zwaar.

Een professor in de geologie was van mening dat de meetresultaten veel bevingen misten en dat er te vroeg werd gejuicht. ‘Er wordt geen rekening gehouden met de korte termijn vertraging en de lange termijn doorwerking. De cumulatieve effecten van de gaswinning worden genegeerd.’ Hij stelde dat je niet aan een kraantje kon draaien waarmee je de aardbevingen harder en zachter kon zetten. Hij verwees naar een locatie in het Noordwesten van Friesland waar de winning in 2008 was gestopt. De voorspelde bodemdaling was te laag gebleken. Inmiddels was de bodem meer dan het dubbele gedaald en de bodem daalde verder.

Wat een schril contrast tussen deze technocratische discussie en het menselijke leed en verdriet, dacht Masha.

Groningen

Folkert Buiter schrijft tegenwoordig als Meander op www.meanderblog.nl.

 

Huizinge is als voorbeeld gebruikt om te laten zien wat er echt aan de hand is op veel plaatsen in Groningen. Namen zijn veranderd en de juiste locatie van de beschreven situatie is niet Huizinge, maar het hoofdstuk is gebaseerd op gevoerde gesprekken met benadeelde Groningers. Het verhaal is geen fictie.

De regering en de partijen die de regering steunen, willen voorkomen dat de wet (Mijnbouwwet en Burgerlijk Wetboek) wordt toegepast, omdat het teveel geld kost. Een houding die de rechtsstaat aantast in het diepste van zijn wezen, namelijk de wetgevende macht die de rechtsprekende macht negeert en monddood wil maken. Er wordt geen verantwoordelijkheid genomen, maar vermeden.

 

Te Laat bestellen? Klik op deze link: Boekscout.

Clash der Giganten.

Clash der Giganten.

Sterrenhemel vlak voordat Andromeda en de Melkweg botsen.
Bron foto: Nasa.gov

 

Een onvermijdelijke, gewelddadige clash van twee giganten bedreigt ons zonnestelsel. Op zo’n ruwe, twee-en-een-half miljoen lichtjaar van onze Melkweg bevindt zich het Andromedastelsel. De Melkweg en Andromeda razen met een snelheid van 110 kilometer per seconde op elkaar af en zullen onvermijdelijk met elkaar botsen. Die 110 kilometer per seconde is hetzelfde als 400.000 kilometer per uur. Dat wordt dus een flinke klap. De stelsels zullen elkaar uit hun verband rukken om uiteindelijk een nieuw stelsel te vormen. Deze brute clash der giganten blijft niet zonder consequenties.

Impact

Andromeda is een stelsel dat veel lijkt op ons eigen Melkwegstelsel, maar het is ongeveer twee keer zo groot als de Melkweg. De spiraalnevel van Andromeda heeft een doorsnede van 250.000 lichtjaar, wat betekent dat het licht er 250.000 jaar over doet om van de ene kant naar de andere kant van dat stelsel te komen. Dat is groot, heel groot.
De Andromedanevel heeft een biljoen sterren (1.000.000.000.000 sterren), wat drie keer zoveel is als het aantal sterren in onze Melkweg. In totaal botsen er 1,4 biljoen sterren met elkaar en met de daarbij behorende planeten, kometen, asteroïden en donkere materie. Hieronder staat een schets van de sterrenhemel tijdens de botsing van beide sterrenstelsels.

melkweg-versus-andromeda-6

Ons zonnestelsel zal door de ontzagwekkende krachten die los komen naar de buitenste regionen van het Melkwegstelsel worden geduwd . Er is een kleine kans dat het gehele zonnestelsel buiten het nieuw te vormen Andromeda-Melkwegstelsel wordt gestoten als gevolg van de enorme zwaartekracht van beide stelsels.

Waar nog niemand over na heeft gedacht, is het effect van de botsing op de miljarden kometen en asteroïden in ons zonnestelsel. Als al die losse brokken op drift raken, kunnen de planeten te maken krijgen met een regen van kometen en asteroïden die een miljard jaar kan duren.

Wat staat ons te wachten?

De botsing vindt over 4 miljard jaar plaats en duurt 1,5 miljard jaar. Dit enorme geweld kan desastreus zijn voor onze kleine, blauwe planeet en haar bewoners. Moeten we daar bang voor zijn? Nee, dat heeft geen zin. Tegen die tijd is er gelukkig geen leven meer mogelijk op de aarde en is de mens als soort al lang uitgestorven. Over een miljard jaar zal onze vertrouwde planeet veranderd zijn in een kolkende vuurzee. Het water is verdampt, omdat de zon veel feller schijnt.
Maak je geen zorgen over de clash der giganten. Wie dan niet leeft, heeft ook geen zorgen.

meander

Andromeda is nu ongeveer 2.500.000 lichtjaar bij ons vandaan. Dat betekent dat het licht er 2.500.000 jaar over heeft gedaan om hier te komen. We zien Andromeda, zoals het er 2,5 miljoen jaar geleden uitzag.
2,5 miljoen lichtjaar is ongeveer 23.668.200.000.000.000.000 kilometer. 23,7 triljoen kilometer.

Bronnen foto’s: Nasa.gov

 

Nasa

Animatie

Clash: Artikel van Scientias

 

Kussen

Kussen

Kussen is een indringend, kort verhaal van Sylvia Visser.
Een verhaal dat je moet lezen om het te voelen. Een verhaal dat je wilt lezen om het te begrijpen. Een verhaal dat je herleest, om zeker te weten dat het er echt staat.

Kussen

6 november 2015

Ze is weg. De tranen stromen over mijn wangen. Niets wijst erop dat ze daar ooit geweest is. Af en toe jaagt de wind een vlaag regen het donkere portiek in. Ik wil die laatste momenten terughalen. Haar snoetje kussen. Mijn lippen op haar wangen, haar voorhoofd, haar lippen. Het licht in het huis brandt nog steeds. Ik hoop maar dat er lieve mensen wonen.
Lamgeslagen loop ik verder. De regen striemt mijn gezicht en vermengt zich met mijn tranen. Ik ril van de kou, of van het verdriet. Of van allebei. Ik zag echt geen andere oplossing. Ik haat mezelf erom.

Ik duw hem weg met een kracht waarvan ik niet wist dat ik die had. Ik wou dat ik die ook had gehad als hij weer eens bij me in bed kroop. Maar ik liet het gebeuren. Zijn lijf tegen het mijne. Zijn tong over mijn gezicht. Hij die bovenop me ging liggen, mijn benen uit elkaar wrong. Daarna weet ik eigenlijk niet zo goed wat er gebeurde. Ik verliet als het ware mijn lichaam en zweefde rond in mijn dromen. Ver weg van de werkelijkheid.

Altijd kwam opeens het moment van die harde stoot en die harde kreun. En dan was het over. ‘Je weet het, hè, niks tegen mama zeggen. Je zou haar veel verdriet doen.’ Mama weet nergens van. Of ze doet maar alsof. In ieder geval kan ik het haar niet vertellen. Papa zegt dat het ons geheimpje is. Als ik ’s nachts de deur van de slaapkamer hoor, dan houd ik me slapende. Altijd hoor ik hem en voel ik hem. Ik laat het over me heen komen. Ik laat hem over me heen komen. Zou mama echt niks horen? Ze ligt in de kamer ernaast.

Voor het eerst in jaren huil ik. Ik ben haar kwijt. Ik hou van haar, ook al is ze van hem. Ik ben nog niet zo heel lang ongesteld, maar op een dag werd ik het niet meer. Eerst zocht ik er niks achter. Maar toen het maar wegbleef, ging ik me zorgen maken. Ik werd gek toen ik het zeker wist. Ik heb het niemand verteld. Alleen hij wist het, want bij hem kon ik het niet met kleren verhullen. ‘Ik heb wel een oplossing’, zei hij. Ik had geen idee wat hij bedoelde. Tot hij met dat kussen bij haar stond.

 

Kussen

 

Sylvia Visser schrijft op www.sylviavisser.eu.

Sylvia Visser voor verhaal "Kussen"

Sinds 2013 wijdt Sylvia Visser haar leven volledig aan het schrijven. Zij schrijft blogs voor online magazines en nieuwssites. Ook draagt zij columns voor tijdens de literaire middag Taalwater in het Eemhuis in Amersfoort en zij is columnist op Nieuws.nl. Sylvia Visser is plaatsvervangend columnist op AmsterdamFM.

Iedere maandag schrijft zij een kort verhaal op haar eigen site en elke woensdag blogt ze op pittige wijze en met de nodige zelfspot. Onder meer de thema’s vrouw, de liefde en afscheid keren regelmatig terug in haar werk. Momenteel schrijft zij aan haar debuut, een verhalenbundel over de liefde. Naar verwachting zal dit boek in de tweede helft van 2017 verschijnen bij de jonge uitgever Ambilicous.

 

Kijk voor meer verhalen en blogs op www.sylviavisser.eu.

Winterkoninkje

Winterkoninkje

Wilma zat achter het raam aan de achterzijde van haar woning naar de vogels te kijken. Rechtsachter in de tuin zat een groep mussen, die de door Wilma gestrooide broodkruimels verorberden. Op de schutting verscheen een ekster die niets van belang zag en daarom vertrok naar een volgende tuin. Een pimpelmees vloog van de appelboom naar een van de vetbollen, die Wilma’s dochter in de bomen en aan de schutting had gehangen.

De tuin was niet breed, maar met ruim eenendertig meter uitzonderlijk diep voor de een-gezinswoning van Wilma. Achterin stonden een appelboom en een lariks.De rest van de tuin stond vol met struiken en vaste planten. Langs de schuttingen met de buren had haar man ooit klimop, kamperfoelie en wingerd geplant, waardoor de schuttingen nagenoeg geheel bedekt bleven, zelfs in de winter. Het terras achter het huis was klein, wat gecompenseerd werd door een zitje in het midden van de tuin bij een kleine vijver.

Gerrit was twee jaar geleden overleden na langdurig ziek te zijn geweest. De ziekte van Parkinson had hem gesloopt. Wilma was er wel verdrietig om en mistte hem iedere dag, maar ze was vol goede moed verder gegaan, want dat had ze met Gerrit afgesproken. Ze was negenenzeventig, kerngezond en was betrokken bij veel activiteiten in het dorp. Thuis zat ze in de winter graag voor het raam te kijken naar alle levendigheid in haar tuin. Zodra het weer dat toeliet, zat ze buiten. De diversiteit aan vogels was groot, wat mede te danken was aan de inrichting van de tuin. Een nabijgelegen bos op minder dan driehonderd meter van haar huis bood extra beschutting voor de vele vogels.

Ze keek de tuin weer in en zag een muisje wegschieten. Ze zag haar winterkoninkje tevoorschijn komen. Haar favoriete tuinbewoner. Het was een klein, parmantig vogeltje dat druk in de weer was om in de lage struiken eten te vinden en voorbereidingen te treffen voor de lente. Een winterkoninkje hield er meerdere vrouwtjes op na, als hij de kans daartoe kreeg. Dit diertje leefde vermoedelijk al een paar jaar in haar tuin, want de de ongeveer vijftien nestjes zaten ieder jaar op dezelfde plaats. Vorig jaar had het winterkoninkje maar liefst drie koninginnen gehad. Dat was maar goed ook, want slechts vier van de twintig jongen hadden het overleefd. Slecht weer, een sperwer en de eksters hadden hun tol geëist.

Af en toe schoot het winterkoninkje de struiken of de klimop in, beducht op gevaar en reagerend op iedere potentiële dreiging.
Brutaal kijkend vloog het diertje met opgeheven staart naar het plateau, waar Wilma een paar keer per dag brood en zaden neerlegde, maar het plankje was leeg. Het lichtbruine, met strepen gevleugelde vogeltje fladderde naar een potje dat op zijn kant lag aan de rand van de vijver, vastgeklemd in een houten houder. In het potje zat vet en in het vet zaten insecten en maden. Het winterkoninkje had flinke trek, want hij hakte er op los, zijn staart geheven waardoor hij groter leek. Hij had het zo druk met eten dat zijn aandacht voor de omgeving even verslapte, net op het verkeerde moment.

Sperwer en Winterkoninkje

Op tweehonderd meter hoogte vloog een sperwer over de tuinen, in de wetenschap dat daar vaak iets te halen was. Hij had de mussen wel gezien, maar dat was wederzijds, dus die vlogen als de wiedeweerga al tsjilpend tussen de struiken. De sperwer vloog door, maakte een grote bocht en kwam terug. Het winterkoninkje brandde op zijn netvlies en hij vloog nog eens over de tuin.

Wilma volgde het winterkoninkje dat even naar een struik vloog om zijn snavel te ontvetten. Even later vloog het beestje terug naar de pot met lekkernijen. Wilma pakte haar verrekijker om het prachtige vogeltje nog beter te bekijken. Wat een prachtig dier, dacht ze. Zo mooi, met dat streepje bij zijn ogen en zo alert. Toch was het winterkoninkje niet alert genoeg.

De sperwer zag het winterkoninkje de struiken in glippen, maar gaf niet op. Met een lange, grote bocht om uit zicht te blijven, verdween de schitterende roofvogel om een minuut later terug te keren. Het winterkoninkje zat alweer bij de het potje en de sperwer zette  de aanval in. Met grote snelheid kwam hij langs de tuinen van de buren, maakte een scherpe bocht en dook naar het potje.

Wilma schrok van de sperwer en riep: “Nee!” Ze trok wit weg en hapte naar adem. De roofvogel was naar beneden gekomen net op het moment dat ze haar verrekijker weglegde. Ze zat te trillen in haar stoel. De sperwer was alweer weggevlogen met zijn buit. Van het winterkoninkje was geen spoor meer te bekennen. Wilma stond op en liep naar de tuindeur, ontdaan door wat zich voor haar ogen had afgespeeld. Ze stond een tijdje in de deuropening, liep een stukje de tuin in en merkte dat het helemaal stil was. Ze liep weer naar binnen. Jammer, dacht ze verdrietig, wat is de natuur toch hard.

Terwijl Wilma naar de keuken liep om een thee te zetten, bewoog de klimop licht en kwam het winterkoninkje aarzelend tevoorschijn. Het hipte over de grond en vloog een paar keer snel terug de klimop in, tot het zich zeker genoeg voelde en zich weer koning van de tuin waande.
En de sperwer? Die had vandaag een onfortuinlijke muis als lunch.

 

meander
Winterkoninkje als metafoor voor de kracht het kleine.

Winterkoninkje; Troglodytes Troglodytes
Winterkoninkje; De Tuinen
Sperwer; Vogelbescherming
Sperwer; Filmpje

Groentesoep

Groentesoep

Cristina pakte haar tas in, liep naar de kapstok en deed haar jas aan. Ze zei haar collega achter de balie gedag en trok de deur naar buiten open. Ze merkte dat haar maag protesteerde en dat ze stevige trek had. Eigen schuld, besefte ze. Had ik tussendoor maar moeten eten.
Cristina werkte in het ziekenhuis op de afdeling neurologie. Haar dienst was eigenlijk al om zes uur geëindigd, maar zieke collega’s en een spoedgeval hadden haar nog een paar uur bezig gehouden.
Kwart over negen, zag ze op haar horloge en het was al bijna donker. Snel naar huis fietsen en dan een lekkere kop groentesoep, dacht ze.

De man reed van het fietspad rechtsaf het zandpad op. Vijftig meter verder zette hij de gestolen fiets tegen een boom, net voorbij een bocht. Zijn zwarte kleding maakte hem nagenoeg onzichtbaar, maar voor de zekerheid trok hij een bivakmuts over zijn hoofd.
Voorzichtig liep hij terug naar het fietspad dat door het Maria Hendrikapark liep. Rechts van het zandpad verschool hij zich in de struiken die langs het fietspad stonden. Vanuit zijn schuilplaats keek hij voorzichtig of de kust veilig was. Toen hij niemand zag, ging hij aan de rand van het fietspad staan om aankomend fietsverkeer op tijd te zien.

Cristina fietste door het hek van het ziekenhuis en sloeg linksaf het fietspad op. Ze reed stevig door, want acht kilometer was een flink eind fietsen zo laat op de avond. Het fietspad lag naast een drukke weg en verderop wilde ze bij de rotonde rechtsaf slaan om door het park te rijden. Het fietspad door het park verkortte de route met ruim een kilometer. Ze had gehoord dat de afgelopen maanden verschillende vrouwen waren aangerand of verkracht, maar dat zou haar niet overkomen. Dat wist ze zeker.

Er kwam iemand aanrijden, zag de man, waarop hij zich terugtrok in de struiken. De fietser kwam steeds dichterbij. Het was een jongen van een jaar of zestien, zag de teleurgestelde smeerlap. Hij liet hem rijden, want hij had het niet op mannen of jongens voorzien. Zijn prooi bestond uit jonge vrouwen.
De man schrok, omdat hij plotseling naderende stemmen hoorde. Een man en een vrouw kwamen met twee Rottweilers het zandpad aflopen. Ze waren zo druk in gesprek, dat ze geen acht sloegen op het aanzwellende gegrom van de honden, die de verborgen verkrachter hadden geroken. De man was doodsbang voor honden en hield zich muisstil. Tot zijn grote opluchting liepen het tweetal door, maar de honden bleven grommen. Hun baasjes riepen iets en trokken hard aan de riemen. De Rottweilers liepen onwillig met hen mee.
Vlak daarna zag de verstopte aanrander een vrouw voorbij rijden. Hij wilde er achteraan rennen, maar realiseerde zich dat het stel met de honden nog te dichtbij was.

Groentesoep

Cristina reed het park in. Het fietspad was redelijk verlicht, maar toch verhoogde ze haar snelheid, want het leek er op dat het mistig begon te worden. Stom, dacht ze, was ik hier maar niet langs gegaan. Ze overwoog even of ze terug zou gaan, maar reed toch maar zo snel mogelijk door. Ik rijd zo hard als een kerel, dus niemand doet me wat, maakte ze zichzelf wijs. Ver voor haar reed nog iemand.

Weer kwam er iemand aan fietsen en de geduldige jager stond klaar om toe te slaan. Hij trok zich net op tijd terug. Een oudere vrouw op een elektrische fiets kwam voorbij. Zo’n ouwe taart, daar had hij geen zin in. Hij keek in de richting waar de vrouw vandaan kwam en zag het licht van de volgende fiets.

Cristina voelde zich steeds ongemakkelijker, zo alleen. “Ach”, zei ze tegen zichzelf, “doorrijden. Op naar de groentesoep.”
Op dat moment sprong er een donkere, lange, slungelige gedaante op het fietspad. In plaats van te stoppen, probeerde ze te versnellen, maar eenmaal naast haar belager, kreeg ze een harde duw. Cristina viel op de grond, krabbelde snel overeind en zei: “Rot op.” Tegenover haar stond een man, dat kon ze aan zijn stem wel horen.
“Doe wat ik zeg, anders steek ik je overhoop”, schreeuwde de man, die een groot, roestvrijstalen slagersmes in zijn hand had. “Loop voor mij uit tot ik zeg dat je kunt stoppen. Maak je kleren alvast maar los. Ik beloof je dat je het lekker gaat vinden.”
Cristina merkte dat ze niet bang was, maar boos. Ze trilde over haar hele lichaam van woede. “Laat mij gaan, gek”, riep ze.
De man kwam met geheven mes dichterbij. “Luisteren, kreng. Uitkleden. Je krijgt wat je verdient, kutwijf.” Hij stond vlakbij haar, pakte haar beet en probeerde haar jas open te trekken.

Een kwartier later reed een fiets weg. Eerst langzaam, maar uiteindelijk steeds sneller. Het rode achterlicht vervaagde en verdween definitief uit zicht toen de fietser rechtsaf sloeg.

Tegen elf uur zat Cristina half opgerold op haar bank met een warme, geurige bak groentesoep met vegetarische balletjes en grof gesneden groente, bijna zoals haar oma het altijd maakte. Ze had eerst gedoucht en daarna haar jas, broek en shirt in de allesbrander gegooid, omdat die viespeuk ze had aangeraakt.
Cristina nam nog een half kommetje soep en vroeg zich af wanneer de klap kwam. Na een minuut of tien deed ze de lichten uit en liep naar de douche om haar tanden te poetsen. Ze hoopte maar dat ze kon slapen.

In het park, op het zandpad, zo’n twintig meter van het fietspad, lag een donkere, vormeloze figuur. Het glimmende, schoongepoetste heft van een slagersmes stak uit zijn borst. Verderop langs het zandpad stond een fiets.

 

meander

 

Groentesoep van Oma

 

Ongelofelijk

Ongelofelijk

Zonder een knipperlicht te gebruiken, nam Hilda de laatste bocht. Ze remde nog net op tijd voor een overstekende, jonge moeder met een kinderwagen. Hilda pakte de eerste de beste parkeerplaats, stapte gehaast uit en stiefelde met grote passen naar de winkelwagentjes, zonder de scheef geparkeerde auto af te sluiten. Opschieten, dacht ze. Over een kwartier begint de nachtdienst. Ze had niets in huis en als ze morgen om zes uur thuis kwam, waren de winkels nog niet open.
Ze had te lang zitten kletsen met haar vriendin. Ze was geschrokken toen ze haar Samsung pakte om op een bericht te reageren en zag hoe laat het was.
Ze riep: “Mijn God, is het al zo laat? Doei, Emma.” Ze was naar haar auto gerend en snel naar de supermarkt gereden.
Bij de wagentjes aangekomen, pakte ze haar portemonnee. “Shit”, riep ze hardop, met als gevolg dat een paar hoofden een kwartslag draaiden. Geen muntjes. Dan maar een mandje. Ze kwam hier anders nooit, maar deze winkel was dichterbij.

Hilda stoof door de winkel, waardoor ze de helft vergat. Van de groenteafdeling snelde ze naar de koeling voor boerenmelk en kwark. Toen ze aan het einde van een winkelstelling kwam, botste ze op een oudere man met een rollator. Door de schok vielen enkele boodschappen uit het mandje, dat aan zijn rollator hing.
“Oh. Sorry, sorry”, zei Hilda en ze wilde doorlopen, maar de man wankelde en ze kon hem nog maar net vastgrijpen, zodat hij op de been bleef. “Gaat het, meneer?”, vroeg ze.
“Prima. Het gaat wel”, zei de man, die weg wilde lopen, maar Hilda hield hem tegen.
“Ik ken u ergens van. Woont u bij ons in de buurt?” Ondertussen legde ze de gevallen boodschappen terug in zijn mandje.

Ongelofelijk Klimop“Dat weet ik niet, mevrouw. Ik woon in een aanleunwoning van de Klimop”, zei de man beleefd.
Ze zei, zonder precies te weten waarom: “Ik ben Hilda Jansen. Kan ik u helpen met de boodschappen?”
“Nee hoor, dat gaat prima. Ik doe hier iedere dag boodschappen. Ik heet ook Jansen”, zei hij, met een glimlach op zijn gezicht.
“Dat is toevallig”, zei Hilda, bij wie een ongelofelijke gedachte opkwam. “Nou, dan ga ik maar weer”, zei ze. ”Tot ziens.” Aan het eind van het pad keek ze nog even om en zag meneer Jansen de andere kant oplopen, tot hij linksaf sloeg.

Hilda vergat de melk en de kwark, rekende snel af en rende de winkel uit. Ze keek op haar horloge en besefte dat ze te laat was voor haar werk. Ze zuchtte diep. Na honderd meter stond ze al weer stil. Teruggaan heeft geen zin, dacht ze, want die man is natuurlijk al lang weg. Ze gaf gas en reed naar huis.

Thuis zette Hilda de tas met boodschappen op het aanrecht en liep direct door naar boven. Ze keek onderin de kast op de logeerkamer en pakte er een doos uit met oude foto’s. Na tien minuten vond ze de foto die ze zocht. Een zwart-wit foto van haar moeder met een man. “Dat is je vader”, had haar moeder gezegd toen ze zestien werd. Hilda’s moeder was nooit met hem getrouwd. Hij had Hilda erkend en ingeschreven bij de burgerlijke stand, maar een half jaar later was hij verdwenen. “Waarschijnlijk geëmigreerd”, had haar moeder gezegd. Ze had Hilda de papieren en de foto gegeven.

Die meneer Jansen uit de winkel was zesenveertig jaar ouder dan toen, maar ze vond dat hij nog goed op de foto leek. Zou ze na zoveel jaren, bij toeval haar vader hebben ontmoet? Ze kon het niet meer aan haar moeder vragen. Ze wist dat er maar een ding opzat, daarom belde ze het ziekenhuis en zei dat ze naar huis was gegaan, omdat ze ziek was. Ze waren er niet blij mee, maar dat deerde Hilda niet.

Een kwartier later liep Hilda de hal van de Klimop in en vroeg aan de receptionist waar meneer Jansen woonde. “Hij heeft een blauwe rollator en hij had een groene jas aan”, zei ze.
“Ik kan u niet zomaar gegevens van bewoners geven”, zei de receptionist.
“Dat begrijp ik, maar ik denk dat hij mijn vader is. Die heb ik zelf nooit gekend, maar ik heb een foto.” Ze liet de foto zien. Ze had de indruk dat de receptionist spottend naar haar keek en haar niet geloofde. Hij bekeek vervolgens met een ongeïnteresseerde blik de foto en vroeg haar om te gaan zitten. Hij belde naar meneer Jansen en vertelde hem dat Hilda bij de receptie stond. Hij kreeg klaarblijkelijk antwoord en hing daarna op.
“Die ouwe komt er aan”, zei de jonge receptionist nogal onbehouwen, waarna hij zijn iPhone pakte, zich omdraaide en in een razend tempo op het schermpje begon te tikken.

Enkele minuten later kwam Jansen langzaam aanlopen, steunend op zijn rollator. Hilda hield het niet meer, rende op hem af en omarmde hem. Tranen stroomden over haar wangen.
“Ongelofelijk”, zei ze. “Na al die jaren.” Ze nam als vanzelfsprekend aan dat hij wist waar ze het over had. Toen ze merkte dat hij haar beduusd aankeek, zei ze: “Jij bent mijn vader.”
Meneer Jansen keek haar meewarig aan, tot doordrong wat ze zei. “Zo…, dus toch”, zei hij bedaard. “Dan moest je maar even met mij meelopen”, zei hij zonder enige emotie. Het leek er eerder op dat hij deze plotsklapse ontmoeting met een vergeten verleden als vanzelfsprekend aanvaardde.

Jansen hield de deur open en vroeg haar toen ze de kamer inliepen, wat ze wilde drinken.
“Ga maar zitten, ik doe dat wel”, zei ze. “Ik ben niet voor niets verpleegster.”
Even later zaten ze in een stoel bij het raam, beiden met een beker koffie.
“Hoe is het mogelijk?”, zei haar vader met hoorbaar ongeloof in zijn stem, terwijl hij haar met een vorsende blik vanonder zijn dikke, grijze wenkbrauwen aankeek.
“Ik ben zo blij dat ik je gevonden heb”, zei Hilda, die vergat dat ze helemaal niet had gezocht. Het was puur toeval, dat ze hem was tegengekomen. “En je woont zo dichtbij”, zei ze met tranen in haar ogen.

father-and-daughter-walking-at-sunset-494x250

Hilda liet de foto zien en las voor van het document dat ze had meegenomen: “Op twaalf mei 1970 heeft Anton, Cornelis Jansen aangifte gedaan van de geboorte van zijn dochter Hilda Maria Jansen.” Ze keek hem aan, pakte een vierde zakdoekje om haar tranen te drogen en zei: “Ik wist pas op mijn zestiende wie mijn vader was en dat hij Anton heette.”
“Ze noemen mij Toon”, zei hij.

Hilda vertelde over haar jeugd en over het overlijden van haar moeder. Toen ze even stopte en hem aankeek, begreep ze dat ze te hard van stapel liep. Ze vroeg haar vader waar hij al die jaren was geweest, waar hij had gewoond en waarom hij was vertrokken. Toon wachtte even, haalde diep adem en zei dat ze daar beter een volgende keer over konden praten. Hij moest eerst van alle emoties bekomen en wilde liever horen wat zij had meegemaakt en hoe het met haar ging. Meer aansporing had Hilda niet nodig. Ze vertelde trots en uitvoerig over haar twee meiden, die beiden afgestudeerd waren, een prachtige baan hadden en elders in het land woonden. Tenslotte vertelde ze dat ze gescheiden was. Uit Toons enthousiaste reactie op het nieuws dat hij twee kleindochters had, bleek dat hij blij was met de hereniging, vond Hilda.

Tegen zessen zei Hilda: “Ik ga even naar de winkel, dan ga ik straks lekker voor ons koken.” Voor de vorm protesteerde Toon, maar het vooruitzicht om samen met haar te eten, vond hij fantastisch. De afgelopen jaren had hij altijd alleen gegeten.

Toon stond voor het raam en keek naar zijn kordate dochter die om de hoek verdween in de richting van de supermarkt. Ongelofelijk, dacht hij. Van het ene op het andere moment heb ik een dochter en twee kleindochters. Dat hij Toon Janssen heette, kwam goed uit. Hij had zijn hele leven gevaren en zoals een goed zeeman betaamt, had hij in ieder stadje een ander schatje gekend. Toon was niet de man op de foto en hij was Hilda’s vader niet, maar dat hoefde zij niet te weten. Zijn eenzaamheid was voorbij en zij had haar vader gevonden. Ze gingen samen een mooie tijd tegemoet.

meander

In illusie zit soms meer liefde verscholen dan je zou verwachten, ook al is het wederzijds eigen belang.

YouTube: Papa gezongen door Chantal Janzen.

“Seks?”

“Seks?”

Hij wachtte al drie kwartier in het sfeervolle, in traditioneel Javaanse stijl ingerichte restaurant en overwoog om op te staan, af te rekenen en naar huis te gaan. Het was alweer een teleurstelling in een reeks van afspraken die hij via de zoveelste datingsite had gemaakt. Dit keer had hij echt de indruk gekregen dat het zou lukken. Ze hadden elkaar veelvuldig via Skype gesproken en de gesprekken gingen ver, heel ver. Zover, dat ze elkaar zo snel mogelijk wilden ontmoeten. Daar zat hij dan, in zijn beste pak, geheel voorbereid op een lang verwachte en nog veel langer, dringend gewenste ontmoeting, met kansen op meer in ’t verschiet. Hij bestelde zijn zesde drankje, zichzelf wijsmakend dat ze opgehouden was door het verkeer of een vertraagde bus.

Om acht uur betaalde hij, trok zijn jas aan en liep naar de uitgang, waar hij de deur openhield voor een ouder echtpaar. Toen deze naar binnen waren gelopen, zag hij de vrouw buiten adem aan komen rennen. Hij keerde zich geïrriteerd om en liep naar binnen in de richting van het toilet om een ontmoeting te vermijden. Hij wachtte tot de dame was doorgelopen en vertrok in stilte, omdat hij er geen zin meer in had. Ze was eindelijk gekomen, maar te laat was nu eenmaal te laat.

Louise schoot een gastvrouw aan en zei dat ze een afspraak had, maar te laat was gekomen. Ze beschreef de man met wie ze had afgesproken en zei hoe hij heette. De dame, gekleed in een oranje Sarong, antwoordde dat de man vijf minuten geleden was vertrokken. Louise begon zachtjes te huilen en ging teleurgesteld op een stoel zitten. De gastvrouw vroeg: “Gaat het wel, mevrouw? Kan ik iets voor u doen?”
“Niets”, zei Louise. “Helemaal niets. Heb ik eindelijk een kans, verpruts ik het weer.” Ze hield op met huilen. Haar verdriet sloeg om in woede. Haar boosheid richtte zich kortstondig op de vertrokken man, maar eindigde al snel bij haar zelf.
“Mag ik een cappuccino en een Amaretto met ijs?”, vroeg ze de knappe, jonge vrouw, die nog steeds stond te wachten.
“Een cappuccino en een Amaretto met ijs. Komt er aan mevrouw”, zei de gastvrouw.

Louise was tweeënveertig, had een slank figuur, roodoranje haar, vrolijke sproeten en een lief, ondeugend gezicht. Dankzij de zoete, ijskoude, stroperige Amaretto, verdween de wrevel over haar stommiteiten langzaam naar de achtergrond. Ze keek om zich heen en kwam tot de conclusie dat het een mooi en gezellig restaurant was.
Vier tafels verder zat een knappe kerel, die regelmatig fronsend om zich heen keek en ongeduldig met zijn voet op de grond zat te tikken. Zo nu en dan zuchtte hij diep. Louise wierp af en toe een blik in zijn richting. Niet doen, Louise, dacht ze nog. Niet! Doen!

Toen ze voor de zoveelste keer haar blik op hem liet rusten, schrok ze, omdat hij naar haar keek. Had hij haar nieuwsgierige, steelse observaties waargenomen?
Na enkele minuten en nog een paar blikken die elkaar kruisten, nam Louise een besluit. Ze haalde diep adem, stond op en liep naar het tafeltje waar hij zat.

“Is deze stoel vrij?”, vroeg Louise.
De man glimlachte en stond op. “Zeker, zeker, gaat u zitten. Terwijl ze ging zitten, probeerde hij haar een hand te geven, maar die twee bewegingen waren teveel voor een evenwichtige balans. Ze schoten beiden in de lach toen hij bijna struikelde. Hij stak zijn hand uit en zei: “Rutger van Bellegem.”
“Louise Desauw, aangenaam.”
“Wat wilt u drinken?”, vroeg Rutger.
“Chardonnay als dat kan.”
Rutger wenkte een dame in een gele sarong en bestelde twee glazen Chardonnay.

Na een toast op de kennismaking zei Rutger: “Sorry, dat ik zo naar u keek, maar ik dacht dat u naar mij keek.”
“Mag ik Rutger zeggen?”
“Graag, Louise”, zei Rutger.
“Ik keek inderdaad naar jou, dus mijn welgemeende excuses”, zei Louise.
“Aanvaard, maar jouw excuses zijn niet nodig. Bedankt voor de aandacht. Mag ik heel misschien weten hoe jouw aandacht bij mij terecht kwam?”
Louise lachte om de impliciete humor in Rutgers reactie. Ze vertelde wat haar was overkomen en dat ze dacht dat hij ook tevergeefs op iemand wachtte.
Rutger zei: “Goed gezien. Ik had een afspraak met mijn ex om te praten over de mogelijkheid om het weer te proberen. Een afspraak op haar verzoek. Ze is niet op komen dagen. De poging is mislukt, geloof ik.”
Louise lachte om zijn korte relaas, maar vooral om de cynische ondertoon in zijn laatste zin. Rutger lachte mee.

Ze bestelden beiden een glas witte wijn en Rutger vroeg of ze al gegeten had. Dat was, zoals zich laat raden, niet het geval. Hij stelde haar voor om samen te dineren, waar ze van harte mee instemde. Het eten was fantastisch, wat mede het gevolg was van de uitgebreide zorg die er aan was besteed. Sommige producten hadden twee dagen nodig gehad om de juiste smaak te verkrijgen. Aandacht en passie waren de belangrijkste ingrediënten in de Javaanse rijsttafel met vierentwintig gerechten. Louise en Rutger kletsten honderduit en beiden scheen het na een tijdje alsof ze elkaar al jaren kenden. Louise dacht: toeval is blijkbaar beter dan een afspraak.

Louise vertelde dat ze twee maanden geleden had besloten om er een jaar er tussenuit te gaan. Na dertig jaar hard werken, had ze haar makelaardij verkocht en wilde ze wat van de wereld zien.
Rutger zei: “Dat zit er voor mij niet in. Ik ben vrachtwagenchauffeur. Je kunt er goed van leven, maar een tijdje stoppen zit er niet in.”
“Wel een boeiend beroep, want je ziet veel”, zei Louise. “Waar kom je zoal?”
“Ik rij meestal op en neer naar Italië en Spanje, maar ritjes naar de Balkan komen ook voor. Ik ben gek op mijn werk, maar mijn ex vond dat ik te vaak en te lang weg was. Jammer voor haar.”
“Lijkt me prachtig om zo te reizen voor je werk.”
“Dan ga je toch een keer mee”, zei Rutger, die zichzelf verbaasde over zijn voorstel.
Louise keek hem vol verwachting aan en vroeg: “Meen je dat?”

Vier uur later reden ze naar Rutgers huis in Oostende. Het bleek dat hij slechts vier straten bij haar vandaan woonde. Eenmaal aangekomen bij Rutgers woning stemde ze er mee in om nog iets te drinken. Rutger had beloofd haar daarna naar huis te brengen, maar… of dat er nog van zou komen?

In Diksmuide zat een boze, teleurgestelde man op een houten stoel achter een keukentafel. Hij stond op, vloekte hard, pakte zijn achtste biertje, greep nog een zak chips en vloekte weer, maar nu zachtjes in zichzelf. Het is me weer niet gelukt, dacht hij, terwijl de vooruitzichten zo veelbelovend waren geweest, mede door de gesprekken met Louise over seks.

 

meander


 Meer verhalen van Meander lezen? Klik HIER!